appjecalendarcheckchevron-downchevron-leftchevron-rightchevron-upclosedownloaddragfacebookfast-backwardfast-forwardgoogle-plusiconinstagramlinkedinlistlisten-livelogo-nporadio1logo-tour-de-france mailmicrophonepauseperson-man-2person-woman-4phonepinterestplayplaylistplyr-nextplyr-prevquestionquotesearchsharesorter--up-and-down star--open-and-filled star-openstarthumbdownthumbuptwitterwatch-livewhatsappyoutubeplyr-captions-off plyr-captions-on plyr-enter-fullscreen plyr-exit-fullscreen plyr-fast-forward plyr-muted plyr-pause plyr-play plyr-restart plyr-rewind plyr-volume
Afbeelding

Het Marathoninterview

Het Marathoninterview. Verhalen die dichterbij komen dan de waan van de dag ons meestal toelaat.

Podcast afleveringen

Louis Tobback deel 4

vrijdag 27 december 1991, 17:10 uur

Op 27 december 1991 keek de VPRO-radio weer eens over de grenzen van ons eigen kikkerlandje. In de Kerstvakantie was de Belgische minister Louis Tobback bereid zich naar Hilversum te vervoegen. Alleen was hij niet op de hoogte van het feit dat het om een marathoninterview ging. Er moest dus om acht uur 's ochtends nog gebeld worden om "even wat dingen te verzetten", zodat hij tot 13 uur kon blijven. Het interview begint daarom zonder Tobback, die immers als een malle aan het bellen was om te zorgen was dat hij vijf uur lang in Hilversum kon blijven. Uiteindelijk komt het goed en kan Frénk van der Linde vijf uur praten met de Belgische minister van ‘Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen’.

Biografie Louis Marie Joseph Tobback

"Een niet onaardig ego"
Louis Marie Joseph Tobback zag het levenslicht op 3 mei 1938 in Leuven. Hij heeft Romeinse Filologie gestudeerd en gaf een tijdje Frans aan het Koninklijk Atheneum in Leuven. Maar al op jonge leeftijd lonkte de politiek. Hij werd lid van de Socialistische Partij (SP) en via het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), een openbare gemeentelijke instantie in België, kwam hij in 1971 in de gemeenteraad van Leuven terecht. Hij werd daar vrijwel direct eerste schepen, het Belgische equivalent van de wethouder.

Drie jaar later, in 1974, maakte hij zijn entree in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, het Belgische parlement. Hij viel daar op door zijn rake oneliners en samenvattingen van complexe kwesties. Na vier jaar kamerlidmaatschap werd hij fractievoorzitter van de SP in het parlement. Na tien jaar het fractieleiderschap werd Tobback in 1988 minister – van 1988 tot 1992 was hij minister van Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, van 1992 tot 1994 minster van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken.

Na het ministerschap keerde hij terug naar het partijbestuur. Hij werd voorzitter van de SP (tegenwoordig gaat die partij als sp.a door het leven) en loodste die partij door een moeilijke periode. Heel wat socialistische koppen rolden na het Agustaschandaal – de aankoop van gevechtshelikopters van het Italiaanse merk Agusta door het Belgische leger was niet helemaal correct gegaan – en de affaire-Dutroux, maar mede door Tobback wist de partij de verliezen bij de federale en regionale verkiezingen te beperken. Het socialisme was aan het eind van de twintigste eeuw toe aan herbezinning, vond ook Tobback. Hij zette een nieuwe ideologische discussie binnen de partij op gang. Ondertussen was hij in 1995 ook burgemeester van Leuven geworden.

In april 1998 werd hij nog een opgeroepen om minister te worden, toen zijn voorganger, Johan Vande Lanotte, moest aftreden naar aanleiding van de ontsnapping uit de gevangenis van Marc Dutroux. In september van dat jaar moest Tobback op zijn beurt aftreden na een tragische gebeurtenis: een asielzoekster kwam bij haar gedwongen uitzetting om het leven. Tobback had die uitwijzing uitgevaardigd, nam zijn verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen en nam ontslag.

Sindsdien is Tobback burgervader van zijn geboortestad Leuven.

VPRO Marathoninterview - Louis Tobback deel 3

vrijdag 27 december 1991, 17:08 uur

Op 27 december 1991 keek de VPRO-radio weer eens over de grenzen van ons eigen kikkerlandje. In de Kerstvakantie was de Belgische minister Louis Tobback bereid zich naar Hilversum te vervoegen. Alleen was hij niet op de hoogte van het feit dat het om een marathoninterview ging. Er moest dus om acht uur 's ochtends nog gebeld worden om "even wat dingen te verzetten", zodat hij tot 13 uur kon blijven. Het interview begint daarom zonder Tobback, die immers als een malle aan het bellen was om te zorgen was dat hij vijf uur lang in Hilversum kon blijven. Uiteindelijk komt het goed en kan Frénk van der Linde vijf uur praten met de Belgische minister van ‘Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen’.

Biografie Louis Marie Joseph Tobback

"Een niet onaardig ego"
Louis Marie Joseph Tobback zag het levenslicht op 3 mei 1938 in Leuven. Hij heeft Romeinse Filologie gestudeerd en gaf een tijdje Frans aan het Koninklijk Atheneum in Leuven. Maar al op jonge leeftijd lonkte de politiek. Hij werd lid van de Socialistische Partij (SP) en via het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), een openbare gemeentelijke instantie in België, kwam hij in 1971 in de gemeenteraad van Leuven terecht. Hij werd daar vrijwel direct eerste schepen, het Belgische equivalent van de wethouder.

Drie jaar later, in 1974, maakte hij zijn entree in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, het Belgische parlement. Hij viel daar op door zijn rake oneliners en samenvattingen van complexe kwesties. Na vier jaar kamerlidmaatschap werd hij fractievoorzitter van de SP in het parlement. Na tien jaar het fractieleiderschap werd Tobback in 1988 minister – van 1988 tot 1992 was hij minister van Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, van 1992 tot 1994 minster van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken.

Na het ministerschap keerde hij terug naar het partijbestuur. Hij werd voorzitter van de SP (tegenwoordig gaat die partij als sp.a door het leven) en loodste die partij door een moeilijke periode. Heel wat socialistische koppen rolden na het Agustaschandaal – de aankoop van gevechtshelikopters van het Italiaanse merk Agusta door het Belgische leger was niet helemaal correct gegaan – en de affaire-Dutroux, maar mede door Tobback wist de partij de verliezen bij de federale en regionale verkiezingen te beperken. Het socialisme was aan het eind van de twintigste eeuw toe aan herbezinning, vond ook Tobback. Hij zette een nieuwe ideologische discussie binnen de partij op gang. Ondertussen was hij in 1995 ook burgemeester van Leuven geworden.

In april 1998 werd hij nog een opgeroepen om minister te worden, toen zijn voorganger, Johan Vande Lanotte, moest aftreden naar aanleiding van de ontsnapping uit de gevangenis van Marc Dutroux. In september van dat jaar moest Tobback op zijn beurt aftreden na een tragische gebeurtenis: een asielzoekster kwam bij haar gedwongen uitzetting om het leven. Tobback had die uitwijzing uitgevaardigd, nam zijn verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen en nam ontslag.

Sindsdien is Tobback burgervader van zijn geboortestad Leuven.

VPRO Marathoninterview - Louis Tobback deel 1

vrijdag 27 december 1991, 17:05 uur

Op 27 december 1991 keek de VPRO-radio weer eens over de grenzen van ons eigen kikkerlandje. In de Kerstvakantie was de Belgische minister Louis Tobback bereid zich naar Hilversum te vervoegen. Alleen was hij niet op de hoogte van het feit dat het om een marathoninterview ging. Er moest dus om acht uur 's ochtends nog gebeld worden om "even wat dingen te verzetten", zodat hij tot 13 uur kon blijven. Het interview begint daarom zonder Tobback, die immers als een malle aan het bellen was om te zorgen was dat hij vijf uur lang in Hilversum kon blijven. Uiteindelijk komt het goed en kan Frénk van der Linde vijf uur praten met de Belgische minister van ‘Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen’.

Biografie Louis Marie Joseph Tobback

"Een niet onaardig ego"
Louis Marie Joseph Tobback zag het levenslicht op 3 mei 1938 in Leuven. Hij heeft Romeinse Filologie gestudeerd en gaf een tijdje Frans aan het Koninklijk Atheneum in Leuven. Maar al op jonge leeftijd lonkte de politiek. Hij werd lid van de Socialistische Partij (SP) en via het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), een openbare gemeentelijke instantie in België, kwam hij in 1971 in de gemeenteraad van Leuven terecht. Hij werd daar vrijwel direct eerste schepen, het Belgische equivalent van de wethouder.

Drie jaar later, in 1974, maakte hij zijn entree in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, het Belgische parlement. Hij viel daar op door zijn rake oneliners en samenvattingen van complexe kwesties. Na vier jaar kamerlidmaatschap werd hij fractievoorzitter van de SP in het parlement. Na tien jaar het fractieleiderschap werd Tobback in 1988 minister – van 1988 tot 1992 was hij minister van Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, van 1992 tot 1994 minster van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken.

Na het ministerschap keerde hij terug naar het partijbestuur. Hij werd voorzitter van de SP (tegenwoordig gaat die partij als sp.a door het leven) en loodste die partij door een moeilijke periode. Heel wat socialistische koppen rolden na het Agustaschandaal – de aankoop van gevechtshelikopters van het Italiaanse merk Agusta door het Belgische leger was niet helemaal correct gegaan – en de affaire-Dutroux, maar mede door Tobback wist de partij de verliezen bij de federale en regionale verkiezingen te beperken. Het socialisme was aan het eind van de twintigste eeuw toe aan herbezinning, vond ook Tobback. Hij zette een nieuwe ideologische discussie binnen de partij op gang. Ondertussen was hij in 1995 ook burgemeester van Leuven geworden.

In april 1998 werd hij nog een opgeroepen om minister te worden, toen zijn voorganger, Johan Vande Lanotte, moest aftreden naar aanleiding van de ontsnapping uit de gevangenis van Marc Dutroux. In september van dat jaar moest Tobback op zijn beurt aftreden na een tragische gebeurtenis: een asielzoekster kwam bij haar gedwongen uitzetting om het leven. Tobback had die uitwijzing uitgevaardigd, nam zijn verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen en nam ontslag.

Sindsdien is Tobback burgervader van zijn geboortestad Leuven.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 5

vrijdag 20 december 1991, 16:47 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.
---------------------------------------------

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 3

vrijdag 20 december 1991, 16:43 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 4

vrijdag 20 december 1991, 16:43 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 2

vrijdag 20 december 1991, 16:38 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 1

vrijdag 20 december 1991, 16:35 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

Remco Campert deel 4

vrijdag 9 augustus 1991, 15:17 uur

Camperts productie was voor 1991 al indrukwekkend, hoewel hij in de jaren zeventig een tijd lang door een writer’s block geveld werd. In de zomer van 1991 was hij de gast van Jan Donkers. Daarna schreef hij enthousiast verder. De zeer geliefde column CaMu bij de Volkskrant, waarin Remco om de dag afwisselde met Jan Mulder, verscheen van 1996 tot 2006. Maar ook nu nog grijpen de lezers wekelijks het eerst naar zijn verhaal.
------------------------------------------

Biografie Remco Campert

Onvermoeibaar
Remco Campert wordt op 28 juli 1929 geboren in Den Haag. Zijn ouders zijn de dichter Jan Campert en de actrice Joeki Broedelet. Zij scheiden als Remco drie jaar oud is. Voor Campert begint dan een periode van heen en weer gereis tussen vader, moeder en grootouders. In de oorlog moet hij bij een pleeggezin wonen en in 1942 vertrekt hij naar Epe, omdat Den Haag te onveilig is geworden. Zijn vader sterft in het concentratiekamp Neuengamme. Daar kwam hij terecht toen hij een joodse man naar België had geprobeerd te smokkelen. Hij werd na de oorlog – en na zijn dood – bekend met de verzetsdicht De achttien dooden.

Als de oorlog afgelopen is, vertrekt hij met zijn moeder naar Amsterdam. Daar gaat hij naar het gymnasium, maar hij besluit zijn middelbare schoolopleiding niet af te maken, omdat hij schrijver wil worden. Een diploma is dus nergens voor nodig. De eerste jaren nadat hij van school af is, schrijft hij reclameteksten en vertalingen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Op twintig-jarige leeftijd trouwt hij met zijn eerste vrouw Freddie Rutgers en vertrekken ze naar Parijs.

Al gauw verzamelt zich een groep jonge gelijkgestemden om Campert, waaronder Simon Vinkenoog, Gerrit Kouwenaar, Rudy Kousbroek, Hugo Claus, Jan Elburg. Na het verschijnen van Vinkenoogs bloemlezing Atonaal in 1951 staan de jonge dichters bekend als de Vijftigers. Binnen het groepje experimentele dichters geldt Campert als de meest toegankelijke.

Bij terugkomst in Nederland halverwege de jaren vijftig gaan hij en Freddie uit elkaar. Hij hertrouwt al snel met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze gaan in Blaricum wonen en hun huis wordt een verzamelplek van dichters, schrijvers en kunstenaars. Het stel gaat in 1957 uit elkaar. In 1960 ontmoet Campert Lucia van de Berg, met wie hij twee dochters krijgt, Emanuela en Cleo. In 1964 vertrekt het gezin naar Antwerpen, maar twee jaar later keert Campert alleen terug. Hij leert Deborah Wolf kennen. De twee leven tot 1980 samen, gaan uit elkaar, maar trouwen in 1996 uiteindelijk toch met elkaar.

In 1976 krijgt Campert de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn poëtisch oeuvre, hoewel hij dan al een tijdje erg weinig heeft geschreven. Camperts werk is vrij autobiografisch, cynisch en ironisch. Ook zijn proza wordt vanaf die tijd erg populair bij een groot publiek. Enkele bekende titels zijn Het leven is verrukkulluk en de verhalenbundel Alle dagen feest. Zijn dichtbundels blijven gestaag verschijnen. De laatste jaren heeft hij nog praktisch elk jaar een bundel verhalen of gedichten gepubliceerd.

Van 1989 tot en met 1995 gaat Campert met Jan Mulder en Bart Chabot op tournee om uit eigen werk voor te lezen. Van 1996 tot 2006 staat er om de dag een column van hem op de voorpagina van de Volkskrant. Sindsdien legt hij zich toe op dichten en schrijven, zoals hij altijd gedaan heeft.

VPRO Marathoninterview - Remco Campert deel 3

vrijdag 9 augustus 1991, 15:15 uur

Camperts productie was voor 1991 al indrukwekkend, hoewel hij in de jaren zeventig een tijd lang door een writer’s block geveld werd. In de zomer van 1991 was hij de gast van Jan Donkers. Daarna schreef hij enthousiast verder. De zeer geliefde column CaMu bij de Volkskrant, waarin Remco om de dag afwisselde met Jan Mulder, verscheen van 1996 tot 2006. Maar ook nu nog grijpen de lezers wekelijks het eerst naar zijn verhaal.

Biografie Remco Campert

Onvermoeibaar
Remco Campert wordt op 28 juli 1929 geboren in Den Haag. Zijn ouders zijn de dichter Jan Campert en de actrice Joeki Broedelet. Zij scheiden als Remco drie jaar oud is. Voor Campert begint dan een periode van heen en weer gereis tussen vader, moeder en grootouders. In de oorlog moet hij bij een pleeggezin wonen en in 1942 vertrekt hij naar Epe, omdat Den Haag te onveilig is geworden. Zijn vader sterft in het concentratiekamp Neuengamme. Daar kwam hij terecht toen hij een joodse man naar België had geprobeerd te smokkelen. Hij werd na de oorlog – en na zijn dood – bekend met de verzetsdicht De achttien dooden.

Als de oorlog afgelopen is, vertrekt hij met zijn moeder naar Amsterdam. Daar gaat hij naar het gymnasium, maar hij besluit zijn middelbare schoolopleiding niet af te maken, omdat hij schrijver wil worden. Een diploma is dus nergens voor nodig. De eerste jaren nadat hij van school af is, schrijft hij reclameteksten en vertalingen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Op twintig-jarige leeftijd trouwt hij met zijn eerste vrouw Freddie Rutgers en vertrekken ze naar Parijs.

Al gauw verzamelt zich een groep jonge gelijkgestemden om Campert, waaronder Simon Vinkenoog, Gerrit Kouwenaar, Rudy Kousbroek, Hugo Claus, Jan Elburg. Na het verschijnen van Vinkenoogs bloemlezing Atonaal in 1951 staan de jonge dichters bekend als de Vijftigers. Binnen het groepje experimentele dichters geldt Campert als de meest toegankelijke.

Bij terugkomst in Nederland halverwege de jaren vijftig gaan hij en Freddie uit elkaar. Hij hertrouwt al snel met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze gaan in Blaricum wonen en hun huis wordt een verzamelplek van dichters, schrijvers en kunstenaars. Het stel gaat in 1957 uit elkaar. In 1960 ontmoet Campert Lucia van de Berg, met wie hij twee dochters krijgt, Emanuela en Cleo. In 1964 vertrekt het gezin naar Antwerpen, maar twee jaar later keert Campert alleen terug. Hij leert Deborah Wolf kennen. De twee leven tot 1980 samen, gaan uit elkaar, maar trouwen in 1996 uiteindelijk toch met elkaar.

In 1976 krijgt Campert de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn poëtisch oeuvre, hoewel hij dan al een tijdje erg weinig heeft geschreven. Camperts werk is vrij autobiografisch, cynisch en ironisch. Ook zijn proza wordt vanaf die tijd erg populair bij een groot publiek. Enkele bekende titels zijn Het leven is verrukkulluk en de verhalenbundel Alle dagen feest. Zijn dichtbundels blijven gestaag verschijnen. De laatste jaren heeft hij nog praktisch elk jaar een bundel verhalen of gedichten gepubliceerd.

Van 1989 tot en met 1995 gaat Campert met Jan Mulder en Bart Chabot op tournee om uit eigen werk voor te lezen. Van 1996 tot 2006 staat er om de dag een column van hem op de voorpagina van de Volkskrant. Sindsdien legt hij zich toe op dichten en schrijven, zoals hij altijd gedaan heeft.

Remco Campert deel 2

vrijdag 9 augustus 1991, 15:13 uur

Camperts productie was voor 1991 al indrukwekkend, hoewel hij in de jaren zeventig een tijd lang door een writer’s block geveld werd. In de zomer van 1991 was hij de gast van Jan Donkers. Daarna schreef hij enthousiast verder. De zeer geliefde column CaMu bij de Volkskrant, waarin Remco om de dag afwisselde met Jan Mulder, verscheen van 1996 tot 2006. Maar ook nu nog grijpen de lezers wekelijks het eerst naar zijn verhaal.

Biografie Remco Campert

Onvermoeibaar
Remco Campert wordt op 28 juli 1929 geboren in Den Haag. Zijn ouders zijn de dichter Jan Campert en de actrice Joeki Broedelet. Zij scheiden als Remco drie jaar oud is. Voor Campert begint dan een periode van heen en weer gereis tussen vader, moeder en grootouders. In de oorlog moet hij bij een pleeggezin wonen en in 1942 vertrekt hij naar Epe, omdat Den Haag te onveilig is geworden. Zijn vader sterft in het concentratiekamp Neuengamme. Daar kwam hij terecht toen hij een joodse man naar België had geprobeerd te smokkelen. Hij werd na de oorlog – en na zijn dood – bekend met de verzetsdicht De achttien dooden.

Als de oorlog afgelopen is, vertrekt hij met zijn moeder naar Amsterdam. Daar gaat hij naar het gymnasium, maar hij besluit zijn middelbare schoolopleiding niet af te maken, omdat hij schrijver wil worden. Een diploma is dus nergens voor nodig. De eerste jaren nadat hij van school af is, schrijft hij reclameteksten en vertalingen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Op twintig-jarige leeftijd trouwt hij met zijn eerste vrouw Freddie Rutgers en vertrekken ze naar Parijs.

Al gauw verzamelt zich een groep jonge gelijkgestemden om Campert, waaronder Simon Vinkenoog, Gerrit Kouwenaar, Rudy Kousbroek, Hugo Claus, Jan Elburg. Na het verschijnen van Vinkenoogs bloemlezing Atonaal in 1951 staan de jonge dichters bekend als de Vijftigers. Binnen het groepje experimentele dichters geldt Campert als de meest toegankelijke.

Bij terugkomst in Nederland halverwege de jaren vijftig gaan hij en Freddie uit elkaar. Hij hertrouwt al snel met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze gaan in Blaricum wonen en hun huis wordt een verzamelplek van dichters, schrijvers en kunstenaars. Het stel gaat in 1957 uit elkaar. In 1960 ontmoet Campert Lucia van de Berg, met wie hij twee dochters krijgt, Emanuela en Cleo. In 1964 vertrekt het gezin naar Antwerpen, maar twee jaar later keert Campert alleen terug. Hij leert Deborah Wolf kennen. De twee leven tot 1980 samen, gaan uit elkaar, maar trouwen in 1996 uiteindelijk toch met elkaar.

In 1976 krijgt Campert de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn poëtisch oeuvre, hoewel hij dan al een tijdje erg weinig heeft geschreven. Camperts werk is vrij autobiografisch, cynisch en ironisch. Ook zijn proza wordt vanaf die tijd erg populair bij een groot publiek. Enkele bekende titels zijn Het leven is verrukkulluk en de verhalenbundel Alle dagen feest. Zijn dichtbundels blijven gestaag verschijnen. De laatste jaren heeft hij nog praktisch elk jaar een bundel verhalen of gedichten gepubliceerd.

