Druktemaker Joost Oomen: 'Het is om je dood te schamen'
- Nieuws
- Druktemaker Joost Oomen: 'Het is om je dood te schamen'
Vier jaar geleden ging er een baby dood in een sporthal in de buurt van Ter Apel. En die baby, die is niet dood. Die baby is aanwezig in de blikken van de mannen die vier jaar later, nu dus, op een stretcher naar het plaatdak van diezelfde sporthal kijken. In het raam van de bus, in de haastig toegeworpen fleecedeken, in de afgetrapte schoenen die ze naast hun noodbedden op de gymzaalvloer hebben neergezet. Oh, het kind dat vier jaar geleden in die sporthal stierf, is overal.
Video niet beschikbaar
Het kind is aanwezig in de woorden van de bestuurders. Het brabbelt mee met de woorden van de burgemeester van Westerwolde, die op steeds dringender toon al vier jaar lang om extra opvangplekken vraagt. De baby is aanwezig bij elke raadsvergadering, elke discussie in de Tweede Kamer, elk commissiedebat, elke stropdas die wandelt naar de interruptiemicrofoon. Het kind hoor je door de babyfoon wanneer iemand over golven en omvolking begint. Blaast een belletje als een volksvertegenwoordiger ervoor pleit dat je op de grens op vluchtelingen zou moeten schieten. De baby wil niet dood. De baby wil niet beschoten worden. Dus de baby die vier jaar geleden stierf in die gymzaal bij Ter Apel, is nu overal.
De baby zit in het glinsteren van de ambtsketting, in de kantoorplaten, in de zwarte inkt van de printers van de ambtenarij. De baby speelt met de plopkappen van de journalisten, met de afstandsbediening van iemand die bij het journaal weg zapt. Is het maanlicht, en het zwaailicht en de warmte van de isolatiedekens die mannen uitgereikt krijgen wanneer ze op het grasveld voor de aanmeldlocatie moeten slapen. De baby is het geroep in de aanmeldlocatie, is de doodvermoeide medewerker, is de koude douche, de teenslippers, de smerige toiletten. En ja, de baby is een baby, en de dode baby kan niet slapen van alle knallen van vuurwerkbommen, al het geschreeuw voor het AZC, alle vlammen uit de bosjes.
Vier jaar lang is de baby van de sporthal in de buurt van Ter Apel al overal in Nederland. En al vier jaar lang pakt niemand hem even op.
Voor een periode van vier jaar, maar eigenlijk natuurlijk al veel langer, is er niets veranderd in Nederland. Nog steeds worden de broertjes en neven en vaders, én moeders en oma’s en kleuterzusjes van de dode baby van gymzaal naar gymzaal gesleept. Het is onbegrijpelijk en onaanvaardbaar dat de bestuurders van een volwassen land zich voor zo’n absurd lange tijd al laten gijzelen door een racistisch smaldeel, terwijl het overgrote deel van Nederland wil dat dit opvangprobleem gewoon efficiënt en snel, en met een politieke kundigheid en verantwoordelijkheid die je van professionele bestuurders mag verwachten, wordt opgelost. Het is werkelijk om je dood te schamen. Ik voel mij als Nederlander aangekeken. Niet bestraffend aangekeken, maar smekend aangekeken. En ik weet wiens ogen het zijn.
Want de dode baby van de sporthal bij Ter Apel, zit in elke baby. Speelt met de blokken van mijn kind, gaat naar dezelfde kinderopvang als mijn kind. Moet vandaag ook zonnebrandcréme op zijn benen voor we fietsen gaan. Alleen is deze baby dood, hartstikke dood, niet toevallig, maar door ons gepruts als Nederlanders. En als het deze zomer nog een keer precies zo gaat als hoe het vier jaar geleden ging, dan houd ik mijn hart vast. Dan ben ik doodsbang dat er nog een dode baby, en nog een dode baby, en nog een dode baby in een gymzaal in de buurt van Ter Apel, bijkomt.



