Naar homepage
Cultuur & Media

Groningse schrijver Lammert Voos: 'Alles wat ik verzin ben ik zelf'

foto: Lammert Voos
  1. Nieuwschevron right
  2. Groningse schrijver Lammert Voos: 'Alles wat ik verzin ben ik zelf'

Schrijver en dichter Lammert Voos, in Groningen al jaren bekend om zijn literaire werk, dringt steeds meer door naar nationaal niveau. Hij schrijft duistere verhalen over armoede, drank, incest en mishandeling. De onlangs verschenen novelle 'Gannef' is het laatste deel van zijn naturalistische trilogie. In Kunststof vertelt hij hoe bepalend je afkomst kan zijn.

Kunststof - Lammert Voos, dichter

-Ben je er een van Voos? Lammert Voos: "Dat kreeg ik inderdaad nog wel eens te horen vroeger. Heel ambivalente vraag. Ook trots: want een Voos blaas je niet omver. Anderzijds wist ik wel dat het was omdat ik een bepaalde reputatie had. Ze zeiden het niet omdat wij vrome kerkgangers zijn."

Malterfoske

Lammert Voos was muzikant, schreef voor muziekbladen, was stadsdichter van Deventer. Hij werkte als hulpverlener voor Vluchtelingenwerk Nederland. Op latere leeftijd begon hij met het schrijven van korte verhalen. De afgelopen jaren schreef hij een trilogie over zijn familie en verre voorvaderen. Het begon met de novelle Malterfoske, een buurtschap op het Hoge land in Groningen bij de pestbosjes, een verlaten plek waar zieke dode dieren werden begraven. In de delen Canisius en Gannef vertelt hij over zijn voorvaderen, de arme landarbeiders die als horigen in dienst waren bij de rijke boeren.

Voos: "Het is een familie van verhalenvertellers, van mijn moeders kant althans. Grootvader Lammert - naar wie ik ben vernoemd en ongeveer tachtig neven ook - kwam uit de noord Friese Wouden. Dat waren verhalenvertellers. Oudoom Jan was een kleurrijke figuur, mijn moeder ook, van haar heb ik de meeste geschiedenissen gehoord."

Zwarte Jan

"Gannef, een Jiddische uitdrukking voor bedrieger, gaat over mijn oudoom Zwarte Jan, dat was een aanwezig type, altijd het hoogste woord. Als kind vond ik het heel interessant dat hij een deuk in zijn hoofd had. Door een auto-ongeluk werd gezegd, maar ook dat hij een pak slaag had gehad op de Hamburgse Reeperbahn. Hij had grote auto's, maar rijden kon hij niet. Bij de begrafenis van mijn oma reed hij tegen het muurtje van het kerkhof en riep uit: 'Dat kreng is begraven dus tijd om de kroeg in te gaan.'

Dat was ome Jan. Een aardige oom voor mij, maar er was ook een andere kant aan hem. Hij was getrouwd met een oude temeier die achter het raam had gezeten in Groningen en zij had iets gehad met een Duitse officier. Jan had in de bak gezeten voor het leeghalen van visfuiken en was verdacht van brandstichting van een grote boerderij."

Leeuwentemmer

"Deel twee van de trilogie gaat over Petrus Canisius , de halfbroer van mijn moeder", vervolgt Voos. "Hij was een bastaard, wat ze in Groningen een voorkind noemden. Hij is op een gegeven moment gewoon verdwenen en bleek in Antwerpen te wonen. Toevallig woonde hij ook samen met een hoerenmadam. Bij brokjes hoorde ik over wie hij was.

Ivan Heylen, de journalist en muzikant had hem ooit geïnterviewd voor de Belgische panorama. Hij was ooit zijn arm kwijtgeraakt en in dat interview verkondigde hij dat hij leeuwentemmer was in het Russisch staatscircus en op een dag de leeuw hem te pakken had genomen. Daar zat wel een kern van waarheid in. Maar hij was slechts leeuwenoppasser en dronk wat teveel. Toen is hij de leeuw gaan aaien en dat is misgegaan. Maar hij had grote verhalen, hij vertelde ook dat hij Tarzan, Johnny Weismuller had gekend. Qua tijdbestek klopte daar weinig van."

Het disfunctionele gezin dat zich herhaalt in de generaties

De basis van alle verhalen is het disfunctionele gezin dat zich herhaalt in de generaties. Zijn grootvader Lammert en andere familieleden komen in de verhalen voor, maar hij deed ook onderzoek naar de oorlogsjaren. Bijvoorbeeld over de werkkampen voor NSB'ers en andere collaborateurs vlakbij het Wad.

Voos: "Voor de oorlog was er een werkverschaffingskamp, in de buurt van de Linthorst Homan polder. Werklozen moesten daar verplicht werken aan de inpoldering. Die werklozen hadden nog het geluk om maar een paar uur per dag dat zware werk te doen. Maar de geïnterneerden die er daarna kwamen, werden naar buiten gestuurd om de hele dag te werken en die werden niet meer binnengehaald voor hoog water. Er zijn er toch ettelijke van verdronken. Ze werden behoorlijk mishandeld door bewakers van de binnenlandse strijdkrachten, dat deed niet onder voor het gedrag van kampbewakers in de tijd van de SS.

Wat mijn oom precies in Duitsland had gedaan daar werd in de familie niet over gesproken. Hij had bij de vrijwillige arbeidsdienst gezeten en droeg een uniform dat sterk leek op uniformen van de SS en aan het eind van de oorlog werden ze ingezet om actief mee te vechten."

Kunststof

Het cultuur- en mediaprogramma van NTR van maandag tot en met donderdag te horen tussen 19:30 en 20:30 uur op NPO Radio 1 of op elk moment terug te luisteren als podcast. Volg Kunststof op Twitter, Facebook en Instagram.

Ster advertentie
Ster advertentie