Van 1989 tot en met 1995 gaat Campert met Jan Mulder en Bart Chabot op tournee om uit eigen werk voor te lezen. Van 1996 tot 2006 staat er om de dag een column van hem op de voorpagina van de Volkskrant. Sindsdien legt hij zich toe op dichten en schrijven, zoals hij altijd gedaan heeft.

Remco Campert deel 1

vrijdag 9 augustus 1991, 15:07 uur

Campert's productie was voor 1991 al indrukwekkend, hoewel hij in de jaren zeventig een tijd lang door een writer’s block geveld werd. In de zomer van 1991 was hij de gast van Jan Donkers. Daarna schreef hij enthousiast verder. De zeer geliefde column CaMu bij de Volkskrant, waarin Remco om de dag afwisselde met Jan Mulder, verscheen van 1996 tot 2006. Maar ook nu nog grijpen de lezers wekelijks het eerst naar zijn verhaal.

Biografie Remco Campert

Onvermoeibaar
Remco Campert wordt op 28 juli 1929 geboren in Den Haag. Zijn ouders zijn de dichter Jan Campert en de actrice Joeki Broedelet. Zij scheiden als Remco drie jaar oud is. Voor Campert begint dan een periode van heen en weer gereis tussen vader, moeder en grootouders. In de oorlog moet hij bij een pleeggezin wonen en in 1942 vertrekt hij naar Epe, omdat Den Haag te onveilig is geworden. Zijn vader sterft in het concentratiekamp Neuengamme. Daar kwam hij terecht toen hij een joodse man naar België had geprobeerd te smokkelen. Hij werd na de oorlog – en na zijn dood – bekend met de verzetsdicht De achttien dooden.

Als de oorlog afgelopen is, vertrekt hij met zijn moeder naar Amsterdam. Daar gaat hij naar het gymnasium, maar hij besluit zijn middelbare schoolopleiding niet af te maken, omdat hij schrijver wil worden. Een diploma is dus nergens voor nodig. De eerste jaren nadat hij van school af is, schrijft hij reclameteksten en vertalingen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Op twintigjarige leeftijd trouwt hij met zijn eerste vrouw Freddie Rutgers en vertrekken ze naar Parijs.

Al gauw verzamelt zich een groep jonge gelijkgestemden om Campert, waaronder Simon Vinkenoog, Gerrit Kouwenaar, Rudy Kousbroek, Hugo Claus, Jan Elburg. Na het verschijnen van Vinkenoogs bloemlezing Atonaal in 1951 staan de jonge dichters bekend als de Vijftigers. Binnen het groepje experimentele dichters geldt Campert als de meest toegankelijke.

Bij terugkomst in Nederland halverwege de jaren vijftig gaan hij en Freddie uit elkaar. Hij hertrouwt al snel met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze gaan in Blaricum wonen en hun huis wordt een verzamelplek van dichters, schrijvers en kunstenaars. Het stel gaat in 1957 uit elkaar. In 1960 ontmoet Campert Lucia van de Berg, met wie hij twee dochters krijgt, Emanuela en Cleo. In 1964 vertrekt het gezin naar Antwerpen, maar twee jaar later keert Campert alleen terug. Hij leert Deborah Wolf kennen. De twee leven tot 1980 samen, gaan uit elkaar, maar trouwen in 1996 uiteindelijk toch met elkaar.

In 1976 krijgt Campert de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn poëtisch oeuvre, hoewel hij dan al een tijdje erg weinig heeft geschreven. Camperts werk is vrij autobiografisch, cynisch en ironisch. Ook zijn proza wordt vanaf die tijd erg populair bij een groot publiek. Enkele bekende titels zijn Het leven is verrukkulluk en de verhalenbundel Alle dagen feest. Zijn dichtbundels blijven gestaag verschijnen. De laatste jaren heeft hij nog praktisch elk jaar een bundel verhalen of gedichten gepubliceerd.

Van 1989 tot en met 1995 gaat Campert met Jan Mulder en Bart Chabot op tournee om uit eigen werk voor te lezen. Van 1996 tot 2006 staat er om de dag een column van hem op de voorpagina van de Volkskrant. Sindsdien legt hij zich toe op dichten en schrijven, zoals hij altijd gedaan heeft.

VPRO Marathoninterview - Wijnie Jabaaij deel 4

vrijdag 2 augustus 1991, 15:13 uur

Dordse Wijnie was de eerste die ooit hardop “kut” in het parlement zei. En niet om te schelden maar omdat een aantal Tweede Kamerheren een debat voerden over de toestemming voor vaginale visitatie van rijksgenoten uit de West. Omdat deze dames misschien heur paspoorten in heur dozen verstopten… Lida Iburg was goed ingevoerd in de Partij van de Arbeid en wist dat er nog meer pittige damesverhalen over de politiek waren te bespreken. Meer dan in vier uur paste!

Biografie Wijnie Jabaaij

Helper in nood

Wijnie Jabaaij werd op 13 april 1939 in Dordrecht geboren. Toen ze in 1991 te gast was bij de VPRO was ze net twee jaar gestopt als Kamerlid van de PvdA. Ze was van 1979 tot 1989 lid van de Kamer. In het jaar voordat ze stopte, begon ze met een stok te lopen. Ze dacht toen nog dat ze door een virus was geïnfecteerd. Een jaar later bleek het multiple sclerose te zijn en hield ze noodgedwongen op met haar werk als parlementariër. Ze wilde haar collega-kamerleden niet langer tot last zijn met het werk dat ze van haar moesten overnemen.

Voor haar kamerlidmaatschap was Jabaaij onderwijzeres en assistente van een kinderarts. In Dordrecht was ze van 1970 tot 1978 lid van de gemeenteraad. Ze was zeventien jaar getrouwd met Rob Giphart en kreeg met hem twee kinderen: zoon Ronald, de schrijver en dochter Karin, de schrijfster. Eenmaal in de Kamer maakte zich met name sterk voor vrouwen en minderheden. Binnen de minderheden ging haar hart uit naar de Antillianen. Een Antilliaans vriendje uit haar schooltijd had de liefde voor het eiland en haar bewoners opgewekt.

Jabaaijs stijl was ongekunsteld. Dat kwam vooral goed naar voren in het kamerdebat over de uitzetting van zigeunerinnen. Het gerucht deed de ronde dat zij hun paspoort in hun vagina’s verstopten, waarop de voornamelijk mannelijke kamerleden doorfantaseerden over het onderwerp. Mochten de dames op Schiphol op paspoorten in hun vagina’s gecontroleerd worden? Jabaaij stapte naar de interruptiemicrofoon en sprak de legendarische zin: “Jongens, jongens, denken jullie nou werkelijk dat het mogelijk is een paspoort in je kut te steken?” Een politiek novum – plus een rel – was geboren.

Na haar afscheid van de kamer bleef Jabaaij zich maatschappelijk inzetten. Ze vond dat er een MS-onderzoekscentrum moest komen. Een jaar na haar dood, in 1995, was het centrum in Nijmegen er. De laatste jaren van haar leven werd ze verzorgd door vrienden en familie. Een hersenbloeding verslechterde haar toestand nog meer. Op 7 juni 1995 overleed ze in haar geboortestad.

VPRO Marathoninterview - Wijnie Jabaaij deel 3

vrijdag 2 augustus 1991, 15:10 uur

Dordse Wijnie was de eerste die ooit hardop “kut” in het parlement zei. En niet om te schelden maar omdat een aantal Tweede Kamerheren een debat voerden over de toestemming voor vaginale visitatie van rijksgenoten uit de West. Omdat deze dames misschien heur paspoorten in heur dozen verstopten… Lida Iburg was goed ingevoerd in de Partij van de Arbeid en wist dat er nog meer pittige damesverhalen over de politiek waren te bespreken. Meer dan in vier uur paste!

Biografie Wijnie Jabaaij

Helper in nood

Wijnie Jabaaij werd op 13 april 1939 in Dordrecht geboren. Toen ze in 1991 te gast was bij de VPRO was ze net twee jaar gestopt als Kamerlid van de PvdA. Ze was van 1979 tot 1989 lid van de Kamer. In het jaar voordat ze stopte, begon ze met een stok te lopen. Ze dacht toen nog dat ze door een virus was geïnfecteerd. Een jaar later bleek het multiple sclerose te zijn en hield ze noodgedwongen op met haar werk als parlementariër. Ze wilde haar collega-kamerleden niet langer tot last zijn met het werk dat ze van haar moesten overnemen.

Voor haar kamerlidmaatschap was Jabaaij onderwijzeres en assistente van een kinderarts. In Dordrecht was ze van 1970 tot 1978 lid van de gemeenteraad. Ze was zeventien jaar getrouwd met Rob Giphart en kreeg met hem twee kinderen: zoon Ronald, de schrijver en dochter Karin, de schrijfster. Eenmaal in de Kamer maakte zich met name sterk voor vrouwen en minderheden. Binnen de minderheden ging haar hart uit naar de Antillianen. Een Antilliaans vriendje uit haar schooltijd had de liefde voor het eiland en haar bewoners opgewekt.

Jabaaijs stijl was ongekunsteld. Dat kwam vooral goed naar voren in het kamerdebat over de uitzetting van zigeunerinnen. Het gerucht deed de ronde dat zij hun paspoort in hun vagina’s verstopten, waarop de voornamelijk mannelijke kamerleden doorfantaseerden over het onderwerp. Mochten de dames op Schiphol op paspoorten in hun vagina’s gecontroleerd worden? Jabaaij stapte naar de interruptiemicrofoon en sprak de legendarische zin: “Jongens, jongens, denken jullie nou werkelijk dat het mogelijk is een paspoort in je kut te steken?” Een politiek novum – plus een rel – was geboren.

Na haar afscheid van de kamer bleef Jabaaij zich maatschappelijk inzetten. Ze vond dat er een MS-onderzoekscentrum moest komen. Een jaar na haar dood, in 1995, was het centrum in Nijmegen er. De laatste jaren van haar leven werd ze verzorgd door vrienden en familie. Een hersenbloeding verslechterde haar toestand nog meer. Op 7 juni 1995 overleed ze in haar geboortestad.

VPRO Marathoninterview - Wijnie Jabaaij deel 2

vrijdag 2 augustus 1991, 15:07 uur

Dordse Wijnie was de eerste die ooit hardop “kut” in het parlement zei. En niet om te schelden maar omdat een aantal Tweede Kamerheren een debat voerden over de toestemming voor vaginale visitatie van rijksgenoten uit de West. Omdat deze dames misschien heur paspoorten in heur dozen verstopten… Lida Iburg was goed ingevoerd in de Partij van de Arbeid en wist dat er nog meer pittige damesverhalen over de politiek waren te bespreken. Meer dan in vier uur paste!

Biografie Wijnie Jabaaij

Helper in nood

Wijnie Jabaaij werd op 13 april 1939 in Dordrecht geboren. Toen ze in 1991 te gast was bij de VPRO was ze net twee jaar gestopt als Kamerlid van de PvdA. Ze was van 1979 tot 1989 lid van de Kamer. In het jaar voordat ze stopte, begon ze met een stok te lopen. Ze dacht toen nog dat ze door een virus was geïnfecteerd. Een jaar later bleek het multiple sclerose te zijn en hield ze noodgedwongen op met haar werk als parlementariër. Ze wilde haar collega-kamerleden niet langer tot last zijn met het werk dat ze van haar moesten overnemen.

Voor haar kamerlidmaatschap was Jabaaij onderwijzeres en assistente van een kinderarts. In Dordrecht was ze van 1970 tot 1978 lid van de gemeenteraad. Ze was zeventien jaar getrouwd met Rob Giphart en kreeg met hem twee kinderen: zoon Ronald, de schrijver en dochter Karin, de schrijfster. Eenmaal in de Kamer maakte zich met name sterk voor vrouwen en minderheden. Binnen de minderheden ging haar hart uit naar de Antillianen. Een Antilliaans vriendje uit haar schooltijd had de liefde voor het eiland en haar bewoners opgewekt.

Jabaaijs stijl was ongekunsteld. Dat kwam vooral goed naar voren in het kamerdebat over de uitzetting van zigeunerinnen. Het gerucht deed de ronde dat zij hun paspoort in hun vagina’s verstopten, waarop de voornamelijk mannelijke kamerleden doorfantaseerden over het onderwerp. Mochten de dames op Schiphol op paspoorten in hun vagina’s gecontroleerd worden? Jabaaij stapte naar de interruptiemicrofoon en sprak de legendarische zin: “Jongens, jongens, denken jullie nou werkelijk dat het mogelijk is een paspoort in je kut te steken?” Een politiek novum – plus een rel – was geboren.

Na haar afscheid van de kamer bleef Jabaaij zich maatschappelijk inzetten. Ze vond dat er een MS-onderzoekscentrum moest komen. Een jaar na haar dood, in 1995, was het centrum in Nijmegen er. De laatste jaren van haar leven werd ze verzorgd door vrienden en familie. Een hersenbloeding verslechterde haar toestand nog meer. Op 7 juni 1995 overleed ze in haar geboortestad.

Wijnie Jabaaij deel 1

vrijdag 2 augustus 1991, 15:00 uur

Dordtse Wijnie was de eerste die ooit hardop “kut” in het parlement zei. En niet om te schelden maar omdat een aantal Tweede Kamerheren een debat voerden over de toestemming voor vaginale visitatie van rijksgenoten uit de West. Omdat deze dames misschien heur paspoorten in heur dozen verstopten… Lida Iburg was goed ingevoerd in de Partij van de Arbeid en wist dat er nog meer pittige damesverhalen over de politiek waren te bespreken. Meer dan in vier uur paste!

Biografie Wijnie Jabaaij

Helper in nood

Wijnie Jabaaij werd op 13 april 1939 in Dordrecht geboren. Toen ze in 1991 te gast was bij de VPRO was ze net twee jaar gestopt als Kamerlid van de PvdA. Ze was van 1979 tot 1989 lid van de Kamer. In het jaar voordat ze stopte, begon ze met een stok te lopen. Ze dacht toen nog dat ze door een virus was geïnfecteerd. Een jaar later bleek het multiple sclerose te zijn en hield ze noodgedwongen op met haar werk als parlementariër. Ze wilde haar collega-kamerleden niet langer tot last zijn met het werk dat ze van haar moesten overnemen.

Voor haar kamerlidmaatschap was Jabaaij onderwijzeres en assistente van een kinderarts. In Dordrecht was ze van 1970 tot 1978 lid van de gemeenteraad. Ze was zeventien jaar getrouwd met Rob Giphart en kreeg met hem twee kinderen: zoon Ronald, de schrijver en dochter Karin, de schrijfster. Eenmaal in de Kamer maakte zich met name sterk voor vrouwen en minderheden. Binnen de minderheden ging haar hart uit naar de Antillianen. Een Antilliaans vriendje uit haar schooltijd had de liefde voor het eiland en haar bewoners opgewekt.

Jabaaijs stijl was ongekunsteld. Dat kwam vooral goed naar voren in het kamerdebat over de uitzetting van zigeunerinnen. Het gerucht deed de ronde dat zij hun paspoort in hun vagina’s verstopten, waarop de voornamelijk mannelijke kamerleden doorfantaseerden over het onderwerp. Mochten de dames op Schiphol op paspoorten in hun vagina’s gecontroleerd worden? Jabaaij stapte naar de interruptiemicrofoon en sprak de legendarische zin: “Jongens, jongens, denken jullie nou werkelijk dat het mogelijk is een paspoort in je kut te steken?” Een politiek novum – plus een rel – was geboren.

Na haar afscheid van de kamer bleef Jabaaij zich maatschappelijk inzetten. Ze vond dat er een MS-onderzoekscentrum moest komen. Een jaar na haar dood, in 1995, was het centrum in Nijmegen er. De laatste jaren van haar leven werd ze verzorgd door vrienden en familie. Een hersenbloeding verslechterde haar toestand nog meer. Op 7 juni 1995 overleed ze in haar geboortestad.

VPRO Marathoninterview - Andre Spoor deel 4

vrijdag 19 juli 1991, 14:38 uur

Toen NRC en Handelsblad fuseerden eind jaren ‘60, werd Andre Spoor de eerste nieuwe hoofdredacteur. Na dertien jaar vertrok hij naar New York, liet zich terugpaaien naar ons land door Elsevier, vertrok daar met gezondheidsklachten en eindigde na nieuwe omzwervingen op een landgoed in Ommen. De verhalen van zijn avonturen zouden dagen in beslag nemen. Michal Citroen kreeg vier uur om aan zijn lippen te hangen.

Biografie André Spoor

André Spoor werd op 22 juni 1031 in Den Haag geboren. Zijn grootvader, ook André Spoor geheten was concertmeester bij het Concertgebouworkest, tot een conflict met dirigent Mengelberg daar een einde aan maakte. Zijn vader, ook geen onbekende, was generaal Simon Hendrik Spoor, legercommandant tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië en bij vlagen nog steeds onderwerp van fel debat.

Spoor studeerde Theologie en begon als journalist bij het Nieuw Utrechts Dagblad. Van 1958 tot 1961 werkte hij op buitenlandredactie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Daarna stapte hij over naar de Geassocieerde Pers Diensten waar hem een correspondentschap in Bonn was aangeboden. Begin 1964 volgde een post in Washington. “In die tijd zaten daar ook reisjes naar Vietnam aan vast.” Vietnam bezocht hij in 1967. Op de terugweg, waarin hij Nederland aan deed, werd hij gevraagd de hoofdredactie van de van het Algemeen Handelsblad te versterken, naast Henk Hofland. Na de fusie tussen het NRC en het Algemeen Handelsblad – die ondanks het feit dat de kranten onderdeel waren van dezelfde onderneming toch als een verrassing kwam – werd hij de eerste hoofdredacteur van de gefuseerde krant, het NRC Handelsblad. Die functie bekleedde hij dertien jaar.

In 1984 vertrok Spoor naar New York om politieke columns en verhalen over kunst en cultuur te schrijven voor NRC Handelsblad. Elsevier begon aan hem te trekken en hij werd vanaf 1 januari 1986 hoofdredacteur van een destijds ‘ziek bedrijf’. De situatie bij het blad bleken niet bevorderlijk voor Spoors gezondheid. Na een bypass-operatie in oktober 1987, een klein hartinfarct en een ritmestoornis werd hem door zijn arts aangeraden zich van de stresssituatie bij Elsevier te verwijderen.

Hij werd deels afgekeurd, maar in 1990 stelde Ben Knapen hem voor parttime-correspondent in Wenen te worden. Na zijn terugkeer in 1996 ging hij op een landgoed in Ommen wonen. Halverwege de jaren negentig begon hij aan een biografie over zijn vader, de legercommandant. André Spoor is vader van vijf kinderen, uit vier relaties. Zijn oudste en jongste kind schelen ongeveer 34 jaar.
Hij stierf op 11 september 2012.

VPRO Marathoninterview - Andre Spoor deel 3

vrijdag 19 juli 1991, 14:35 uur

Toen NRC en Handelsblad fuseerden eind jaren ‘60, werd Andre Spoor de eerste nieuwe hoofdredacteur. Na dertien jaar vertrok hij naar New York, liet zich terugpaaien naar ons land door Elsevier, vertrok daar met gezondheidsklachten en eindigde na nieuwe omzwervingen op een landgoed in Ommen. De verhalen van zijn avonturen zouden dagen in beslag nemen. Michal Citroen kreeg vier uur om aan zijn lippen te hangen.

Biografie André Spoor

André Spoor werd op 22 juni 1031 in Den Haag geboren. Zijn grootvader, ook André Spoor geheten was concertmeester bij het Concertgebouworkest, tot een conflict met dirigent Mengelberg daar een einde aan maakte. Zijn vader, ook geen onbekende, was generaal Simon Hendrik Spoor, legercommandant tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië en bij vlagen nog steeds onderwerp van fel debat.

Spoor studeerde Theologie en begon als journalist bij het Nieuw Utrechts Dagblad. Van 1958 tot 1961 werkte hij op buitenlandredactie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Daarna stapte hij over naar de Geassocieerde Pers Diensten waar hem een correspondentschap in Bonn was aangeboden. Begin 1964 volgde een post in Washington. “In die tijd zaten daar ook reisjes naar Vietnam aan vast.” Vietnam bezocht hij in 1967. Op de terugweg, waarin hij Nederland aan deed, werd hij gevraagd de hoofdredactie van de van het Algemeen Handelsblad te versterken, naast Henk Hofland. Na de fusie tussen het NRC en het Algemeen Handelsblad – die ondanks het feit dat de kranten onderdeel waren van dezelfde onderneming toch als een verrassing kwam – werd hij de eerste hoofdredacteur van de gefuseerde krant, het NRC Handelsblad. Die functie bekleedde hij dertien jaar.

In 1984 vertrok Spoor naar New York om politieke columns en verhalen over kunst en cultuur te schrijven voor NRC Handelsblad. Elsevier begon aan hem te trekken en hij werd vanaf 1 januari 1986 hoofdredacteur van een destijds ‘ziek bedrijf’. De situatie bij het blad bleken niet bevorderlijk voor Spoors gezondheid. Na een bypass-operatie in oktober 1987, een klein hartinfarct en een ritmestoornis werd hem door zijn arts aangeraden zich van de stresssituatie bij Elsevier te verwijderen.

Hij werd deels afgekeurd, maar in 1990 stelde Ben Knapen hem voor parttime-correspondent in Wenen te worden. Na zijn terugkeer in 1996 ging hij op een landgoed in Ommen wonen. Halverwege de jaren negentig begon hij aan een biografie over zijn vader, de legercommandant. André Spoor is vader van vijf kinderen, uit vier relaties. Zijn oudste en jongste kind schelen ongeveer 34 jaar.
Hij stierf op 11 september 2012.

VPRO Marathoninterview - Andre Spoor deel 2

vrijdag 19 juli 1991, 14:29 uur

Toen NRC en Handelsblad fuseerden eind jaren ‘60, werd Andre Spoor de eerste nieuwe hoofdredacteur. Na dertien jaar vertrok hij naar New York, liet zich terugpaaien naar ons land door Elsevier, vertrok daar met gezondheidsklachten en eindigde na nieuwe omzwervingen op een landgoed in Ommen. De verhalen van zijn avonturen zouden dagen in beslag nemen. Michal Citroen kreeg vier uur om aan zijn lippen te hangen.

Biografie André Spoor

André Spoor werd op 22 juni 1031 in Den Haag geboren. Zijn grootvader, ook André Spoor geheten was concertmeester bij het Concertgebouworkest, tot een conflict met dirigent Mengelberg daar een einde aan maakte. Zijn vader, ook geen onbekende, was generaal Simon Hendrik Spoor, legercommandant tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië en bij vlagen nog steeds onderwerp van fel debat.

Spoor studeerde Theologie en begon als journalist bij het Nieuw Utrechts Dagblad. Van 1958 tot 1961 werkte hij op buitenlandredactie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Daarna stapte hij over naar de Geassocieerde Pers Diensten waar hem een correspondentschap in Bonn was aangeboden. Begin 1964 volgde een post in Washington. “In die tijd zaten daar ook reisjes naar Vietnam aan vast.” Vietnam bezocht hij in 1967. Op de terugweg, waarin hij Nederland aan deed, werd hij gevraagd de hoofdredactie van de van het Algemeen Handelsblad te versterken, naast Henk Hofland. Na de fusie tussen het NRC en het Algemeen Handelsblad – die ondanks het feit dat de kranten onderdeel waren van dezelfde onderneming toch als een verrassing kwam – werd hij de eerste hoofdredacteur van de gefuseerde krant, het NRC Handelsblad. Die functie bekleedde hij dertien jaar.

In 1984 vertrok Spoor naar New York om politieke columns en verhalen over kunst en cultuur te schrijven voor NRC Handelsblad. Elsevier begon aan hem te trekken en hij werd vanaf 1 januari 1986 hoofdredacteur van een destijds ‘ziek bedrijf’. De situatie bij het blad bleken niet bevorderlijk voor Spoors gezondheid. Na een bypass-operatie in oktober 1987, een klein hartinfarct en een ritmestoornis werd hem door zijn arts aangeraden zich van de stresssituatie bij Elsevier te verwijderen.

Hij werd deels afgekeurd, maar in 1990 stelde Ben Knapen hem voor parttime-correspondent in Wenen te worden. Na zijn terugkeer in 1996 ging hij op een landgoed in Ommen wonen. Halverwege de jaren negentig begon hij aan een biografie over zijn vader, de legercommandant. André Spoor is vader van vijf kinderen, uit vier relaties. Zijn oudste en jongste kind schelen ongeveer 34 jaar.
Hij stierf op 11 september 2012.

VPRO Marathoninterview - Andre Spoor deel 1

vrijdag 19 juli 1991, 14:24 uur

Toen NRC en Handelsblad fuseerden eind jaren ‘60, werd Andre Spoor de eerste nieuwe hoofdredacteur. Na dertien jaar vertrok hij naar New York, liet zich terugpaaien naar ons land door Elsevier, vertrok daar met gezondheidsklachten en eindigde na nieuwe omzwervingen op een landgoed in Ommen. De verhalen van zijn avonturen zouden dagen in beslag nemen. Michal Citroen kreeg vier uur om aan zijn lippen te hangen.

Biografie André Spoor

André Spoor werd op 22 juni 1031 in Den Haag geboren. Zijn grootvader, ook André Spoor geheten was concertmeester bij het Concertgebouworkest, tot een conflict met dirigent Mengelberg daar een einde aan maakte. Zijn vader, ook geen onbekende, was generaal Simon Hendrik Spoor, legercommandant tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië en bij vlagen nog steeds onderwerp van fel debat.

Spoor studeerde Theologie en begon als journalist bij het Nieuw Utrechts Dagblad. Van 1958 tot 1961 werkte hij op buitenlandredactie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Daarna stapte hij over naar de Geassocieerde Pers Diensten waar hem een correspondentschap in Bonn was aangeboden. Begin 1964 volgde een post in Washington. “In die tijd zaten daar ook reisjes naar Vietnam aan vast.” Vietnam bezocht hij in 1967. Op de terugweg, waarin hij Nederland aan deed, werd hij gevraagd de hoofdredactie van de van het Algemeen Handelsblad te versterken, naast Henk Hofland. Na de fusie tussen het NRC en het Algemeen Handelsblad – die ondanks het feit dat de kranten onderdeel waren van dezelfde onderneming toch als een verrassing kwam – werd hij de eerste hoofdredacteur van de gefuseerde krant, het NRC Handelsblad. Die functie bekleedde hij dertien jaar.

In 1984 vertrok Spoor naar New York om politieke columns en verhalen over kunst en cultuur te schrijven voor NRC Handelsblad. Elsevier begon aan hem te trekken en hij werd vanaf 1 januari 1986 hoofdredacteur van een destijds ‘ziek bedrijf’. De situatie bij het blad bleken niet bevorderlijk voor Spoors gezondheid. Na een bypass-operatie in oktober 1987, een klein hartinfarct en een ritmestoornis werd hem door zijn arts aangeraden zich van de stresssituatie bij Elsevier te verwijderen.

Hij werd deels afgekeurd, maar in 1990 stelde Ben Knapen hem voor parttime-correspondent in Wenen te worden. Na zijn terugkeer in 1996 ging hij op een landgoed in Ommen wonen. Halverwege de jaren negentig begon hij aan een biografie over zijn vader, de legercommandant. André Spoor is vader van vijf kinderen, uit vier relaties. Zijn oudste en jongste kind schelen ongeveer 34 jaar.
Hij stierf op 11 september 2012.

VPRO Marathoninterview - Bessel Kok deel 4

vrijdag 5 juli 1991, 13:56 uur

Niet alleen maar geldschieter
Als je één keer een goed idee hebt kun je je soms de rest van je leven met schaken en kunst bezighouden. Bessel Kok is één van Nederlands meest succesvolle ondernemers, ook al is hij genationaliseerd tot Belg. Ten tijde van het marathoninterview met Ton van der Graaf bestuurde Kok het Belgische bedrijf Belgacom en had enkele jaren daarvoor de Grand Masters Association, de vakbond voor schaakgrootmeesters opgericht. Groot fan van de sport, hoewel hij zelf niet veel talent schijnt te bezitten. Luistert u naar het gesprek tussen Van der Graaf en Kok dat zij in de zomer van 1991 voerden.
-----------------------------------

Biografie Bessel Kok
geb. 13 december 1941 te Hilversum
Een meedenker
Bessel Kok werd op 13 december 1941 te Hilversum geboren. Na de oorlog verhuisde het gezin naar Amsterdam waar zijn vader BK LPG oprichtte, een autogasbedrijf. Kok studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam in de jaren zestig en ging dan ook helemaal op in de tijdsgeest: “Ik was een kind van de jaren zestig, linksig, lang haar en altijd op vakantie in het fijne Oost-Europa. Ik dreigde eeuwige student te worden en hield het na mijn kandidaats voor gezien.”

Het briljante idee kwam in hem gevaren in 1971. Hij richtte in België Swift op (Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunication) op: Swift regelde (en regelt) de automatisering van het internationale betalingsverkeer. Wanneer iemand geld naar het buitenland wil overmaken, moet de Swift-code gebruikt worden om banken en financiële instellingen te kunnen identificeren. Achttien jaar later, in 1989, leek het Kok mooi geweest. Hij wilde reizen. Enkele jaren later werd hij door de Belgen gevraagd om directeur van Belgacom te worden, de PTT van de zuiderburen. Voorwaarde voor de baan was wel het aannemen van de Belgische nationaliteit. Als Belgacom-directeur sponsorde hij de Brusselse voetbalclub Anderlecht en de Swift-schaaktoernooien.

Daarna bleek dat iedereen met een goed idee, maar weinig geld bij Kok aan kon kloppen. Samen met Jan Mulder gaf hij de tafeltenniscarriere van Bettine Vriesekoop een doorstart. Vriesekoop: “ Vooral Bessels morele steun was belangrijk. Eindelijk had ik iemand gevonden die me hielp in plaats van tegenwerkte. Dat jaar heb ik mijn beste prestatie neergezet.” Het International Film Festival Rotterdam kon ook op financiële steun rekenen. Recent heeft hij Silvia Kristel nog geholpen met de uitgave van haar autobiografie. Kristel: “Hij helpt mensen op momenten dat ze het nodig hebben. Maar nooit zomaar met geld. Hij steunt je als je iets wilt doen.” Bovendien produceert hij ook documentaires. Eén daarvan, The Power of Good over de Britse zakenman Nicholas Winton, die in de Tweede Wereldoorlog 669 joodse kinderen uit handen van de nazi’s wist te houden, kreeg in 2002 een Emmy-award. Afgezien van zijn mecenaten staat Kok bekend om de Bourgondische feestdiners die hij veelvuldig organiseert. Willem Frederik Hermans heeft vlak voor zijn overlijden nog zo’n bacchanaal bijgewoond.

Koks grote passie is het edele schaakspel. Hij richtte in 1987 tot groot afgrijzen van de wereldschaakfederatie Fide de GMA, de Grand Masters Association, op; een professionele vakbond die de rechten van topschakers behartigd. Hij werd de eerste voorzitter, Gary Kasparov werd president, Anatoli Karpov en Jan Tinman werden vice-presidenten. Van de 300 grootmeesters sloten zich 200 bij de GMA aan. De GMA organiseerde de World Cup Chess Tournaments, wat een directe provocatie aan het adres van Fide was, die het alleenrecht op de wereldtitel had. Na een akkoord tussen de GMA en de Fide stapte Kasparov uit woede op en keerde ook Kok de schaakwereld een tijd de rug toe.

Jan Tinman: “Bessel vindt de schaakwereld interessant en dat is belangrijk. We hebben veel te weinig mensen die de sport verder helpen door hun organisatorisch en zakelijk talent in te zetten. Hij is zeer doortastend, maar ook een heel beminnelijk persoon.” Kan Kok zelf goed schaken? “ Hij is niet goed in het pionnenspel. Ik zeg altijd dat hij beter op de kleintjes moet letten, ook in het echte leven. Vijftien jaar geleden negeerde hij de voorzitter van de Portugese schaakbond. Zo’n man vergeet dat niet en we hebben zijn stem straks hard nodig. Maar Bessel is geen politicus. Zoals als ik hem ken, heb ik hem nog nooit op een leugen betrapt?

In 1995 naar Praag vertrokken om het Tsjechische staatsbedrijf Cesky Telecom te privatiseren. Kok woont nog steeds in Praag en is enkele jaren geleden voor de derde keer getrouwd, dit keer met een Tsjechische.

Bessel Kok deel 3

vrijdag 5 juli 1991, 13:54 uur

Niet alleen maar geldschieter
Als je één keer een goed idee hebt kun je je soms de rest van je leven met schaken en kunst bezighouden. Bessel Kok is één van Nederlands meest succesvolle ondernemers, ook al is hij genationaliseerd tot Belg. Ten tijde van het marathoninterview met Ton van der Graaf bestuurde Kok het Belgische bedrijf Belgacom en had enkele jaren daarvoor de Grand Masters Association, de vakbond voor schaakgrootmeesters opgericht. Groot fan van de sport, hoewel hij zelf niet veel talent schijnt te bezitten. Luistert u naar het gesprek tussen Van der Graaf en Kok dat zij in de zomer van 1991 voerden.

Biografie Bessel Kok
geb. 13 december 1941 te Hilversum
Een meedenker
Bessel Kok werd op 13 december 1941 te Hilversum geboren. Na de oorlog verhuisde het gezin naar Amsterdam waar zijn vader BK LPG oprichtte, een autogasbedrijf. Kok studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam in de jaren zestig en ging dan ook helemaal op in de tijdsgeest: “Ik was een kind van de jaren zestig, linksig, lang haar en altijd op vakantie in het fijne Oost-Europa. Ik dreigde eeuwige student te worden en hield het na mijn kandidaats voor gezien.”

Het briljante idee kwam in hem gevaren in 1971. Hij richtte in België Swift op (Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunication) op: Swift regelde (en regelt) de automatisering van het internationale betalingsverkeer. Wanneer iemand geld naar het buitenland wil overmaken, moet de Swift-code gebruikt worden om banken en financiële instellingen te kunnen identificeren. Achttien jaar later, in 1989, leek het Kok mooi geweest. Hij wilde reizen. Enkele jaren later werd hij door de Belgen gevraagd om directeur van Belgacom te worden, de PTT van de zuiderburen. Voorwaarde voor de baan was wel het aannemen van de Belgische nationaliteit. Als Belgacom-directeur sponsorde hij de Brusselse voetbalclub Anderlecht en de Swift-schaaktoernooien.

Daarna bleek dat iedereen met een goed idee, maar weinig geld bij Kok aan kon kloppen. Samen met Jan Mulder gaf hij de tafeltenniscarriere van Bettine Vriesekoop een doorstart. Vriesekoop: “ Vooral Bessels morele steun was belangrijk. Eindelijk had ik iemand gevonden die me hielp in plaats van tegenwerkte. Dat jaar heb ik mijn beste prestatie neergezet.” Het International Film Festival Rotterdam kon ook op financiële steun rekenen. Recent heeft hij Silvia Kristel nog geholpen met de uitgave van haar autobiografie. Kristel: “Hij helpt mensen op momenten dat ze het nodig hebben. Maar nooit zomaar met geld. Hij steunt je als je iets wilt doen.” Bovendien produceert hij ook documentaires. Eén daarvan, The Power of Good over de Britse zakenman Nicholas Winton, die in de Tweede Wereldoorlog 669 joodse kinderen uit handen van de nazi’s wist te houden, kreeg in 2002 een Emmy-award. Afgezien van zijn mecenaten staat Kok bekend om de Bourgondische feestdiners die hij veelvuldig organiseert. Willem Frederik Hermans heeft vlak voor zijn overlijden nog zo’n bacchanaal bijgewoond.

Koks grote passie is het edele schaakspel. Hij richtte in 1987 tot groot afgrijzen van de wereldschaakfederatie Fide de GMA, de Grand Masters Association, op; een professionele vakbond die de rechten van topschakers behartigd. Hij werd de eerste voorzitter, Gary Kasparov werd president, Anatoli Karpov en Jan Tinman werden vice-presidenten. Van de 300 grootmeesters sloten zich 200 bij de GMA aan. De GMA organiseerde de World Cup Chess Tournaments, wat een directe provocatie aan het adres van Fide was, die het alleenrecht op de wereldtitel had. Na een akkoord tussen de GMA en de Fide stapte Kasparov uit woede op en keerde ook Kok de schaakwereld een tijd de rug toe.

Jan Tinman: “Bessel vindt de schaakwereld interessant en dat is belangrijk. We hebben veel te weinig mensen die de sport verder helpen door hun organisatorisch en zakelijk talent in te zetten. Hij is zeer doortastend, maar ook een heel beminnelijk persoon.” Kan Kok zelf goed schaken? “ Hij is niet goed in het pionnenspel. Ik zeg altijd dat hij beter op de kleintjes moet letten, ook in het echte leven. Vijftien jaar geleden negeerde hij de voorzitter van de Portugese schaakbond. Zo’n man vergeet dat niet en we hebben zijn stem straks hard nodig. Maar Bessel is geen politicus. Zoals als ik hem ken, heb ik hem nog nooit op een leugen betrapt?

In 1995 naar Praag vertrokken om het Tsjechische staatsbedrijf Cesky Telecom te privatiseren. Kok woont nog steeds in Praag en is enkele jaren geleden voor de derde keer getrouwd, dit keer met een Tsjechische.

Bessel Kok deel 2

vrijdag 5 juli 1991, 13:51 uur

Niet alleen maar geldschieter
Als je één keer een goed idee hebt kun je je soms de rest van je leven met schaken en kunst bezighouden. Bessel Kok is één van Nederlands meest succesvolle ondernemers, ook al is hij genationaliseerd tot Belg. Ten tijde van het marathoninterview met Ton van der Graaf bestuurde Kok het Belgische bedrijf Belgacom en had enkele jaren daarvoor de Grand Masters Association, de vakbond voor schaakgrootmeesters opgericht. Groot fan van de sport, hoewel hij zelf niet veel talent schijnt te bezitten. Luistert u naar het gesprek tussen Van der Graaf en Kok dat zij in de zomer van 1991 voerden.

Biografie Bessel Kok
geb. 13 december 1941 te Hilversum
Een meedenker
Bessel Kok werd op 13 december 1941 te Hilversum geboren. Na de oorlog verhuisde het gezin naar Amsterdam waar zijn vader BK LPG oprichtte, een autogasbedrijf. Kok studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam in de jaren zestig en ging dan ook helemaal op in de tijdsgeest: “Ik was een kind van de jaren zestig, linksig, lang haar en altijd op vakantie in het fijne Oost-Europa. Ik dreigde eeuwige student te worden en hield het na mijn kandidaats voor gezien.”

Het briljante idee kwam in hem gevaren in 1971. Hij richtte in België Swift op (Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunication) op: Swift regelde (en regelt) de automatisering van het internationale betalingsverkeer. Wanneer iemand geld naar het buitenland wil overmaken, moet de Swift-code gebruikt worden om banken en financiële instellingen te kunnen identificeren. Achttien jaar later, in 1989, leek het Kok mooi geweest. Hij wilde reizen. Enkele jaren later werd hij door de Belgen gevraagd om directeur van Belgacom te worden, de PTT van de zuiderburen. Voorwaarde voor de baan was wel het aannemen van de Belgische nationaliteit. Als Belgacom-directeur sponsorde hij de Brusselse voetbalclub Anderlecht en de Swift-schaaktoernooien.

Daarna bleek dat iedereen met een goed idee, maar weinig geld bij Kok aan kon kloppen. Samen met Jan Mulder gaf hij de tafeltenniscarriere van Bettine Vriesekoop een doorstart. Vriesekoop: “ Vooral Bessels morele steun was belangrijk. Eindelijk had ik iemand gevonden die me hielp in plaats van tegenwerkte. Dat jaar heb ik mijn beste prestatie neergezet.” Het International Film Festival Rotterdam kon ook op financiële steun rekenen. Recent heeft hij Silvia Kristel nog geholpen met de uitgave van haar autobiografie. Kristel: “Hij helpt mensen op momenten dat ze het nodig hebben. Maar nooit zomaar met geld. Hij steunt je als je iets wilt doen.” Bovendien produceert hij ook documentaires. Eén daarvan, The Power of Good over de Britse zakenman Nicholas Winton, die in de Tweede Wereldoorlog 669 joodse kinderen uit handen van de nazi’s wist te houden, kreeg in 2002 een Emmy-award. Afgezien van zijn mecenaten staat Kok bekend om de Bourgondische feestdiners die hij veelvuldig organiseert. Willem Frederik Hermans heeft vlak voor zijn overlijden nog zo’n bacchanaal bijgewoond.

Koks grote passie is het edele schaakspel. Hij richtte in 1987 tot groot afgrijzen van de wereldschaakfederatie Fide de GMA, de Grand Masters Association, op; een professionele vakbond die de rechten van topschakers behartigd. Hij werd de eerste voorzitter, Gary Kasparov werd president, Anatoli Karpov en Jan Tinman werden vice-presidenten. Van de 300 grootmeesters sloten zich 200 bij de GMA aan. De GMA organiseerde de World Cup Chess Tournaments, wat een directe provocatie aan het adres van Fide was, die het alleenrecht op de wereldtitel had. Na een akkoord tussen de GMA en de Fide stapte Kasparov uit woede op en keerde ook Kok de schaakwereld een tijd de rug toe.

Jan Tinman: “Bessel vindt de schaakwereld interessant en dat is belangrijk. We hebben veel te weinig mensen die de sport verder helpen door hun organisatorisch en zakelijk talent in te zetten. Hij is zeer doortastend, maar ook een heel beminnelijk persoon.” Kan Kok zelf goed schaken? “ Hij is niet goed in het pionnenspel. Ik zeg altijd dat hij beter op de kleintjes moet letten, ook in het echte leven. Vijftien jaar geleden negeerde hij de voorzitter van de Portugese schaakbond. Zo’n man vergeet dat niet en we hebben zijn stem straks hard nodig. Maar Bessel is geen politicus. Zoals als ik hem ken, heb ik hem nog nooit op een leugen betrapt?

In 1995 naar Praag vertrokken om het Tsjechische staatsbedrijf Cesky Telecom te privatiseren. Kok woont nog steeds in Praag en is enkele jaren geleden voor de derde keer getrouwd, dit keer met een Tsjechische.

Bessel Kok deel 1

vrijdag 5 juli 1991, 13:45 uur

Niet alleen maar geldschieter
Als je één keer een goed idee hebt kun je je soms de rest van je leven met schaken en kunst bezighouden. Bessel Kok is één van Nederlands meest succesvolle ondernemers, ook al is hij genationaliseerd tot Belg. Ten tijde van het marathoninterview met Ton van der Graaf bestuurde Kok het Belgische bedrijf Belgacom en had enkele jaren daarvoor de Grand Masters Association, de vakbond voor schaakgrootmeesters opgericht. Groot fan van de sport, hoewel hij zelf niet veel talent schijnt te bezitten. Luistert u naar het gesprek tussen Van der Graaf en Kok dat zij in de zomer van 1991 voerden.

Biografie Bessel Kok
geb. 13 december 1941 te Hilversum
Een meedenker
Bessel Kok werd op 13 december 1941 te Hilversum geboren. Na de oorlog verhuisde het gezin naar Amsterdam waar zijn vader BK LPG oprichtte, een autogasbedrijf. Kok studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam in de jaren zestig en ging dan ook helemaal op in de tijdsgeest: “Ik was een kind van de jaren zestig, linksig, lang haar en altijd op vakantie in het fijne Oost-Europa. Ik dreigde eeuwige student te worden en hield het na mijn kandidaats voor gezien.”

Het briljante idee kwam in hem gevaren in 1971. Hij richtte in België Swift op (Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunication) op: Swift regelde (en regelt) de automatisering van het internationale betalingsverkeer. Wanneer iemand geld naar het buitenland wil overmaken, moet de Swift-code gebruikt worden om banken en financiële instellingen te kunnen identificeren. Achttien jaar later, in 1989, leek het Kok mooi geweest. Hij wilde reizen. Enkele jaren later werd hij door de Belgen gevraagd om directeur van Belgacom te worden, de PTT van de zuiderburen. Voorwaarde voor de baan was wel het aannemen van de Belgische nationaliteit. Als Belgacom-directeur sponsorde hij de Brusselse voetbalclub Anderlecht en de Swift-schaaktoernooien.

Daarna bleek dat iedereen met een goed idee, maar weinig geld bij Kok aan kon kloppen. Samen met Jan Mulder gaf hij de tafeltenniscarriere van Bettine Vriesekoop een doorstart. Vriesekoop: “ Vooral Bessels morele steun was belangrijk. Eindelijk had ik iemand gevonden die me hielp in plaats van tegenwerkte. Dat jaar heb ik mijn beste prestatie neergezet.” Het International Film Festival Rotterdam kon ook op financiële steun rekenen. Recent heeft hij Silvia Kristel nog geholpen met de uitgave van haar autobiografie. Kristel: “Hij helpt mensen op momenten dat ze het nodig hebben. Maar nooit zomaar met geld. Hij steunt je als je iets wilt doen.” Bovendien produceert hij ook documentaires. Eén daarvan, The Power of Good over de Britse zakenman Nicholas Winton, die in de Tweede Wereldoorlog 669 joodse kinderen uit handen van de nazi’s wist te houden, kreeg in 2002 een Emmy-award. Afgezien van zijn mecenaten staat Kok bekend om de Bourgondische feestdiners die hij veelvuldig organiseert. Willem Frederik Hermans heeft vlak voor zijn overlijden nog zo’n bacchanaal bijgewoond.

Koks grote passie is het edele schaakspel. Hij richtte in 1987 tot groot afgrijzen van de wereldschaakfederatie Fide de GMA, de Grand Masters Association, op; een professionele vakbond die de rechten van topschakers behartigd. Hij werd de eerste voorzitter, Gary Kasparov werd president, Anatoli Karpov en Jan Tinman werden vice-presidenten. Van de 300 grootmeesters sloten zich 200 bij de GMA aan. De GMA organiseerde de World Cup Chess Tournaments, wat een directe provocatie aan het adres van Fide was, die het alleenrecht op de wereldtitel had. Na een akkoord tussen de GMA en de Fide stapte Kasparov uit woede op en keerde ook Kok de schaakwereld een tijd de rug toe.

Jan Tinman: “Bessel vindt de schaakwereld interessant en dat is belangrijk. We hebben veel te weinig mensen die de sport verder helpen door hun organisatorisch en zakelijk talent in te zetten. Hij is zeer doortastend, maar ook een heel beminnelijk persoon.” Kan Kok zelf goed schaken? “ Hij is niet goed in het pionnenspel. Ik zeg altijd dat hij beter op de kleintjes moet letten, ook in het echte leven. Vijftien jaar geleden negeerde hij de voorzitter van de Portugese schaakbond. Zo’n man vergeet dat niet en we hebben zijn stem straks hard nodig. Maar Bessel is geen politicus. Zoals als ik hem ken, heb ik hem nog nooit op een leugen betrapt?

In 1995 naar Praag vertrokken om het Tsjechische staatsbedrijf Cesky Telecom te privatiseren. Kok woont nog steeds in Praag en is enkele jaren geleden voor de derde keer getrouwd, dit keer met een Tsjechische.

VPRO Marathoninterview - Abram de Swaan deel 5

vrijdag 28 december 1990, 14:33 uur

Wars van grenzen
Abram de Swaan, prominent socioloog en winnaar van de P.C. Hooftprijs, liet zich zelden wat gelegen liggen aan de grenzen van zijn vakgebied. Begin 2007 ging de hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met emeritaat, zoals dat nu eenmaal gaat als je 65 wordt. De Swaan is een scherp analyticus van het tijdgewricht. Zo merkte opvolger Jan Willem Duyvendak bij De Swaans afscheid van de UvA op dat de Nederlandse verzorgingsstaat in verval raakte, nadat De Swaan er zijn wetenschappelijke belangstelling voor was verloren. Hier kunt u luisteren naar een vijf uur durend interview tussen Geert Mak en Abram de Swaan.

Biografie Abram de Swaan
geb. 8 januari 1942
Altijd daar waar het gebeurt
Abram de Swaan werd geboren op 8 januari 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. Zijn eerste jaren bracht Abram de Swaan door op een onderduikadres in Beverwijk, omdat zijn vader directeur was van het linkse tijdschrift De Vrije Katheder. Gerard Reve was een graag geziene gast bij de familie De Swaan.

Op de één of andere manier wist De Swaan altijd op het juiste moment op de juiste plek te zijn. Hij studeerde politicologie – zes vakken voor de prijs van één – aan de Universiteit van Amsterdam, deed er ook nog wiskunde en psychoanalyse bij – De Swaan is tien jaar psychotherapeut geweest. Hij schreef in twee jaar tijd ongeveer driehonderd artikelen voor Propria Cures. Eén van die artikelen, waarin hij het evangelie parodieerde, kwam hem nog op een aanklacht wegens godslastering te staan, ingediend door de gereformeerde gemeente van het Zeeuwse eiland Tholen. Hij moest een boete van honderd gulden betalen. Aan de universiteiten van Yale en Berkely heeft hij ook politicologie gestudeerd en wetenschappelijk onderzoek gedaan. Dat was in 1967 en 1968, het jaar van de fameuze Summer of Love. Teruggekomen in Amsterdam werd prompt het Maagdenhuis bezet.

In de Verenigde Staten werkte hij ook voor de Deutsche Rundfunk , waarvoor hij popsterren interviewde. Ook Fidel Castro ontkwam niet aan De Swaans prangende vragen. Voor de VPRO maakte De Swaan de documentaire over lopende bandwerk en de geestdodendheid daarvan, Een Boterham met Tevredenheid genaamd.
In 1973 promoveerde hij – met een proefschrift over kabinetsformaties in elf landen – en vier jaar later werd hij op 35-jarige leeftijd hoogleraar. Socioloog Johan Goudsblom haalde hem over om op sociologie over te stappen en maakte hem met het werk van Norbert Elias bekend. Voor de duizendpoot bracht het werk van de beroemde socioloog enige eenheid en overzichtelijkheid in zijn leven.

De Swaan staat bekend om zijn oorspronkelijke pen. In zijn stukken en essays verbindt hij allerlei disciplines met elkaar, zoals geschiedenis en sociale filosofie. Voor NRC Handelsblad heeft hij lange tijd columns geschreven. De jury van de P.C. Hooftprijs roemde De Swaans “glasheldere en lenige stijl, waar het plezier in schrijven vanaf vonkt. Hoewel hij zijn lezers niet onderschat en geen moeite doet om complexe materie eenvoudiger voor te stellen dan die is, valt er in zijn hele oeuvre geen onbegrijpelijke zin aan te wijzen. Abram de Swaan heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. En dat oeuvre heeft bijzondere literaire kwaliteiten (…)” De Swaan krijgt de P.C. Hooftprijs op donderdag 22 mei 2008, de dag na de sterfdag van de beroemde dichter.

VPRO Marathoninterview - Abram de Swaan deel 4

vrijdag 28 december 1990, 14:31 uur

Wars van grenzen
Abram de Swaan, prominent socioloog en winnaar van de P.C. Hooftprijs, liet zich zelden wat gelegen liggen aan de grenzen van zijn vakgebied. Begin 2007 ging de hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met emeritaat, zoals dat nu eenmaal gaat als je 65 wordt. De Swaan is een scherp analyticus van het tijdgewricht. Zo merkte opvolger Jan Willem Duyvendak bij De Swaans afscheid van de UvA op dat de Nederlandse verzorgingsstaat in verval raakte, nadat De Swaan er zijn wetenschappelijke belangstelling voor was verloren. Hier kunt u luisteren naar een vijf uur durend interview tussen Geert Mak en Abram de Swaan.

Biografie Abram de Swaan
geb. 8 januari 1942
Altijd daar waar het gebeurt
Abram de Swaan werd geboren op 8 januari 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. Zijn eerste jaren bracht Abram de Swaan door op een onderduikadres in Beverwijk, omdat zijn vader directeur was van het linkse tijdschrift De Vrije Katheder. Gerard Reve was een graag geziene gast bij de familie De Swaan.

Op de één of andere manier wist De Swaan altijd op het juiste moment op de juiste plek te zijn. Hij studeerde politicologie – zes vakken voor de prijs van één – aan de Universiteit van Amsterdam, deed er ook nog wiskunde en psychoanalyse bij – De Swaan is tien jaar psychotherapeut geweest. Hij schreef in twee jaar tijd ongeveer driehonderd artikelen voor Propria Cures. Eén van die artikelen, waarin hij het evangelie parodieerde, kwam hem nog op een aanklacht wegens godslastering te staan, ingediend door de gereformeerde gemeente van het Zeeuwse eiland Tholen. Hij moest een boete van honderd gulden betalen. Aan de universiteiten van Yale en Berkely heeft hij ook politicologie gestudeerd en wetenschappelijk onderzoek gedaan. Dat was in 1967 en 1968, het jaar van de fameuze Summer of Love. Teruggekomen in Amsterdam werd prompt het Maagdenhuis bezet.

In de Verenigde Staten werkte hij ook voor de Deutsche Rundfunk , waarvoor hij popsterren interviewde. Ook Fidel Castro ontkwam niet aan De Swaans prangende vragen. Voor de VPRO maakte De Swaan de documentaire over lopende bandwerk en de geestdodendheid daarvan, Een Boterham met Tevredenheid genaamd.
In 1973 promoveerde hij – met een proefschrift over kabinetsformaties in elf landen – en vier jaar later werd hij op 35-jarige leeftijd hoogleraar. Socioloog Johan Goudsblom haalde hem over om op sociologie over te stappen en maakte hem met het werk van Norbert Elias bekend. Voor de duizendpoot bracht het werk van de beroemde socioloog enige eenheid en overzichtelijkheid in zijn leven.

De Swaan staat bekend om zijn oorspronkelijke pen. In zijn stukken en essays verbindt hij allerlei disciplines met elkaar, zoals geschiedenis en sociale filosofie. Voor NRC Handelsblad heeft hij lange tijd columns geschreven. De jury van de P.C. Hooftprijs roemde De Swaans “glasheldere en lenige stijl, waar het plezier in schrijven vanaf vonkt. Hoewel hij zijn lezers niet onderschat en geen moeite doet om complexe materie eenvoudiger voor te stellen dan die is, valt er in zijn hele oeuvre geen onbegrijpelijke zin aan te wijzen. Abram de Swaan heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. En dat oeuvre heeft bijzondere literaire kwaliteiten (…)” De Swaan krijgt de P.C. Hooftprijs op donderdag 22 mei 2008, de dag na de sterfdag van de beroemde dichter.

Abram de Swaan deel 3

vrijdag 28 december 1990, 14:28 uur

Wars van grenzen
Abram de Swaan, prominent socioloog en winnaar van de P.C. Hooftprijs, liet zich zelden wat gelegen liggen aan de grenzen van zijn vakgebied. Begin 2007 ging de hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met emeritaat, zoals dat nu eenmaal gaat als je 65 wordt. De Swaan is een scherp analyticus van het tijdgewricht. Zo merkte opvolger Jan Willem Duyvendak bij De Swaans afscheid van de UvA op dat de Nederlandse verzorgingsstaat in verval raakte, nadat De Swaan er zijn wetenschappelijke belangstelling voor was verloren. Hier kunt u luisteren naar een vijf uur durend interview tussen Geert Mak en Abram de Swaan.

Biografie Abram de Swaan
geb. 8 januari 1942
Altijd daar waar het gebeurt
Abram de Swaan werd geboren op 8 januari 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. Zijn eerste jaren bracht Abram de Swaan door op een onderduikadres in Beverwijk, omdat zijn vader directeur was van het linkse tijdschrift De Vrije Katheder. Gerard Reve was een graag geziene gast bij de familie De Swaan.

Op de één of andere manier wist De Swaan altijd op het juiste moment op de juiste plek te zijn. Hij studeerde politicologie – zes vakken voor de prijs van één – aan de Universiteit van Amsterdam, deed er ook nog wiskunde en psychoanalyse bij – De Swaan is tien jaar psychotherapeut geweest. Hij schreef in twee jaar tijd ongeveer driehonderd artikelen voor Propria Cures. Eén van die artikelen, waarin hij het evangelie parodieerde, kwam hem nog op een aanklacht wegens godslastering te staan, ingediend door de gereformeerde gemeente van het Zeeuwse eiland Tholen. Hij moest een boete van honderd gulden betalen. Aan de universiteiten van Yale en Berkely heeft hij ook politicologie gestudeerd en wetenschappelijk onderzoek gedaan. Dat was in 1967 en 1968, het jaar van de fameuze Summer of Love. Teruggekomen in Amsterdam werd prompt het Maagdenhuis bezet.

In de Verenigde Staten werkte hij ook voor de Deutsche Rundfunk , waarvoor hij popsterren interviewde. Ook Fidel Castro ontkwam niet aan De Swaans prangende vragen. Voor de VPRO maakte De Swaan de documentaire over lopende bandwerk en de geestdodendheid daarvan, Een Boterham met Tevredenheid genaamd.
In 1973 promoveerde hij – met een proefschrift over kabinetsformaties in elf landen – en vier jaar later werd hij op 35-jarige leeftijd hoogleraar. Socioloog Johan Goudsblom haalde hem over om op sociologie over te stappen en maakte hem met het werk van Norbert Elias bekend. Voor de duizendpoot bracht het werk van de beroemde socioloog enige eenheid en overzichtelijkheid in zijn leven.

De Swaan staat bekend om zijn oorspronkelijke pen. In zijn stukken en essays verbindt hij allerlei disciplines met elkaar, zoals geschiedenis en sociale filosofie. Voor NRC Handelsblad heeft hij lange tijd columns geschreven. De jury van de P.C. Hooftprijs roemde De Swaans “glasheldere en lenige stijl, waar het plezier in schrijven vanaf vonkt. Hoewel hij zijn lezers niet onderschat en geen moeite doet om complexe materie eenvoudiger voor te stellen dan die is, valt er in zijn hele oeuvre geen onbegrijpelijke zin aan te wijzen. Abram de Swaan heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. En dat oeuvre heeft bijzondere literaire kwaliteiten (…)” De Swaan krijgt de P.C. Hooftprijs op donderdag 22 mei 2008, de dag na de sterfdag van de beroemde dichter.

VPRO Marathoninterview - Abram de Swaan deel 2

vrijdag 28 december 1990, 14:25 uur

Wars van grenzen
Abram de Swaan, prominent socioloog en winnaar van de P.C. Hooftprijs, liet zich zelden wat gelegen liggen aan de grenzen van zijn vakgebied. Begin 2007 ging de hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met emeritaat, zoals dat nu eenmaal gaat als je 65 wordt. De Swaan is een scherp analyticus van het tijdgewricht. Zo merkte opvolger Jan Willem Duyvendak bij De Swaans afscheid van de UvA op dat de Nederlandse verzorgingsstaat in verval raakte, nadat De Swaan er zijn wetenschappelijke belangstelling voor was verloren. Hier kunt u luisteren naar een vijf uur durend interview tussen Geert Mak en Abram de Swaan.

Biografie Abram de Swaan
geb. 8 januari 1942
Altijd daar waar het gebeurt
Abram de Swaan werd geboren op 8 januari 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. Zijn eerste jaren bracht Abram de Swaan door op een onderduikadres in Beverwijk, omdat zijn vader directeur was van het linkse tijdschrift De Vrije Katheder. Gerard Reve was een graag geziene gast bij de familie De Swaan.

Op de één of andere manier wist De Swaan altijd op het juiste moment op de juiste plek te zijn. Hij studeerde politicologie – zes vakken voor de prijs van één – aan de Universiteit van Amsterdam, deed er ook nog wiskunde en psychoanalyse bij – De Swaan is tien jaar psychotherapeut geweest. Hij schreef in twee jaar tijd ongeveer driehonderd artikelen voor Propria Cures. Eén van die artikelen, waarin hij het evangelie parodieerde, kwam hem nog op een aanklacht wegens godslastering te staan, ingediend door de gereformeerde gemeente van het Zeeuwse eiland Tholen. Hij moest een boete van honderd gulden betalen. Aan de universiteiten van Yale en Berkely heeft hij ook politicologie gestudeerd en wetenschappelijk onderzoek gedaan. Dat was in 1967 en 1968, het jaar van de fameuze Summer of Love. Teruggekomen in Amsterdam werd prompt het Maagdenhuis bezet.

In de Verenigde Staten werkte hij ook voor de Deutsche Rundfunk , waarvoor hij popsterren interviewde. Ook Fidel Castro ontkwam niet aan De Swaans prangende vragen. Voor de VPRO maakte De Swaan de documentaire over lopende bandwerk en de geestdodendheid daarvan, Een Boterham met Tevredenheid genaamd.
In 1973 promoveerde hij – met een proefschrift over kabinetsformaties in elf landen – en vier jaar later werd hij op 35-jarige leeftijd hoogleraar. Socioloog Johan Goudsblom haalde hem over om op sociologie over te stappen en maakte hem met het werk van Norbert Elias bekend. Voor de duizendpoot bracht het werk van de beroemde socioloog enige eenheid en overzichtelijkheid in zijn leven.

De Swaan staat bekend om zijn oorspronkelijke pen. In zijn stukken en essays verbindt hij allerlei disciplines met elkaar, zoals geschiedenis en sociale filosofie. Voor NRC Handelsblad heeft hij lange tijd columns geschreven. De jury van de P.C. Hooftprijs roemde De Swaans “glasheldere en lenige stijl, waar het plezier in schrijven vanaf vonkt. Hoewel hij zijn lezers niet onderschat en geen moeite doet om complexe materie eenvoudiger voor te stellen dan die is, valt er in zijn hele oeuvre geen onbegrijpelijke zin aan te wijzen. Abram de Swaan heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. En dat oeuvre heeft bijzondere literaire kwaliteiten (…)” De Swaan krijgt de P.C. Hooftprijs op donderdag 22 mei 2008, de dag na de sterfdag van de beroemde dichter.

Abram de Swaan deel 1

vrijdag 28 december 1990, 14:20 uur

Wars van grenzen
Abram de Swaan, prominent socioloog en winnaar van de P.C. Hooftprijs, liet zich zelden wat gelegen liggen aan de grenzen van zijn vakgebied. Begin 2007 ging de hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met emeritaat, zoals dat nu eenmaal gaat als je 65 wordt. De Swaan is een scherp analyticus van het tijdgewricht. Zo merkte opvolger Jan Willem Duyvendak bij De Swaans afscheid van de UvA op dat de Nederlandse verzorgingsstaat in verval raakte, nadat De Swaan er zijn wetenschappelijke belangstelling voor was verloren. Hier kunt u luisteren naar een vijf uur durend interview tussen Geert Mak en Abram de Swaan.

Biografie Abram de Swaan
geb. 8 januari 1942
Altijd daar waar het gebeurt
Abram de Swaan werd geboren op 8 januari 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. Zijn eerste jaren bracht Abram de Swaan door op een onderduikadres in Beverwijk, omdat zijn vader directeur was van het linkse tijdschrift De Vrije Katheder. Gerard Reve was een graag geziene gast bij de familie De Swaan.

Op de één of andere manier wist De Swaan altijd op het juiste moment op de juiste plek te zijn. Hij studeerde politicologie – zes vakken voor de prijs van één – aan de Universiteit van Amsterdam, deed er ook nog wiskunde en psychoanalyse bij – De Swaan is tien jaar psychotherapeut geweest. Hij schreef in twee jaar tijd ongeveer driehonderd artikelen voor Propria Cures. Eén van die artikelen, waarin hij het evangelie parodieerde, kwam hem nog op een aanklacht wegens godslastering te staan, ingediend door de gereformeerde gemeente van het Zeeuwse eiland Tholen. Hij moest een boete van honderd gulden betalen. Aan de universiteiten van Yale en Berkely heeft hij ook politicologie gestudeerd en wetenschappelijk onderzoek gedaan. Dat was in 1967 en 1968, het jaar van de fameuze Summer of Love. Teruggekomen in Amsterdam werd prompt het Maagdenhuis bezet.

In de Verenigde Staten werkte hij ook voor de Deutsche Rundfunk , waarvoor hij popsterren interviewde. Ook Fidel Castro ontkwam niet aan De Swaans prangende vragen. Voor de VPRO maakte De Swaan de documentaire over lopende bandwerk en de geestdodendheid daarvan, Een Boterham met Tevredenheid genaamd.
In 1973 promoveerde hij – met een proefschrift over kabinetsformaties in elf landen – en vier jaar later werd hij op 35-jarige leeftijd hoogleraar. Socioloog Johan Goudsblom haalde hem over om op sociologie over te stappen en maakte hem met het werk van Norbert Elias bekend. Voor de duizendpoot bracht het werk van de beroemde socioloog enige eenheid en overzichtelijkheid in zijn leven.

De Swaan staat bekend om zijn oorspronkelijke pen. In zijn stukken en essays verbindt hij allerlei disciplines met elkaar, zoals geschiedenis en sociale filosofie. Voor NRC Handelsblad heeft hij lange tijd columns geschreven. De jury van de P.C. Hooftprijs roemde De Swaans “glasheldere en lenige stijl, waar het plezier in schrijven vanaf vonkt. Hoewel hij zijn lezers niet onderschat en geen moeite doet om complexe materie eenvoudiger voor te stellen dan die is, valt er in zijn hele oeuvre geen onbegrijpelijke zin aan te wijzen. Abram de Swaan heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. En dat oeuvre heeft bijzondere literaire kwaliteiten (…)” De Swaan krijgt de P.C. Hooftprijs op donderdag 22 mei 2008, de dag na de sterfdag van de beroemde dichter.

VPRO Marathoninterview - Jan Vrijman Uur 5

vrijdag 31 augustus 1990, 13:09 uur

Eén van de laatste heiligen
‘Nozem’, één van de vele geijkte uitdrukkingen, in omloop gebracht door Jan Vrijman, het zeer goed gekozen pseudoniem van Jan Hulsebos. De cineast Jan Vrijman werd landelijk bekend met het VPRO-programma Dag Koninginnedag uit 1957, maakte het legendarische filmportret van schilder Karel Appel en stond aan de wieg van het International Documentary Festival Amsterdam (IDFA), om maar wat van zijn verdiensten te noemen.
----------------------------------

Altijd goed voor een relletje
Jan Hulsebos werd op 12 februari 1925 geboren in de Amsterdamse volksbuurt de Jordaan, in een gezin waar hij kennis maakte met de burgerlijkheid, waar hij al snel zijn gal onaflatend op zou spuwen. De oorlog kwam voor de 15-jarige Jan Hulsebos als een bevrijding. Tot mei 1940 overkwam hem niet veel wat hij de moeite waard vond. 'Een last viel van mijn schouders, ik kon - vijftien jaar oud - beginnen mezelf te worden. Zo groeide ik op, een vlegel van bezetting en verzet, belazerd door iedereen, gelovend in niets, woedend op alles.' Hij mat zich het pseudoniem Jan Vrijman aan. Maar ook het meewerken aan de verzetskrant de Waarheid werd hem al snel te saai, hij wilde met wapens verzet tegen de Duitse bezetting plegen, niet met papier. Na een gesprek met leden van het verzet werd hij echter als een te gevaarlijke en onbetrouwbare jongen gekenmerkt; geen gewapende actie tegen de Duisters voor Jan Hulsebos.

Vóór de oorlog had Vrijman al besloten journalist te worden. Het leek hem een uitstekende manier om de burgerlijkheid te ontvluchten. Na de oorlog begon hij dan ook als freelance-journalist bij Het Parool, De Groene Amsterdammer, De Geïllustreerde Pers, Vrij Nederland en het soldatenblad De Legerkoerier. Vrijman voelde zich tot het communinisme aangetrokken, ware het niet dat hij een hekel had aan organisaties. In 1955 maakte hij met fotograaf Ed van der Elsken de reportage ‘De nozems van de Nieuwendijk’, waarmee hij meteen de uitdrukking ‘nozem’ muntte. Na een tijd beviel ook de schrijvende pers hem niet meer, naar eigen zeggen omdat hij het gevoel had de boot te missen. ‘Ik wil meer, ik wil intens voelen dat ik leef. Ik moet weten waarom ik leef!'

Na het schrijven van twee romans – De Tekenen van de Storm (1952) en Kinderbedtijd (1957) – probeerde hij het in de film, een beslissing waar we hem dankbaar voor mogen zijn. In 1957 brak hij door met de controversiële documentaire Dag Koninginnedag. Het kwam hem en de VPRO meteen op een rel te staan en de omroep moet haar excuses maken aan het volk en de koningin. In de documentaire – gemaakt ter gelegenheid van Koninginnedag – kwamen enkele mensen aan het woord die niet veel op hadden met de monarchie. De muiterij op Hr. Ms. De Zeven Provinciën – een heikel punt in politiek en samenleving – kwam ook aan de orde. Omdat er nog maar weinig mensen een tv bezaten, barstte de commotie pas los toen de dagbladen schreven over wat er allemaal voor onbehoorlijks in de documentaire was gezegd. Jan Vrijman was daarmee verantwoordelijk voor de eerste echte televisierel in de Nederlandse geschiedenis en mocht twee jaar lang niet werken voor de VPRO. Beroemd werd hij met De Werkelijkheid van Karel Appel, een portret van de schilder. Wie herinnert zich niet de schilder die woest met verf smeet en op die manier zijn doeken maakte. Het vestigde niet alleen de naam van Jan Vrijman, maar ook van Karel Appel. In 1965 jubelde de pers over de film Op de bodem van de Hemel, een serie die aanvankelijk door de Vara zou worden uitgezonden. Die durfde het niet aan toen bleek dat Johan Maasbach, hoofdpersoon van de film en op dat moment de bekendste evangelist van Nederland, het interview met een gebed begon. De Vara zat niet op bekeerlingen te wachten. Vrijman kocht de serie terug en liet het in de bioscopen vertonen.

In 1989 stopte Vrijman met het maken van documentaires. Hij werd bestuurslid van het door hem geïnitieerde International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA). Vanaf begin 1985 verscheen er een dagelijkse column van Vrijmans hand in Het Parool onder het pseudoniem Journaille. Hij schreef de column tot enkele weken voor zijn dood, op 30 mei 1997.

Vrijman leed aan depressies. Zijn dochter maakte in 2006 een documentaire over de andere kant van Jan Vrijman, de gewone Jan Hulsebos: De Werkelijkheid van Jan Vrijman.

Jan Vrijman Uur 4

vrijdag 31 augustus 1990, 12:59 uur

Eén van de laatste heiligen
‘Nozem’, één van de vele geijkte uitdrukkingen, in omloop gebracht door Jan Vrijman, het zeer goed gekozen pseudoniem van Jan Hulsebos. De cineast Jan Vrijman werd landelijk bekend met het VPRO-programma Dag Koninginnedag uit 1957, maakte het legendarische filmportret van schilder Karel Appel en stond aan de wieg van het International Documentary Festival Amsterdam (IDFA), om maar wat van zijn verdiensten te noemen.
----------------------------------

Altijd goed voor een relletje
Jan Hulsebos werd op 12 februari 1925 geboren in de Amsterdamse volksbuurt de Jordaan, in een gezin waar hij kennis maakte met de burgerlijkheid, waar hij al snel zijn gal onaflatend op zou spuwen. De oorlog kwam voor de 15-jarige Jan Hulsebos als een bevrijding. Tot mei 1940 overkwam hem niet veel wat hij de moeite waard vond. 'Een last viel van mijn schouders, ik kon - vijftien jaar oud - beginnen mezelf te worden. Zo groeide ik op, een vlegel van bezetting en verzet, belazerd door iedereen, gelovend in niets, woedend op alles.' Hij mat zich het pseudoniem Jan Vrijman aan. Maar ook het meewerken aan de verzetskrant de Waarheid werd hem al snel te saai, hij wilde met wapens verzet tegen de Duitse bezetting plegen, niet met papier. Na een gesprek met leden van het verzet werd hij echter als een te gevaarlijke en onbetrouwbare jongen gekenmerkt; geen gewapende actie tegen de Duisters voor Jan Hulsebos.

Vóór de oorlog had Vrijman al besloten journalist te worden. Het leek hem een uitstekende manier om de burgerlijkheid te ontvluchten. Na de oorlog begon hij dan ook als freelance-journalist bij Het Parool, De Groene Amsterdammer, De Geïllustreerde Pers, Vrij Nederland en het soldatenblad De Legerkoerier. Vrijman voelde zich tot het communinisme aangetrokken, ware het niet dat hij een hekel had aan organisaties. In 1955 maakte hij met fotograaf Ed van der Elsken de reportage ‘De nozems van de Nieuwendijk’, waarmee hij meteen de uitdrukking ‘nozem’ muntte. Na een tijd beviel ook de schrijvende pers hem niet meer, naar eigen zeggen omdat hij het gevoel had de boot te missen. ‘Ik wil meer, ik wil intens voelen dat ik leef. Ik moet weten waarom ik leef!'

Na het schrijven van twee romans – De Tekenen van de Storm (1952) en Kinderbedtijd (1957) – probeerde hij het in de film, een beslissing waar we hem dankbaar voor mogen zijn. In 1957 brak hij door met de controversiële documentaire Dag Koninginnedag. Het kwam hem en de VPRO meteen op een rel te staan en de omroep moet haar excuses maken aan het volk en de koningin. In de documentaire – gemaakt ter gelegenheid van Koninginnedag – kwamen enkele mensen aan het woord die niet veel op hadden met de monarchie. De muiterij op Hr. Ms. De Zeven Provinciën – een heikel punt in politiek en samenleving – kwam ook aan de orde. Omdat er nog maar weinig mensen een tv bezaten, barstte de commotie pas los toen de dagbladen schreven over wat er allemaal voor onbehoorlijks in de documentaire was gezegd. Jan Vrijman was daarmee verantwoordelijk voor de eerste echte televisierel in de Nederlandse geschiedenis en mocht twee jaar lang niet werken voor de VPRO. Beroemd werd hij met De Werkelijkheid van Karel Appel, een portret van de schilder. Wie herinnert zich niet de schilder die woest met verf smeet en op die manier zijn doeken maakte. Het vestigde niet alleen de naam van Jan Vrijman, maar ook van Karel Appel. In 1965 jubelde de pers over de film Op de bodem van de Hemel, een serie die aanvankelijk door de Vara zou worden uitgezonden. Die durfde het niet aan toen bleek dat Johan Maasbach, hoofdpersoon van de film en op dat moment de bekendste evangelist van Nederland, het interview met een gebed begon. De Vara zat niet op bekeerlingen te wachten. Vrijman kocht de serie terug en liet het in de bioscopen vertonen.

In 1989 stopte Vrijman met het maken van documentaires. Hij werd bestuurslid van het door hem geïnitieerde International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA). Vanaf begin 1985 verscheen er een dagelijkse column van Vrijmans hand in Het Parool onder het pseudoniem Journaille. Hij schreef de column tot enkele weken voor zijn dood, op 30 mei 1997.

Vrijman leed aan depressies. Zijn dochter maakte in 2006 een documentaire over de andere kant van Jan Vrijman, de gewone Jan Hulsebos: De Werkelijkheid van Jan Vrijman.

Jan Vrijman Uur 1

vrijdag 31 augustus 1990, 12:52 uur

Eén van de laatste heiligen
‘Nozem’, één van de vele geijkte uitdrukkingen, in omloop gebracht door Jan Vrijman, het zeer goed gekozen pseudoniem van Jan Hulsebos. De cineast Jan Vrijman werd landelijk bekend met het VPRO-programma Dag Koninginnedag uit 1957, maakte het legendarische filmportret van schilder Karel Appel en stond aan de wieg van het International Documentary Festival Amsterdam (IDFA), om maar wat van zijn verdiensten te noemen.
----------------------------------

Altijd goed voor een relletje
Jan Hulsebos werd op 12 februari 1925 geboren in de Amsterdamse volksbuurt de Jordaan, in een gezin waar hij kennis maakte met de burgerlijkheid, waar hij al snel zijn gal onaflatend op zou spuwen. De oorlog kwam voor de 15-jarige Jan Hulsebos als een bevrijding. Tot mei 1940 overkwam hem niet veel wat hij de moeite waard vond. 'Een last viel van mijn schouders, ik kon - vijftien jaar oud - beginnen mezelf te worden. Zo groeide ik op, een vlegel van bezetting en verzet, belazerd door iedereen, gelovend in niets, woedend op alles.' Hij mat zich het pseudoniem Jan Vrijman aan. Maar ook het meewerken aan de verzetskrant de Waarheid werd hem al snel te saai, hij wilde met wapens verzet tegen de Duitse bezetting plegen, niet met papier. Na een gesprek met leden van het verzet werd hij echter als een te gevaarlijke en onbetrouwbare jongen gekenmerkt; geen gewapende actie tegen de Duisters voor Jan Hulsebos.

Vóór de oorlog had Vrijman al besloten journalist te worden. Het leek hem een uitstekende manier om de burgerlijkheid te ontvluchten. Na de oorlog begon hij dan ook als freelance-journalist bij Het Parool, De Groene Amsterdammer, De Geïllustreerde Pers, Vrij Nederland en het soldatenblad De Legerkoerier. Vrijman voelde zich tot het communinisme aangetrokken, ware het niet dat hij een hekel had aan organisaties. In 1955 maakte hij met fotograaf Ed van der Elsken de reportage ‘De nozems van de Nieuwendijk’, waarmee hij meteen de uitdrukking ‘nozem’ muntte. Na een tijd beviel ook de schrijvende pers hem niet meer, naar eigen zeggen omdat hij het gevoel had de boot te missen. ‘Ik wil meer, ik wil intens voelen dat ik leef. Ik moet weten waarom ik leef!'

Na het schrijven van twee romans – De Tekenen van de Storm (1952) en Kinderbedtijd (1957) – probeerde hij het in de film, een beslissing waar we hem dankbaar voor mogen zijn. In 1957 brak hij door met de controversiële documentaire Dag Koninginnedag. Het kwam hem en de VPRO meteen op een rel te staan en de omroep moet haar excuses maken aan het volk en de koningin. In de documentaire – gemaakt ter gelegenheid van Koninginnedag – kwamen enkele mensen aan het woord die niet veel op hadden met de monarchie. De muiterij op Hr. Ms. De Zeven Provinciën – een heikel punt in politiek en samenleving – kwam ook aan de orde. Omdat er nog maar weinig mensen een tv bezaten, barstte de commotie pas los toen de dagbladen schreven over wat er allemaal voor onbehoorlijks in de documentaire was gezegd. Jan Vrijman was daarmee verantwoordelijk voor de eerste echte televisierel in de Nederlandse geschiedenis en mocht twee jaar lang niet werken voor de VPRO. Beroemd werd hij met De Werkelijkheid van Karel Appel, een portret van de schilder. Wie herinnert zich niet de schilder die woest met verf smeet en op die manier zijn doeken maakte. Het vestigde niet alleen de naam van Jan Vrijman, maar ook van Karel Appel. In 1965 jubelde de pers over de film Op de bodem van de Hemel, een serie die aanvankelijk door de Vara zou worden uitgezonden. Die durfde het niet aan toen bleek dat Johan Maasbach, hoofdpersoon van de film en op dat moment de bekendste evangelist van Nederland, het interview met een gebed begon. De Vara zat niet op bekeerlingen te wachten. Vrijman kocht de serie terug en liet het in de bioscopen vertonen.

In 1989 stopte Vrijman met het maken van documentaires. Hij werd bestuurslid van het door hem geïnitieerde International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA). Vanaf begin 1985 verscheen er een dagelijkse column van Vrijmans hand in Het Parool onder het pseudoniem Journaille. Hij schreef de column tot enkele weken voor zijn dood, op 30 mei 1997.

Vrijman leed aan depressies. Zijn dochter maakte in 2006 een documentaire over de andere kant van Jan Vrijman, de gewone Jan Hulsebos: De Werkelijkheid van Jan Vrijman.

Jan Vrijman Uur 3

donderdag 30 augustus 1990, 22:00 uur

Eén van de laatste heiligen
‘Nozem’, één van de vele geijkte uitdrukkingen, in omloop gebracht door Jan Vrijman, het zeer goed gekozen pseudoniem van Jan Hulsebos. De cineast Jan Vrijman werd landelijk bekend met het VPRO-programma Dag Koninginnedag uit 1957, maakte het legendarische filmportret van schilder Karel Appel en stond aan de wieg van het International Documentary Festival Amsterdam (IDFA), om maar wat van zijn verdiensten te noemen.
----------------------------------

Altijd goed voor een relletje
Jan Hulsebos werd op 12 februari 1925 geboren in de Amsterdamse volksbuurt de Jordaan, in een gezin waar hij kennis maakte met de burgerlijkheid, waar hij al snel zijn gal onaflatend op zou spuwen. De oorlog kwam voor de 15-jarige Jan Hulsebos als een bevrijding. Tot mei 1940 overkwam hem niet veel wat hij de moeite waard vond. 'Een last viel van mijn schouders, ik kon - vijftien jaar oud - beginnen mezelf te worden. Zo groeide ik op, een vlegel van bezetting en verzet, belazerd door iedereen, gelovend in niets, woedend op alles.' Hij mat zich het pseudoniem Jan Vrijman aan. Maar ook het meewerken aan de verzetskrant de Waarheid werd hem al snel te saai, hij wilde met wapens verzet tegen de Duitse bezetting plegen, niet met papier. Na een gesprek met leden van het verzet werd hij echter als een te gevaarlijke en onbetrouwbare jongen gekenmerkt; geen gewapende actie tegen de Duisters voor Jan Hulsebos.

Vóór de oorlog had Vrijman al besloten journalist te worden. Het leek hem een uitstekende manier om de burgerlijkheid te ontvluchten. Na de oorlog begon hij dan ook als freelance-journalist bij Het Parool, De Groene Amsterdammer, De Geïllustreerde Pers, Vrij Nederland en het soldatenblad De Legerkoerier. Vrijman voelde zich tot het communinisme aangetrokken, ware het niet dat hij een hekel had aan organisaties. In 1955 maakte hij met fotograaf Ed van der Elsken de reportage ‘De nozems van de Nieuwendijk’, waarmee hij meteen de uitdrukking ‘nozem’ muntte. Na een tijd beviel ook de schrijvende pers hem niet meer, naar eigen zeggen omdat hij het gevoel had de boot te missen. ‘Ik wil meer, ik wil intens voelen dat ik leef. Ik moet weten waarom ik leef!'

Na het schrijven van twee romans – De Tekenen van de Storm (1952) en Kinderbedtijd (1957) – probeerde hij het in de film, een beslissing waar we hem dankbaar voor mogen zijn. In 1957 brak hij door met de controversiële documentaire Dag Koninginnedag. Het kwam hem en de VPRO meteen op een rel te staan en de omroep moet haar excuses maken aan het volk en de koningin. In de documentaire – gemaakt ter gelegenheid van Koninginnedag – kwamen enkele mensen aan het woord die niet veel op hadden met de monarchie. De muiterij op Hr. Ms. De Zeven Provinciën – een heikel punt in politiek en samenleving – kwam ook aan de orde. Omdat er nog maar weinig mensen een tv bezaten, barstte de commotie pas los toen de dagbladen schreven over wat er allemaal voor onbehoorlijks in de documentaire was gezegd. Jan Vrijman was daarmee verantwoordelijk voor de eerste echte televisierel in de Nederlandse geschiedenis en mocht twee jaar lang niet werken voor de VPRO. Beroemd werd hij met De Werkelijkheid van Karel Appel, een portret van de schilder. Wie herinnert zich niet de schilder die woest met verf smeet en op die manier zijn doeken maakte. Het vestigde niet alleen de naam van Jan Vrijman, maar ook van Karel Appel. In 1965 jubelde de pers over de film Op de bodem van de Hemel, een serie die aanvankelijk door de Vara zou worden uitgezonden. Die durfde het niet aan toen bleek dat Johan Maasbach, hoofdpersoon van de film en op dat moment de bekendste evangelist van Nederland, het interview met een gebed begon. De Vara zat niet op bekeerlingen te wachten. Vrijman kocht de serie terug en liet het in de bioscopen vertonen.

In 1989 stopte Vrijman met het maken van documentaires. Hij werd bestuurslid van het door hem geïnitieerde International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA). Vanaf begin 1985 verscheen er een dagelijkse column van Vrijmans hand in Het Parool onder het pseudoniem Journaille. Hij schreef de column tot enkele weken voor zijn dood, op 30 mei 1997.

Vrijman leed aan depressies. Zijn dochter maakte in 2006 een documentaire over de andere kant van Jan Vrijman, de gewone Jan Hulsebos: De Werkelijkheid van Jan Vrijman.

Jan Vrijman Uur 2

donderdag 30 augustus 1990, 22:00 uur

Eén van de laatste heiligen
‘Nozem’, één van de vele geijkte uitdrukkingen, in omloop gebracht door Jan Vrijman, het zeer goed gekozen pseudoniem van Jan Hulsebos. De cineast Jan Vrijman werd landelijk bekend met het VPRO-programma Dag Koninginnedag uit 1957, maakte het legendarische filmportret van schilder Karel Appel en stond aan de wieg van het International Documentary Festival Amsterdam (IDFA), om maar wat van zijn verdiensten te noemen.
----------------------------------

Altijd goed voor een relletje
Jan Hulsebos werd op 12 februari 1925 geboren in de Amsterdamse volksbuurt de Jordaan, in een gezin waar hij kennis maakte met de burgerlijkheid, waar hij al snel zijn gal onaflatend op zou spuwen. De oorlog kwam voor de 15-jarige Jan Hulsebos als een bevrijding. Tot mei 1940 overkwam hem niet veel wat hij de moeite waard vond. 'Een last viel van mijn schouders, ik kon - vijftien jaar oud - beginnen mezelf te worden. Zo groeide ik op, een vlegel van bezetting en verzet, belazerd door iedereen, gelovend in niets, woedend op alles.' Hij mat zich het pseudoniem Jan Vrijman aan. Maar ook het meewerken aan de verzetskrant de Waarheid werd hem al snel te saai, hij wilde met wapens verzet tegen de Duitse bezetting plegen, niet met papier. Na een gesprek met leden van het verzet werd hij echter als een te gevaarlijke en onbetrouwbare jongen gekenmerkt; geen gewapende actie tegen de Duisters voor Jan Hulsebos.

Vóór de oorlog had Vrijman al besloten journalist te worden. Het leek hem een uitstekende manier om de burgerlijkheid te ontvluchten. Na de oorlog begon hij dan ook als freelance-journalist bij Het Parool, De Groene Amsterdammer, De Geïllustreerde Pers, Vrij Nederland en het soldatenblad De Legerkoerier. Vrijman voelde zich tot het communinisme aangetrokken, ware het niet dat hij een hekel had aan organisaties. In 1955 maakte hij met fotograaf Ed van der Elsken de reportage ‘De nozems van de Nieuwendijk’, waarmee hij meteen de uitdrukking ‘nozem’ muntte. Na een tijd beviel ook de schrijvende pers hem niet meer, naar eigen zeggen omdat hij het gevoel had de boot te missen. ‘Ik wil meer, ik wil intens voelen dat ik leef. Ik moet weten waarom ik leef!'

Na het schrijven van twee romans – De Tekenen van de Storm (1952) en Kinderbedtijd (1957) – probeerde hij het in de film, een beslissing waar we hem dankbaar voor mogen zijn. In 1957 brak hij door met de controversiële documentaire Dag Koninginnedag. Het kwam hem en de VPRO meteen op een rel te staan en de omroep moet haar excuses maken aan het volk en de koningin. In de documentaire – gemaakt ter gelegenheid van Koninginnedag – kwamen enkele mensen aan het woord die niet veel op hadden met de monarchie. De muiterij op Hr. Ms. De Zeven Provinciën – een heikel punt in politiek en samenleving – kwam ook aan de orde. Omdat er nog maar weinig mensen een tv bezaten, barstte de commotie pas los toen de dagbladen schreven over wat er allemaal voor onbehoorlijks in de documentaire was gezegd. Jan Vrijman was daarmee verantwoordelijk voor de eerste echte televisierel in de Nederlandse geschiedenis en mocht twee jaar lang niet werken voor de VPRO. Beroemd werd hij met De Werkelijkheid van Karel Appel, een portret van de schilder. Wie herinnert zich niet de schilder die woest met verf smeet en op die manier zijn doeken maakte. Het vestigde niet alleen de naam van Jan Vrijman, maar ook van Karel Appel. In 1965 jubelde de pers over de film Op de bodem van de Hemel, een serie die aanvankelijk door de Vara zou worden uitgezonden. Die durfde het niet aan toen bleek dat Johan Maasbach, hoofdpersoon van de film en op dat moment de bekendste evangelist van Nederland, het interview met een gebed begon. De Vara zat niet op bekeerlingen te wachten. Vrijman kocht de serie terug en liet het in de bioscopen vertonen.

In 1989 stopte Vrijman met het maken van documentaires. Hij werd bestuurslid van het door hem geïnitieerde International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA). Vanaf begin 1985 verscheen er een dagelijkse column van Vrijmans hand in Het Parool onder het pseudoniem Journaille. Hij schreef de column tot enkele weken voor zijn dood, op 30 mei 1997.

Vrijman leed aan depressies. Zijn dochter maakte in 2006 een documentaire over de andere kant van Jan Vrijman, de gewone Jan Hulsebos: De Werkelijkheid van Jan Vrijman.

VPRO Marathoninterview - Rijk de Gooyer deel 5

vrijdag 24 augustus 1990, 12:43 uur

Een fenomeen

Hoe vat je Rijk de Gooyers leven in een paar zinnen samen? Niet, er is geen beginnen aan. Acteur, komiek, cabaretier, columnist, avonturier, schrijver, bakker, zanger, spion, reclamemaker, stellvertretend Bürgermeister, kroegtijger – hij blinkt overal in uit. De laatste jaren is het wat rustiger rondom De Gooyer, niet in de laatste plaats omdat hij inmiddels alweer 82 jaar oud is en zijn gezondheid te wensen overlaat. Maar daarvoor deed hij erg vaak van zich spreken. In positieve zin, door bijvoorbeeld drie Gouden Kalveren te winnen voor zijn acteerprestaties, en in negatieve zin, door bijvoorbeeld twee van die drie prestigieuze prijzen uit het raam van een taxi te gooien. Recalcitrant en na een stevige borrel niet te genieten, zo staat hij ook bekend. In de zomer van 1990 sprak Jan Haasbroek vijf uur lang met het fenomeen.

Biografie Rijk de Gooijer
geb. 17 december 1925
Never a dull moment...
Rijk de Gooyer kwam op 17 december 1925 ter wereld als zoon van een gereformeerde bakker en zijn vrouw. Van De Gooyers jeugd is weinig bekend, maar de oorlog maakte van het rustige leventje dat ie tot dan toe in Utrecht leefde abrupt een eind. Hij was 14 toen de oorlog uitbrak en 18 toen hij met een vriend besloot de Waal over te zwemmen om naar het bevrijde Zuiden van Nederland te ontkomen. Die actie was volgens de overlevering onder meer geïnspireerd door de angst dat zijn vader woedend zou zijn omdat hij zijn HBS-B-diploma niet ging halen. Aan de andere rivieroever aangekomen sloot hij zich aan bij het geallieerde leger. Daar werd hij opgeleid tot tolk, omdat hij een aardig mondje Duits, Frans en Engels kon. Hij trok met het leger op naar nazi-Duitsland en was getuige van de bevrijding van het concentratiekamp Bergen-Belsen en van de arrestatie van SS-topman Heinrich Himmler.

Na de oorlog dreigde hij even in een normaal bestaan terug te vallen: hij hielp zijn vader korte tijd in de bakkerij, maar hij ging al snel als leerling-verslaggever bij de NCRV terecht, een iets spannender bestaan. Tijdens een personeelsavond bleek zijn komische talent, wat ertoe leidde dat hij voor de NCRV-radio als komiek en hoorspelacteur werd ingezet. Later was hij ook te horen bij de KRO en de VARA. Eén seizoen, 1949-1949, maakte hij onderdeel uit van Wim Kans ABC Cabaret, maar Kan was van deze “oproerkraaier” allerminst gecharmeerd.

In 1952 ontmoette hij Johnny Kraaykamp: het duo Johnny en Rijk was geboren. Samen traden ze op bij feesten en partijen. De Gooyer was de aangever van de grappen, Kraaykamp was de schlemiel met de punchline.

Op een gegeven moment vond De Gooyer het wel weer welletjes en ging naar Berlijn om een acteeropleiding te volgen. In die periode, 1959-1960, heeft hij naar eigen zeggen spionagewerk verricht voor de CIA. In het Oost-Berlijnse acteursmilieu moest hij zijn vrienden en collega’s uithoren en aan de CIA rapporteren. Volgens De Gooyer heeft hij in die tijd nooit iemand in de problemen gebracht, vooral omdat hij zijn verslag aan de spionagedienst uit zijn duim zoog. “Ik heb wel namen genoemd, maar die namen waren bij de Yanks allang bekend. Ik vertelde mijn contactpersoon vooral wat ik allemaal deed in Oost-Berlijn en wie ik zag. (…) Ja, dat vonden ze genoeg in het begin, ze waren allang blij dat die contacten er waren. Maar ik vermoedde natuurlijk ook wel dat een moment zou komen dat De Gooyer echt aan de slag moest, dat ik zou moeten infiltreren en dingen moeten doen waar ze echt iets aan hadden.”

Echt doorbreken met zijn acteerwerk deed hij pas toen hij al tegen de vijftig liep in De Inbreker’(1972). Daarna volgden grote en mooie hoofd- en bijrollen in Soldaat van Oranje (1978), Een Vlucht Regenwulpen (1981), Schatjes! (1984), De Avonden (1989) en Madelief: Krassen in het Tafelblad (1998). Niet zelden speelde hij in films de (Duitse) slechterik: “Dat ging me goed af, misschien omdat ik er vele heb gezien. Het is ook altijd leuk om een ploert te spelen. Een held kun je één keer spelen, een ploert kun je wel op dertig manieren doen. In Soldaat van Oranje was ik een lachende ploert. Toen ik na de première aan de toenmalige koningin Juliana werd voorgesteld, riep ze: “O nee, vreselijk man, gaat u weg, gaat u weg!” Prins Bernhard zei: “Hij heeft ’t hiel koet ketaan”.

Nog meer bekendheid verwierf De Gooijer met een reeks commercials, waarvan de one-liners vaste uitdrukkingen werden (“Foutje! Bedankt!”). Hij was ook nog te zien in de zwartgallige komedieserie In Voor- en Tegenspoed, waarin hij vooral zichzelf op dat moment in zijn leven speelde: een oudere, cynische dronkenlap, die het zichzelf en anderen erg moeilijk maakte hem sympathiek te vinden, maar dat toch wel was.

Na het voorjaar van 2001, toen hij in de sportschool een medium-beroerte en daardoor spraakproblemen kreeg, vertoonde hij zich niet of nauwelijks meer op tv en acteerde hij niet meer. Hij stierf op 2 november 2011.

VPRO Marathoninterview - Rijk de Gooyer deel 4

vrijdag 24 augustus 1990, 12:41 uur

Een fenomeen
Hoe vat je Rijk de Gooyers leven in een paar zinnen samen? Niet, er is geen beginnen aan. Acteur, komiek, cabaretier, columnist, avonturier, schrijver, bakker, zanger, spion, reclamemaker, stellvertretend Bürgermeister, kroegtijger – hij blinkt overal in uit. De laatste jaren is het wat rustiger rondom De Gooyer, niet in de laatste plaats omdat hij inmiddels alweer 82 jaar oud is en zijn gezondheid te wensen overlaat. Maar daarvoor deed hij erg vaak van zich spreken. In positieve zin, door bijvoorbeeld drie Gouden Kalveren te winnen voor zijn acteerprestaties, en in negatieve zin, door bijvoorbeeld twee van die drie prestigieuze prijzen uit het raam van een taxi te gooien. Recalcitrant en na een stevige borrel niet te genieten, zo staat hij ook bekend. In de zomer van 1990 sprak Jan Haasbroek vijf uur lang met het fenomeen.

Biografie Rijk de Gooijer
geb. 17 december 1925
Never a dull moment...
Rijk de Gooyer kwam op 17 december 1925 ter wereld als zoon van een gereformeerde bakker en zijn vrouw. Van De Gooyers jeugd is weinig bekend, maar de oorlog maakte van het rustige leventje dat ie tot dan toe in Utrecht leefde abrupt een eind. Hij was 14 toen de oorlog uitbrak en 18 toen hij met een vriend besloot de Waal over te zwemmen om naar het bevrijde Zuiden van Nederland te ontkomen. Die actie was volgens de overlevering onder meer geïnspireerd door de angst dat zijn vader woedend zou zijn omdat hij zijn HBS-B-diploma niet ging halen. Aan de andere rivieroever aangekomen sloot hij zich aan bij het geallieerde leger. Daar werd hij opgeleid tot tolk, omdat hij een aardig mondje Duits, Frans en Engels kon. Hij trok met het leger op naar nazi-Duitsland en was getuige van de bevrijding van het concentratiekamp Bergen-Belsen en van de arrestatie van SS-topman Heinrich Himmler.

Na de oorlog dreigde hij even in een normaal bestaan terug te vallen: hij hielp zijn vader korte tijd in de bakkerij, maar hij ging al snel als leerling-verslaggever bij de NCRV terecht, een iets spannender bestaan. Tijdens een personeelsavond bleek zijn komische talent, wat ertoe leidde dat hij voor de NCRV-radio als komiek en hoorspelacteur werd ingezet. Later was hij ook te horen bij de KRO en de VARA. Eén seizoen, 1949-1949, maakte hij onderdeel uit van Wim Kans ABC Cabaret, maar Kan was van deze “oproerkraaier” allerminst gecharmeerd.

In 1952 ontmoette hij Johnny Kraaykamp: het duo Johnny en Rijk was geboren. Samen traden ze op bij feesten en partijen. De Gooyer was de aangever van de grappen, Kraaykamp was de schlemiel met de punchline.

Op een gegeven moment vond De Gooyer het wel weer welletjes en ging naar Berlijn om een acteeropleiding te volgen. In die periode, 1959-1960, heeft hij naar eigen zeggen spionagewerk verricht voor de CIA. In het Oost-Berlijnse acteursmilieu moest hij zijn vrienden en collega’s uithoren en aan de CIA rapporteren. Volgens De Gooyer heeft hij in die tijd nooit iemand in de problemen gebracht, vooral omdat hij zijn verslag aan de spionagedienst uit zijn duim zoog. “Ik heb wel namen genoemd, maar die namen waren bij de Yanks allang bekend. Ik vertelde mijn contactpersoon vooral wat ik allemaal deed in Oost-Berlijn en wie ik zag. (…) Ja, dat vonden ze genoeg in het begin, ze waren allang blij dat die contacten er waren. Maar ik vermoedde natuurlijk ook wel dat een moment zou komen dat De Gooyer echt aan de slag moest, dat ik zou moeten infiltreren en dingen moeten doen waar ze echt iets aan hadden.”

Echt doorbreken met zijn acteerwerk deed hij pas toen hij al tegen de vijftig liep in De Inbreker’(1972). Daarna volgden grote en mooie hoofd- en bijrollen in Soldaat van Oranje (1978), Een Vlucht Regenwulpen (1981), Schatjes! (1984), De Avonden (1989) en Madelief: Krassen in het Tafelblad (1998). Niet zelden speelde hij in films de (Duitse) slechterik: “Dat ging me goed af, misschien omdat ik er vele heb gezien. Het is ook altijd leuk om een ploert te spelen. Een held kun je één keer spelen, een ploert kun je wel op dertig manieren doen. In Soldaat van Oranje was ik een lachende ploert. Toen ik na de première aan de toenmalige koningin Juliana werd voorgesteld, riep ze: “O nee, vreselijk man, gaat u weg, gaat u weg!” Prins Bernhard zei: “Hij heeft ’t hiel koet ketaan”.

Nog meer bekendheid verwierf De Gooijer met een reeks commercials, waarvan de one-liners vaste uitdrukkingen werden (“Foutje! Bedankt!”). Hij was ook nog te zien in de zwartgallige komedieserie In Voor- en Tegenspoed, waarin hij vooral zichzelf op dat moment in zijn leven speelde: een oudere, cynische dronkenlap, die het zichzelf en anderen erg moeilijk maakte hem sympathiek te vinden, maar dat toch wel was.

Na het voorjaar van 2001, toen hij in de sportschool een medium-beroerte en daardoor spraakproblemen kreeg, vertoonde hij zich niet of nauwelijks meer op tv en acteerde hij niet meer. Hij stierf op 2 november 2011.

VPRO Marathoninterview - Rijk de Gooyer deel 3

vrijdag 24 augustus 1990, 12:35 uur

Een fenomeen
Hoe vat je Rijk de Gooyers leven in een paar zinnen samen? Niet, er is geen beginnen aan. Acteur, komiek, cabaretier, columnist, avonturier, schrijver, bakker, zanger, spion, reclamemaker, stellvertretend Bürgermeister, kroegtijger – hij blinkt overal in uit. De laatste jaren is het wat rustiger rondom De Gooyer, niet in de laatste plaats omdat hij inmiddels alweer 82 jaar oud is en zijn gezondheid te wensen overlaat. Maar daarvoor deed hij erg vaak van zich spreken. In positieve zin, door bijvoorbeeld drie Gouden Kalveren te winnen voor zijn acteerprestaties, en in negatieve zin, door bijvoorbeeld twee van die drie prestigieuze prijzen uit het raam van een taxi te gooien. Recalcitrant en na een stevige borrel niet te genieten, zo staat hij ook bekend. In de zomer van 1990 sprak Jan Haasbroek vijf uur lang met het fenomeen.

Biografie Rijk de Gooijer
geb. 17 december 1925
Never a dull moment...
Rijk de Gooyer kwam op 17 december 1925 ter wereld als zoon van een gereformeerde bakker en zijn vrouw. Van De Gooyers jeugd is weinig bekend, maar de oorlog maakte van het rustige leventje dat ie tot dan toe in Utrecht leefde abrupt een eind. Hij was 14 toen de oorlog uitbrak en 18 toen hij met een vriend besloot de Waal over te zwemmen om naar het bevrijde Zuiden van Nederland te ontkomen. Die actie was volgens de overlevering onder meer geïnspireerd door de angst dat zijn vader woedend zou zijn omdat hij zijn HBS-B-diploma niet ging halen. Aan de andere rivieroever aangekomen sloot hij zich aan bij het geallieerde leger. Daar werd hij opgeleid tot tolk, omdat hij een aardig mondje Duits, Frans en Engels kon. Hij trok met het leger op naar nazi-Duitsland en was getuige van de bevrijding van het concentratiekamp Bergen-Belsen en van de arrestatie van SS-topman Heinrich Himmler.

Na de oorlog dreigde hij even in een normaal bestaan terug te vallen: hij hielp zijn vader korte tijd in de bakkerij, maar hij ging al snel als leerling-verslaggever bij de NCRV terecht, een iets spannender bestaan. Tijdens een personeelsavond bleek zijn komische talent, wat ertoe leidde dat hij voor de NCRV-radio als komiek en hoorspelacteur werd ingezet. Later was hij ook te horen bij de KRO en de VARA. Eén seizoen, 1949-1949, maakte hij onderdeel uit van Wim Kans ABC Cabaret, maar Kan was van deze “oproerkraaier” allerminst gecharmeerd.

In 1952 ontmoette hij Johnny Kraaykamp: het duo Johnny en Rijk was geboren. Samen traden ze op bij feesten en partijen. De Gooyer was de aangever van de grappen, Kraaykamp was de schlemiel met de punchline.

Op een gegeven moment vond De Gooyer het wel weer welletjes en ging naar Berlijn om een acteeropleiding te volgen. In die periode, 1959-1960, heeft hij naar eigen zeggen spionagewerk verricht voor de CIA. In het Oost-Berlijnse acteursmilieu moest hij zijn vrienden en collega’s uithoren en aan de CIA rapporteren. Volgens De Gooyer heeft hij in die tijd nooit iemand in de problemen gebracht, vooral omdat hij zijn verslag aan de spionagedienst uit zijn duim zoog. “Ik heb wel namen genoemd, maar die namen waren bij de Yanks allang bekend. Ik vertelde mijn contactpersoon vooral wat ik allemaal deed in Oost-Berlijn en wie ik zag. (…) Ja, dat vonden ze genoeg in het begin, ze waren allang blij dat die contacten er waren. Maar ik vermoedde natuurlijk ook wel dat een moment zou komen dat De Gooyer echt aan de slag moest, dat ik zou moeten infiltreren en dingen moeten doen waar ze echt iets aan hadden.”

Echt doorbreken met zijn acteerwerk deed hij pas toen hij al tegen de vijftig liep in De Inbreker’(1972). Daarna volgden grote en mooie hoofd- en bijrollen in Soldaat van Oranje (1978), Een Vlucht Regenwulpen (1981), Schatjes! (1984), De Avonden (1989) en Madelief: Krassen in het Tafelblad (1998). Niet zelden speelde hij in films de (Duitse) slechterik: “Dat ging me goed af, misschien omdat ik er vele heb gezien. Het is ook altijd leuk om een ploert te spelen. Een held kun je één keer spelen, een ploert kun je wel op dertig manieren doen. In Soldaat van Oranje was ik een lachende ploert. Toen ik na de première aan de toenmalige koningin Juliana werd voorgesteld, riep ze: “O nee, vreselijk man, gaat u weg, gaat u weg!” Prins Bernhard zei: “Hij heeft ’t hiel koet ketaan”.

Nog meer bekendheid verwierf De Gooijer met een reeks commercials, waarvan de one-liners vaste uitdrukkingen werden (“Foutje! Bedankt!”). Hij was ook nog te zien in de zwartgallige komedieserie In Voor- en Tegenspoed, waarin hij vooral zichzelf op dat moment in zijn leven speelde: een oudere, cynische dronkenlap, die het zichzelf en anderen erg moeilijk maakte hem sympathiek te vinden, maar dat toch wel was.

Na het voorjaar van 2001, toen hij in de sportschool een medium-beroerte en daardoor spraakproblemen kreeg, vertoonde hij zich niet of nauwelijks meer op tv en acteerde hij niet meer. Hij stierf op 2 november 2011.

Rijk de Gooyer deel 2

vrijdag 24 augustus 1990, 12:31 uur

Een fenomeen
Hoe vat je Rijk de Gooyers leven in een paar zinnen samen? Niet, er is geen beginnen aan. Acteur, komiek, cabaretier, columnist, avonturier, schrijver, bakker, zanger, spion, reclamemaker, stellvertretend Bürgermeister, kroegtijger – hij blinkt overal in uit. De laatste jaren is het wat rustiger rondom De Gooyer, niet in de laatste plaats omdat hij inmiddels alweer 82 jaar oud is en zijn gezondheid te wensen overlaat. Maar daarvoor deed hij erg vaak van zich spreken. In positieve zin, door bijvoorbeeld drie Gouden Kalveren te winnen voor zijn acteerprestaties, en in negatieve zin, door bijvoorbeeld twee van die drie prestigieuze prijzen uit het raam van een taxi te gooien. Recalcitrant en na een stevige borrel niet te genieten, zo staat hij ook bekend. In de zomer van 1990 sprak Jan Haasbroek vijf uur lang met het fenomeen.

Biografie Rijk de Gooijer
geb. 17 december 1925
Never a dull moment...
Rijk de Gooyer kwam op 17 december 1925 ter wereld als zoon van een gereformeerde bakker en zijn vrouw. Van De Gooyers jeugd is weinig bekend, maar de oorlog maakte van het rustige leventje dat ie tot dan toe in Utrecht leefde abrupt een eind. Hij was 14 toen de oorlog uitbrak en 18 toen hij met een vriend besloot de Waal over te zwemmen om naar het bevrijde Zuiden van Nederland te ontkomen. Die actie was volgens de overlevering onder meer geïnspireerd door de angst dat zijn vader woedend zou zijn omdat hij zijn HBS-B-diploma niet ging halen. Aan de andere rivieroever aangekomen sloot hij zich aan bij het geallieerde leger. Daar werd hij opgeleid tot tolk, omdat hij een aardig mondje Duits, Frans en Engels kon. Hij trok met het leger op naar nazi-Duitsland en was getuige van de bevrijding van het concentratiekamp Bergen-Belsen en van de arrestatie van SS-topman Heinrich Himmler.

Na de oorlog dreigde hij even in een normaal bestaan terug te vallen: hij hielp zijn vader korte tijd in de bakkerij, maar hij ging al snel als leerling-verslaggever bij de NCRV terecht, een iets spannender bestaan. Tijdens een personeelsavond bleek zijn komische talent, wat ertoe leidde dat hij voor de NCRV-radio als komiek en hoorspelacteur werd ingezet. Later was hij ook te horen bij de KRO en de VARA. Eén seizoen, 1949-1949, maakte hij onderdeel uit van Wim Kans ABC Cabaret, maar Kan was van deze “oproerkraaier” allerminst gecharmeerd.

In 1952 ontmoette hij Johnny Kraaykamp: het duo Johnny en Rijk was geboren. Samen traden ze op bij feesten en partijen. De Gooyer was de aangever van de grappen, Kraaykamp was de schlemiel met de punchline.

Op een gegeven moment vond De Gooyer het wel weer welletjes en ging naar Berlijn om een acteeropleiding te volgen. In die periode, 1959-1960, heeft hij naar eigen zeggen spionagewerk verricht voor de CIA. In het Oost-Berlijnse acteursmilieu moest hij zijn vrienden en collega’s uithoren en aan de CIA rapporteren. Volgens De Gooyer heeft hij in die tijd nooit iemand in de problemen gebracht, vooral omdat hij zijn verslag aan de spionagedienst uit zijn duim zoog. “Ik heb wel namen genoemd, maar die namen waren bij de Yanks allang bekend. Ik vertelde mijn contactpersoon vooral wat ik allemaal deed in Oost-Berlijn en wie ik zag. (…) Ja, dat vonden ze genoeg in het begin, ze waren allang blij dat die contacten er waren. Maar ik vermoedde natuurlijk ook wel dat een moment zou komen dat De Gooyer echt aan de slag moest, dat ik zou moeten infiltreren en dingen moeten doen waar ze echt iets aan hadden.”

Echt doorbreken met zijn acteerwerk deed hij pas toen hij al tegen de vijftig liep in De Inbreker’(1972). Daarna volgden grote en mooie hoofd- en bijrollen in Soldaat van Oranje (1978), Een Vlucht Regenwulpen (1981), Schatjes! (1984), De Avonden (1989) en Madelief: Krassen in het Tafelblad (1998). Niet zelden speelde hij in films de (Duitse) slechterik: “Dat ging me goed af, misschien omdat ik er vele heb gezien. Het is ook altijd leuk om een ploert te spelen. Een held kun je één keer spelen, een ploert kun je wel op dertig manieren doen. In Soldaat van Oranje was ik een lachende ploert. Toen ik na de première aan de toenmalige koningin Juliana werd voorgesteld, riep ze: “O nee, vreselijk man, gaat u weg, gaat u weg!” Prins Bernhard zei: “Hij heeft ’t hiel koet ketaan”.

Nog meer bekendheid verwierf De Gooijer met een reeks commercials, waarvan de one-liners vaste uitdrukkingen werden (“Foutje! Bedankt!”). Hij was ook nog te zien in de zwartgallige komedieserie In Voor- en Tegenspoed, waarin hij vooral zichzelf op dat moment in zijn leven speelde: een oudere, cynische dronkenlap, die het zichzelf en anderen erg moeilijk maakte hem sympathiek te vinden, maar dat toch wel was.

Na het voorjaar van 2001, toen hij in de sportschool een medium-beroerte en daardoor spraakproblemen kreeg, vertoonde hij zich niet of nauwelijks meer op tv en acteerde hij niet meer. Hij stierf op 2 november 2011.

Rijk de Gooyer deel 1

vrijdag 24 augustus 1990, 12:29 uur

Een fenomeen

Hoe vat je Rijk de Gooyers leven in een paar zinnen samen? Niet, er is geen beginnen aan. Acteur, komiek, cabaretier, columnist, avonturier, schrijver, bakker, zanger, spion, reclamemaker, stellvertretend Bürgermeister, kroegtijger – hij blinkt overal in uit. De laatste jaren is het wat rustiger rondom De Gooyer, niet in de laatste plaats omdat hij inmiddels alweer 82 jaar oud is en zijn gezondheid te wensen overlaat. Maar daarvoor deed hij erg vaak van zich spreken. In positieve zin, door bijvoorbeeld drie Gouden Kalveren te winnen voor zijn acteerprestaties, en in negatieve zin, door bijvoorbeeld twee van die drie prestigieuze prijzen uit het raam van een taxi te gooien. Recalcitrant en na een stevige borrel niet te genieten, zo staat hij ook bekend. In de zomer van 1990 sprak Jan Haasbroek vijf uur lang met het fenomeen.
-----------------------------------------------------------

Biografie Rijk de Gooijer

Never a dull moment...

Rijk de Gooyer kwam op 17 december 1925 ter wereld als zoon van een gereformeerde bakker en zijn vrouw. Van De Gooyers jeugd is weinig bekend, maar de oorlog maakte van het rustige leventje dat ie tot dan toe in Utrecht leefde abrupt een eind. Hij was 14 toen de oorlog uitbrak en 18 toen hij met een vriend besloot de Waal over te zwemmen om naar het bevrijde Zuiden van Nederland te ontkomen. Die actie was volgens de overlevering onder meer geïnspireerd door de angst dat zijn vader woedend zou zijn omdat hij zijn HBS-B-diploma niet ging halen. Aan de andere rivieroever aangekomen sloot hij zich aan bij het geallieerde leger. Daar werd hij opgeleid tot tolk, omdat hij een aardig mondje Duits, Frans en Engels kon. Hij trok met het leger op naar nazi-Duitsland en was getuige van de bevrijding van het concentratiekamp Bergen-Belsen en van de arrestatie van SS-topman Heinrich Himmler.

Na de oorlog dreigde hij even in een normaal bestaan terug te vallen: hij hielp zijn vader korte tijd in de bakkerij, maar hij ging al snel als leerling-verslaggever bij de NCRV terecht, een iets spannender bestaan. Tijdens een personeelsavond bleek zijn komische talent, wat ertoe leidde dat hij voor de NCRV-radio als komiek en hoorspelacteur werd ingezet. Later was hij ook te horen bij de KRO en de VARA. Eén seizoen, 1949-1949, maakte hij onderdeel uit van Wim Kans ABC Cabaret, maar Kan was van deze “oproerkraaier” allerminst gecharmeerd.

In 1952 ontmoette hij Johnny Kraaykamp: het duo Johnny en Rijk was geboren. Samen traden ze op bij feesten en partijen. De Gooyer was de aangever van de grappen, Kraaykamp was de schlemiel met de punchline.

Op een gegeven moment vond De Gooyer het wel weer welletjes en ging naar Berlijn om een acteeropleiding te volgen. In die periode, 1959-1960, heeft hij naar eigen zeggen spionagewerk verricht voor de CIA. In het Oost-Berlijnse acteursmilieu moest hij zijn vrienden en collega’s uithoren en aan de CIA rapporteren. Volgens De Gooyer heeft hij in die tijd nooit iemand in de problemen gebracht, vooral omdat hij zijn verslag aan de spionagedienst uit zijn duim zoog. “Ik heb wel namen genoemd, maar die namen waren bij de Yanks allang bekend. Ik vertelde mijn contactpersoon vooral wat ik allemaal deed in Oost-Berlijn en wie ik zag. (…) Ja, dat vonden ze genoeg in het begin, ze waren allang blij dat die contacten er waren. Maar ik vermoedde natuurlijk ook wel dat een moment zou komen dat De Gooyer echt aan de slag moest, dat ik zou moeten infiltreren en dingen moeten doen waar ze echt iets aan hadden.”

Echt doorbreken met zijn acteerwerk deed hij pas toen hij al tegen de vijftig liep in De Inbreker’(1972). Daarna volgden grote en mooie hoofd- en bijrollen in Soldaat van Oranje (1978), Een Vlucht Regenwulpen (1981), Schatjes! (1984), De Avonden (1989) en Madelief: Krassen in het Tafelblad (1998). Niet zelden speelde hij in films de (Duitse) slechterik: “Dat ging me goed af, misschien omdat ik er vele heb gezien. Het is ook altijd leuk om een ploert te spelen. Een held kun je één keer spelen, een ploert kun je wel op dertig manieren doen. In Soldaat van Oranje was ik een lachende ploert. Toen ik na de première aan de toenmalige koningin Juliana werd voorgesteld, riep ze: “O nee, vreselijk man, gaat u weg, gaat u weg!” Prins Bernhard zei: “Hij heeft ’t hiel koet ketaan”.

Nog meer bekendheid verwierf De Gooijer met een reeks commercials, waarvan de one-liners vaste uitdrukkingen werden (“Foutje! Bedankt!”). Hij was ook nog te zien in de zwartgallige komedieserie In Voor- en Tegenspoed, waarin hij vooral zichzelf op dat moment in zijn leven speelde: een oudere, cynische dronkenlap, die het zichzelf en anderen erg moeilijk maakte hem sympathiek te vinden, maar dat toch wel was.

Na het voorjaar van 2001, toen hij in de sportschool een medium-beroerte en daardoor spraakproblemen kreeg, vertoonde hij zich niet of nauwelijks meer op tv en acteerde hij niet meer. Hij stierf op 2 november 2011.

VPRO Marathoninterview - Jan Siebelink deel 3

vrijdag 17 augustus 1990, 10:29 uur

In 1990 al door ons ontdekt

Jan Siebelink brak in 2005 op 67-jarige leeftijd bij een groot publiek door met het boek “Knielen op een Bed Violen”, maar bij de VPRO stond hij al in 1990 op 17 augustus in de schijnwerpers.
John Jansen van Galen sprak vier uur lang met zijn goede vriend, de schrijver die op dat moment al - in kleinere kring - succes had geoogst met De Herfst zal Schitterend zijn (1980) en De Overkant van de Rivier (1990).
Die boeken zijn maar een fractie van wat hij aan romans, essays en verhalen schreef. Een groot deel daarvan is tijdens het lesgeven en corrigeren van proefwerken Frans tot stand gekomen, want Siebelink heeft lang Frans gegeven op de middelbare school.
-------------------------------------

Biografie Jan Siebelink

Een kind van zijn vader

Jan Geurt Siebelink werd op 13 februari 1938 in het Gelders Velp geboren. Zoals de thematiek van veel van zijn boeken al deed vermoeden, stond zijn jeugd in het teken van de bekering van zijn vader. Na een hemels visioen sloot de oude Siebelink zich aan bij een streng orthodox-christelijke groepering, die zich baseerde op de leer van Jan Pieter Paauwe. Die leer verkondigde dat de waarheid niet in de kerken werd gepredikt. De kerken, ook de Hervormde en Gereformeerder, werden dan ook zeer gewantrouwd in huize Siebelink.

Het gezin runde een bloemisterij/kwekerij, zonder veel succes; het was sappelen. In Knielen op een bed violen verwaarloost de vader zijn gezin en kwekerij, omdat hij zich in het geloof verliest. Dat element uit de roman is autobiografisch. Toch draagt Siebelink zijn vader op handen: “Mijn jeugd is één groot geluk geweest. Ik ben dankbaar voor de ouders die ik heb gekregen. Ik mis ze zeer. Door over mijn vader en moeder te schrijven lukt het mij ze een beetje terug te halen. Het wonder dat aan mijn vader is geschied op de kwekerij is mij dus in zekere zin ook overkomen: ik heb de kracht gekregen om Knielen op een bed violen te kunnen schrijven.”

Na de Openbare Lagers School – de christelijke school werd door vader te licht bevonden – en de ulo ging Siebelink naar de kweekschool. Hij werd onderwijzer in Laag-Soeren, maar studeerde Franse taal- en letterkunde in zijn vrije tijd. Hij vertaalde de roman A rebours van de Franse auteur van Nederlandse afkomst J.-K. Huysmans en gaf het de titel Tegen de Keer. Daarna begon hij zelf te schrijven. Vanaf het begin van zijn schrijversloopbaan speelt zijn jeugd een voorname rol. Het eerste verhaal dat hij schreef – Witte Chrysanten, dat later onderdeel werd van zijn eerste roman Nachtschade – gaat over de wraak op de bloemwinkelier die de vader vernederde. Er volgden dertig boeken, waarvan de bekendste De herfst zal schitterend zijn, De overkant van de rivier, Vera, Margaretha, En joeg de vos door het staande koren en de bestseller Knielen op een bed violen.

Die doorbraak kwam in 2005, toen Siebelink 67 was. Het boek won de AKO-literatuurprijs, wat in een verkoop van meer dan 400.000 exemplaren resulteerde. Dat bleek ook goed voor de verkoop van zijn andere titels: Jan Siebelink bleek hot. Waar die interesse voor godsdienstige zeloten vandaan komt? Kennelijk zijn er in Nederland veel mensen met zo’n achtergrond. Maar inmiddels reikt de populariteit van Knielen op een bed violen ook over de landsgrenzen. In Duitsland is het boek ook een ongekend succes. In 2008 zal het boek nog in het Italiaans, Portugees en het Zuid-Afrikaans vertaald worden.

Maar in 1990 was dat succes alleen in kleine kring geboekt. John Jansen van Galen had in ieder geval al wel van hem gehoord.

Jan Siebelink deel 2

vrijdag 17 augustus 1990, 10:26 uur

In 1990 al door ons ontdekt

Jan Siebelink brak in 2005 op 67-jarige leeftijd bij een groot publiek door met het boek “Knielen op een Bed Violen”, maar bij de VPRO stond hij al in 1990 op 17 augustus in de schijnwerpers.
John Jansen van Galen sprak vier uur lang met zijn goede vriend, de schrijver die op dat moment al - in kleinere kring - succes had geoogst met De Herfst zal Schitterend zijn (1980) en De Overkant van de Rivier (1990).
Die boeken zijn maar een fractie van wat hij aan romans, essays en verhalen schreef. Een groot deel daarvan is tijdens het lesgeven en corrigeren van proefwerken Frans tot stand gekomen, want Siebelink heeft lang Frans gegeven op de middelbare school.
-------------------------------------

Biografie Jan Siebelink

Een kind van zijn vader

Jan Geurt Siebelink werd op 13 februari 1938 in het Gelders Velp geboren. Zoals de thematiek van veel van zijn boeken al deed vermoeden, stond zijn jeugd in het teken van de bekering van zijn vader. Na een hemels visioen sloot de oude Siebelink zich aan bij een streng orthodox-christelijke groepering, die zich baseerde op de leer van Jan Pieter Paauwe. Die leer verkondigde dat de waarheid niet in de kerken werd gepredikt. De kerken, ook de Hervormde en Gereformeerder, werden dan ook zeer gewantrouwd in huize Siebelink.

Het gezin runde een bloemisterij/kwekerij, zonder veel succes; het was sappelen. In Knielen op een bed violen verwaarloost de vader zijn gezin en kwekerij, omdat hij zich in het geloof verliest. Dat element uit de roman is autobiografisch. Toch draagt Siebelink zijn vader op handen: “Mijn jeugd is één groot geluk geweest. Ik ben dankbaar voor de ouders die ik heb gekregen. Ik mis ze zeer. Door over mijn vader en moeder te schrijven lukt het mij ze een beetje terug te halen. Het wonder dat aan mijn vader is geschied op de kwekerij is mij dus in zekere zin ook overkomen: ik heb de kracht gekregen om Knielen op een bed violen te kunnen schrijven.”

Na de Openbare Lagers School – de christelijke school werd door vader te licht bevonden – en de ulo ging Siebelink naar de kweekschool. Hij werd onderwijzer in Laag-Soeren, maar studeerde Franse taal- en letterkunde in zijn vrije tijd. Hij vertaalde de roman A rebours van de Franse auteur van Nederlandse afkomst J.-K. Huysmans en gaf het de titel Tegen de Keer. Daarna begon hij zelf te schrijven. Vanaf het begin van zijn schrijversloopbaan speelt zijn jeugd een voorname rol. Het eerste verhaal dat hij schreef – Witte Chrysanten, dat later onderdeel werd van zijn eerste roman Nachtschade – gaat over de wraak op de bloemwinkelier die de vader vernederde. Er volgden dertig boeken, waarvan de bekendste De herfst zal schitterend zijn, De overkant van de rivier, Vera, Margaretha, En joeg de vos door het staande koren en de bestseller Knielen op een bed violen.

Die doorbraak kwam in 2005, toen Siebelink 67 was. Het boek won de AKO-literatuurprijs, wat in een verkoop van meer dan 400.000 exemplaren resulteerde. Dat bleek ook goed voor de verkoop van zijn andere titels: Jan Siebelink bleek hot. Waar die interesse voor godsdienstige zeloten vandaan komt? Kennelijk zijn er in Nederland veel mensen met zo’n achtergrond. Maar inmiddels reikt de populariteit van Knielen op een bed violen ook over de landsgrenzen. In Duitsland is het boek ook een ongekend succes. In 2008 zal het boek nog in het Italiaans, Portugees en het Zuid-Afrikaans vertaald worden.

Maar in 1990 was dat succes alleen in kleine kring geboekt. John Jansen van Galen had in ieder geval al wel van hem gehoord.

VPRO Marathoninterview - Jan Siebelink deel 1

vrijdag 17 augustus 1990, 10:23 uur

In 1990 al door ons ontdekt

Jan Siebelink brak in 2005 op 67-jarige leeftijd bij een groot publiek door met het boek “Knielen op een Bed Violen”, maar bij de VPRO stond hij al in 1990 op 17 augustus in de schijnwerpers.
John Jansen van Galen sprak vier uur lang met zijn goede vriend, de schrijver die op dat moment al - in kleinere kring - succes had geoogst met De Herfst zal Schitterend zijn (1980) en De Overkant van de Rivier (1990).
Die boeken zijn maar een fractie van wat hij aan romans, essays en verhalen schreef. Een groot deel daarvan is tijdens het lesgeven en corrigeren van proefwerken Frans tot stand gekomen, want Siebelink heeft lang Frans gegeven op de middelbare school.
-------------------------------------

Biografie Jan Siebelink

Een kind van zijn vader

Jan Geurt Siebelink werd op 13 februari 1938 in het Gelders Velp geboren. Zoals de thematiek van veel van zijn boeken al deed vermoeden, stond zijn jeugd in het teken van de bekering van zijn vader. Na een hemels visioen sloot de oude Siebelink zich aan bij een streng orthodox-christelijke groepering, die zich baseerde op de leer van Jan Pieter Paauwe. Die leer verkondigde dat de waarheid niet in de kerken werd gepredikt. De kerken, ook de Hervormde en Gereformeerder, werden dan ook zeer gewantrouwd in huize Siebelink.

Het gezin runde een bloemisterij/kwekerij, zonder veel succes; het was sappelen. In Knielen op een bed violen verwaarloost de vader zijn gezin en kwekerij, omdat hij zich in het geloof verliest. Dat element uit de roman is autobiografisch. Toch draagt Siebelink zijn vader op handen: “Mijn jeugd is één groot geluk geweest. Ik ben dankbaar voor de ouders die ik heb gekregen. Ik mis ze zeer. Door over mijn vader en moeder te schrijven lukt het mij ze een beetje terug te halen. Het wonder dat aan mijn vader is geschied op de kwekerij is mij dus in zekere zin ook overkomen: ik heb de kracht gekregen om Knielen op een bed violen te kunnen schrijven.”

Na de Openbare Lagers School – de christelijke school werd door vader te licht bevonden – en de ulo ging Siebelink naar de kweekschool. Hij werd onderwijzer in Laag-Soeren, maar studeerde Franse taal- en letterkunde in zijn vrije tijd. Hij vertaalde de roman A rebours van de Franse auteur van Nederlandse afkomst J.-K. Huysmans en gaf het de titel Tegen de Keer. Daarna begon hij zelf te schrijven. Vanaf het begin van zijn schrijversloopbaan speelt zijn jeugd een voorname rol. Het eerste verhaal dat hij schreef – Witte Chrysanten, dat later onderdeel werd van zijn eerste roman Nachtschade – gaat over de wraak op de bloemwinkelier die de vader vernederde. Er volgden dertig boeken, waarvan de bekendste De herfst zal schitterend zijn, De overkant van de rivier, Vera, Margaretha, En joeg de vos door het staande koren en de bestseller Knielen op een bed violen.

Die doorbraak kwam in 2005, toen Siebelink 67 was. Het boek won de AKO-literatuurprijs, wat in een verkoop van meer dan 400.000 exemplaren resulteerde. Dat bleek ook goed voor de verkoop van zijn andere titels: Jan Siebelink bleek hot. Waar die interesse voor godsdienstige zeloten vandaan komt? Kennelijk zijn er in Nederland veel mensen met zo’n achtergrond. Maar inmiddels reikt de populariteit van Knielen op een bed violen ook over de landsgrenzen. In Duitsland is het boek ook een ongekend succes. In 2008 zal het boek nog in het Italiaans, Portugees en het Zuid-Afrikaans vertaald worden.

Maar in 1990 was dat succes alleen in kleine kring geboekt. John Jansen van Galen had in ieder geval al wel van hem gehoord.

Jan Siebelink deel 4

donderdag 16 augustus 1990, 22:00 uur

In 1990 al door ons ontdekt

Jan Siebelink brak in 2005 op 67-jarige leeftijd bij een groot publiek door met het boek “Knielen op een Bed Violen”, maar bij de VPRO stond hij al in 1990 op 17 augustus in de schijnwerpers.
John Jansen van Galen sprak vier uur lang met zijn goede vriend, de schrijver die op dat moment al - in kleinere kring - succes had geoogst met De Herfst zal Schitterend zijn (1980) en De Overkant van de Rivier (1990).
Die boeken zijn maar een fractie van wat hij aan romans, essays en verhalen schreef. Een groot deel daarvan is tijdens het lesgeven en corrigeren van proefwerken Frans tot stand gekomen, want Siebelink heeft lang Frans gegeven op de middelbare school.
-------------------------------------

Biografie Jan Siebelink

Een kind van zijn vader

Jan Geurt Siebelink werd op 13 februari 1938 in het Gelders Velp geboren. Zoals de thematiek van veel van zijn boeken al deed vermoeden, stond zijn jeugd in het teken van de bekering van zijn vader. Na een hemels visioen sloot de oude Siebelink zich aan bij een streng orthodox-christelijke groepering, die zich baseerde op de leer van Jan Pieter Paauwe. Die leer verkondigde dat de waarheid niet in de kerken werd gepredikt. De kerken, ook de Hervormde en Gereformeerder, werden dan ook zeer gewantrouwd in huize Siebelink.

Het gezin runde een bloemisterij/kwekerij, zonder veel succes; het was sappelen. In Knielen op een bed violen verwaarloost de vader zijn gezin en kwekerij, omdat hij zich in het geloof verliest. Dat element uit de roman is autobiografisch. Toch draagt Siebelink zijn vader op handen: “Mijn jeugd is één groot geluk geweest. Ik ben dankbaar voor de ouders die ik heb gekregen. Ik mis ze zeer. Door over mijn vader en moeder te schrijven lukt het mij ze een beetje terug te halen. Het wonder dat aan mijn vader is geschied op de kwekerij is mij dus in zekere zin ook overkomen: ik heb de kracht gekregen om Knielen op een bed violen te kunnen schrijven.”

Na de Openbare Lagers School – de christelijke school werd door vader te licht bevonden – en de ulo ging Siebelink naar de kweekschool. Hij werd onderwijzer in Laag-Soeren, maar studeerde Franse taal- en letterkunde in zijn vrije tijd. Hij vertaalde de roman A rebours van de Franse auteur van Nederlandse afkomst J.-K. Huysmans en gaf het de titel Tegen de Keer. Daarna begon hij zelf te schrijven. Vanaf het begin van zijn schrijversloopbaan speelt zijn jeugd een voorname rol. Het eerste verhaal dat hij schreef – Witte Chrysanten, dat later onderdeel werd van zijn eerste roman Nachtschade – gaat over de wraak op de bloemwinkelier die de vader vernederde. Er volgden dertig boeken, waarvan de bekendste De herfst zal schitterend zijn, De overkant van de rivier, Vera, Margaretha, En joeg de vos door het staande koren en de bestseller Knielen op een bed violen.

Die doorbraak kwam in 2005, toen Siebelink 67 was. Het boek won de AKO-literatuurprijs, wat in een verkoop van meer dan 400.000 exemplaren resulteerde. Dat bleek ook goed voor de verkoop van zijn andere titels: Jan Siebelink bleek hot. Waar die interesse voor godsdienstige zeloten vandaan komt? Kennelijk zijn er in Nederland veel mensen met zo’n achtergrond. Maar inmiddels reikt de populariteit van Knielen op een bed violen ook over de landsgrenzen. In Duitsland is het boek ook een ongekend succes. In 2008 zal het boek nog in het Italiaans, Portugees en het Zuid-Afrikaans vertaald worden.

Maar in 1990 was dat succes alleen in kleine kring geboekt. John Jansen van Galen had in ieder geval al wel van hem gehoord.

VPRO Marathoninterview - Louis Lehmann deel 5

vrijdag 10 augustus 1990, 10:14 uur

Gij zult niet bloemlezen

Aan bloemlezen heeft Louis Th. Lehmann een broertje dood. En omdat hij tussen 1966 en 1996 geen dichtbundel publiceerde en herdrukken tegenhield, was zijn dichtwerk, tot groot ongenoegen van de kenners, wat in de vergetelheid geraakt. Niet dat hij zijn leven daarmee in ledigheid doorbracht. Hij is jurist en archeoloog, schreef romans, essays, recensies en vertalingen. Daarnaast heeft hij jarenlang een muziekrubriek gehad bij de VPRO-radio.

Op 10 augustus 1990 was de 69-jarige Lehmann te gast in het Marathoninterview. Zijn interviewer heet Wim Noordhoek, zelf geen mindere legende. Luistert u hier naar het vijf uur durende interview.

Biografie van Louis Theodorus Lehmann
19 augustus 1920 te Rotterdam
Een wonderkind
Louis Theodorus Lehmann werd op 19 augustus 1920 in Rotterdam geboren. Zijn vader was kapitein in de koopvaardij. Zijn moeder voedde hem naar eigen zeggen nogal geisoleerd op: “In mijn jeugd dacht ik: volwassenen doen de dingen op een bepaalde manier, en ik ben geen volwassene. Het gekke is, op mijn tachtigste ben ik dat idee nog steeds niet helemaal kwijt. Heel vervreemdend. Andere mensen zijn volwassen en weten hoe het moet. Ik niet.”

Al op 19-jarige leeftijd publiceerde hij voor het eerst zijn gedichten in Groot Nederland en het jongerenblad Werk. Een jaar later verschijnt zijn eerste dichtbundel Subjectieve reportage. Een wonderkind, aldus Simon Vestdijk. De beroemde essayist en literatuurcriticus Menno ter Braak stak zijn bewondering voor de piepjonge dichter ook niet onder stoelen of banken. Ter Braak reageerde op Lehmanns gedichten met de uitdrukking dat de debutant “op twintigjarige leeftijd met een astrale volmaaktheid als een meteoor onze literatuur binnen [is] komen vallen.”

Maar met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog komt Lehmanns loopbaan tot een voorlopige stilstand. Tijdens de oorlog zet hij zich aan het vertalen en studeren en een paar publicaties van zijn gedichten. Maar de productie stokt. “Kijk, ik mijn leven is door de bezetting een rare breuk gekomen. De oorlog kwam op een moment dat ik als negentienjarige overal te jong voor werd gevonden, en toen die was afgelopen, leek het alsof ik overal te oud voor was.” In 1947 volgde zijn Verzamelde Gedichten, zonder dat hij daar nou zelf mee te maken te hebben gehad. Zijn leeftijd en het feit dat zijn gedichten al in een verzameld werk, terwijl hem dat totaal koud liet, zorgde voor mythevorming rond de dichter.

Lehmann is wel de dichter van het banale genoemd. Een voorbeeld:

Al kan ik mij soms zwaar bezinnen,
Het avontuur van vuur en dood, o
Ik ken het best, daar raast het binnen
Op een vuurrode brandweerauto

En:

Piep./Piep./Piep?/Piep./ Piep./Piep,piep!/… Piep?/Piep./Piep, piep, piep./Lievier tierks dien pieps!/ Jiep./Piep, piep, piep?/Piep…

Van dichten komt het daarna lange tijd niet. Hij studeerde Rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden en Archeologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Vooral op dat laatste terrein onderscheidt hij zich (enigszins). Hij verwierf een internationale reputatie als scheepsarcheoloog. Hij publiceerde veel over galeischepen en promoveerde in 1996 op de zogeheten multiremen (Griekse en Romeinse oorlogsschepen met meer rijen riemen boven elkaar).

Pas in de jaren zestig komt hij eerst met het bejubelde Who’s who in Whatland, waar hij in 1964 de Jan Campertprijs voor krijgt, en twee jaar later met Luxe. Een poëtische pauze van ruim dertig jaar volgt. Zijn weigering om in bloemlezingen te verschijnen, zorgde haast voor de vergetelheid. Ten tijde van het marathoninterview zat poëzieminnend Nederland nog altijd te wachten op een nieuwe bundel. Die verscheen uiteindelijk in het jaar van zijn promotie, 1996, en heette Vluchtige Steden (en zo). Vier jaar later komt er dan echt een bundel van zijn werk tot dan toe: Gedichten 1939-1998.
Bij de VPRO-radio was hij tien jaar lang elke vrijdagavond te gast in De Avonden, waar hij een kwartier kreeg om ‘zijn’ muziek te draaien.

Hoogtepunten uit het interview:

Het marathoninterview met Louis Th. Lehmann is een aaneenschakeling van hoogtepunten. Zo sprak hij erg nuchter over zijn eigen heldenmoed tijdens het bombardement op Rotterdam in mei 1940: "Dat [bombardement] kwam opzetten als erwtensoep. Die Duitse vliegtuigen vlogen heel langzaam en hadden een kleur als erwtensoep. Maar het was zo'n lawaai, we merkten niets. We zaten buiten Rotterdam, dus je zag in de verte wel rook, maar omdat het centrum gebombardeerd werd, bleven de gebouwen op de voorgrond heel en daardoor hadden wij geen idee van wat er gebeurde. Mijn instinct was: de kelder in. Ik was doodsbang, bij alle geweld ben ik doodsbang, behalve als er wapens bij te pas komen. En bij mijn onderduikboerderij stonden de mensen te kijken naar de luchtoorlog en ik berekende: waar zijn de meeste muren tussen mij en de buitenlucht en daar ging ik heen. Wat een leven, niet? Ik ben toen met die oorlog een beetje uitgevegeteerd. Er was veel intellectueel aan de hand, met mij en de mensen die ik kende, maar studeren kon ik niet."

Lehmann blijkt alergisch te zijn voor de uitdrukking 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg': "De woorden 'normaal' en 'gewoon' zijn de gevaarlijkste woorden die er bestaan. Er is eigenlijk geen arrogantere uitdrukking dan 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg'. Dat betekent alleen maar: doe wat mij niet verbaast en ik ben de maat aller dingen. Een zeer arrogante uitdrukking. Het is helaas een feit, vrees ik. (...) Het ligt aan de spreker wat ie normaal vind, en dat kan de gekste, en dat kan soms heel merkwaardig omslaan. Je spreekt nooit de meeste mensen, je spreekt er altijd maar een paar. Je kunt iets voor een meerderheid aanzien wat het helemaal niet is. Maar dingen die gewoon worden gevonden, die kunnen razendsnel veranderen. De decenniadurende omzeiling van de tepels in de badmode, dat zul je ook kennen. En dan is er in eens, dan bestaat topless en toen zag ik een populair blad dat meisjes op het strand interviewde en daar stond: 'topless, dat is toch gewoon?!' Heel vreemd, maar vooral omdat de mode met de omzeilingen tegelijkertijd gewoon doorgaat."

Louis Lehmann: uur 4

vrijdag 10 augustus 1990, 10:12 uur

Gij zult niet bloemlezen

Aan bloemlezen heeft Louis Th. Lehmann een broertje dood. En omdat hij tussen 1966 en 1996 geen dichtbundel publiceerde en herdrukken tegenhield, was zijn dichtwerk, tot groot ongenoegen van de kenners, wat in de vergetelheid geraakt. Niet dat hij zijn leven daarmee in ledigheid doorbracht. Hij is jurist en archeoloog, schreef romans, essays, recensies en vertalingen. Daarnaast heeft hij jarenlang een muziekrubriek gehad bij de VPRO-radio.

Op 10 augustus 1990 was de 69-jarige Lehmann te gast in het Marathoninterview. Zijn interviewer heet Wim Noordhoek, zelf geen mindere legende. Luistert u hier naar het vijf uur durende interview.

Biografie van Louis Theodorus Lehmann
19 augustus 1920 te Rotterdam
Een wonderkind
Louis Theodorus Lehmann werd op 19 augustus 1920 in Rotterdam geboren. Zijn vader was kapitein in de koopvaardij. Zijn moeder voedde hem naar eigen zeggen nogal geisoleerd op: “In mijn jeugd dacht ik: volwassenen doen de dingen op een bepaalde manier, en ik ben geen volwassene. Het gekke is, op mijn tachtigste ben ik dat idee nog steeds niet helemaal kwijt. Heel vervreemdend. Andere mensen zijn volwassen en weten hoe het moet. Ik niet.”

Al op 19-jarige leeftijd publiceerde hij voor het eerst zijn gedichten in Groot Nederland en het jongerenblad Werk. Een jaar later verschijnt zijn eerste dichtbundel Subjectieve reportage. Een wonderkind, aldus Simon Vestdijk. De beroemde essayist en literatuurcriticus Menno ter Braak stak zijn bewondering voor de piepjonge dichter ook niet onder stoelen of banken. Ter Braak reageerde op Lehmanns gedichten met de uitdrukking dat de debutant “op twintigjarige leeftijd met een astrale volmaaktheid als een meteoor onze literatuur binnen [is] komen vallen.”

Maar met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog komt Lehmanns loopbaan tot een voorlopige stilstand. Tijdens de oorlog zet hij zich aan het vertalen en studeren en een paar publicaties van zijn gedichten. Maar de productie stokt. “Kijk, ik mijn leven is door de bezetting een rare breuk gekomen. De oorlog kwam op een moment dat ik als negentienjarige overal te jong voor werd gevonden, en toen die was afgelopen, leek het alsof ik overal te oud voor was.” In 1947 volgde zijn Verzamelde Gedichten, zonder dat hij daar nou zelf mee te maken te hebben gehad. Zijn leeftijd en het feit dat zijn gedichten al in een verzameld werk, terwijl hem dat totaal koud liet, zorgde voor mythevorming rond de dichter.

Lehmann is wel de dichter van het banale genoemd. Een voorbeeld:

Al kan ik mij soms zwaar bezinnen,
Het avontuur van vuur en dood, o
Ik ken het best, daar raast het binnen
Op een vuurrode brandweerauto

En:

Piep./Piep./Piep?/Piep./ Piep./Piep,piep!/… Piep?/Piep./Piep, piep, piep./Lievier tierks dien pieps!/ Jiep./Piep, piep, piep?/Piep…

Van dichten komt het daarna lange tijd niet. Hij studeerde Rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden en Archeologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Vooral op dat laatste terrein onderscheidt hij zich (enigszins). Hij verwierf een internationale reputatie als scheepsarcheoloog. Hij publiceerde veel over galeischepen en promoveerde in 1996 op de zogeheten multiremen (Griekse en Romeinse oorlogsschepen met meer rijen riemen boven elkaar).

Pas in de jaren zestig komt hij eerst met het bejubelde Who’s who in Whatland, waar hij in 1964 de Jan Campertprijs voor krijgt, en twee jaar later met Luxe. Een poëtische pauze van ruim dertig jaar volgt. Zijn weigering om in bloemlezingen te verschijnen, zorgde haast voor de vergetelheid. Ten tijde van het marathoninterview zat poëzieminnend Nederland nog altijd te wachten op een nieuwe bundel. Die verscheen uiteindelijk in het jaar van zijn promotie, 1996, en heette Vluchtige Steden (en zo). Vier jaar later komt er dan echt een bundel van zijn werk tot dan toe: Gedichten 1939-1998.
Bij de VPRO-radio was hij tien jaar lang elke vrijdagavond te gast in De Avonden, waar hij een kwartier kreeg om ‘zijn’ muziek te draaien.

Hoogtepunten uit het interview:

Het marathoninterview met Louis Th. Lehmann is een aaneenschakeling van hoogtepunten. Zo sprak hij erg nuchter over zijn eigen heldenmoed tijdens het bombardement op Rotterdam in mei 1940: "Dat [bombardement] kwam opzetten als erwtensoep. Die Duitse vliegtuigen vlogen heel langzaam en hadden een kleur als erwtensoep. Maar het was zo'n lawaai, we merkten niets. We zaten buiten Rotterdam, dus je zag in de verte wel rook, maar omdat het centrum gebombardeerd werd, bleven de gebouwen op de voorgrond heel en daardoor hadden wij geen idee van wat er gebeurde. Mijn instinct was: de kelder in. Ik was doodsbang, bij alle geweld ben ik doodsbang, behalve als er wapens bij te pas komen. En bij mijn onderduikboerderij stonden de mensen te kijken naar de luchtoorlog en ik berekende: waar zijn de meeste muren tussen mij en de buitenlucht en daar ging ik heen. Wat een leven, niet? Ik ben toen met die oorlog een beetje uitgevegeteerd. Er was veel intellectueel aan de hand, met mij en de mensen die ik kende, maar studeren kon ik niet."

Lehmann blijkt alergisch te zijn voor de uitdrukking 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg': "De woorden 'normaal' en 'gewoon' zijn de gevaarlijkste woorden die er bestaan. Er is eigenlijk geen arrogantere uitdrukking dan 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg'. Dat betekent alleen maar: doe wat mij niet verbaast en ik ben de maat aller dingen. Een zeer arrogante uitdrukking. Het is helaas een feit, vrees ik. (...) Het ligt aan de spreker wat ie normaal vind, en dat kan de gekste, en dat kan soms heel merkwaardig omslaan. Je spreekt nooit de meeste mensen, je spreekt er altijd maar een paar. Je kunt iets voor een meerderheid aanzien wat het helemaal niet is. Maar dingen die gewoon worden gevonden, die kunnen razendsnel veranderen. De decenniadurende omzeiling van de tepels in de badmode, dat zul je ook kennen. En dan is er in eens, dan bestaat topless en toen zag ik een populair blad dat meisjes op het strand interviewde en daar stond: 'topless, dat is toch gewoon?!' Heel vreemd, maar vooral omdat de mode met de omzeilingen tegelijkertijd gewoon doorgaat."

VPRO Marathoninterview - Louis Lehmann: uur 3

vrijdag 10 augustus 1990, 10:08 uur

Gij zult niet bloemlezen

Aan bloemlezen heeft Louis Th. Lehmann een broertje dood. En omdat hij tussen 1966 en 1996 geen dichtbundel publiceerde en herdrukken tegenhield, was zijn dichtwerk, tot groot ongenoegen van de kenners, wat in de vergetelheid geraakt. Niet dat hij zijn leven daarmee in ledigheid doorbracht. Hij is jurist en archeoloog, schreef romans, essays, recensies en vertalingen. Daarnaast heeft hij jarenlang een muziekrubriek gehad bij de VPRO-radio.

Op 10 augustus 1990 was de 69-jarige Lehmann te gast in het Marathoninterview. Zijn interviewer heet Wim Noordhoek, zelf geen mindere legende. Luistert u hier naar het vijf uur durende interview.

Biografie van Louis Theodorus Lehmann
19 augustus 1920 te Rotterdam
Een wonderkind
Louis Theodorus Lehmann werd op 19 augustus 1920 in Rotterdam geboren. Zijn vader was kapitein in de koopvaardij. Zijn moeder voedde hem naar eigen zeggen nogal geisoleerd op: “In mijn jeugd dacht ik: volwassenen doen de dingen op een bepaalde manier, en ik ben geen volwassene. Het gekke is, op mijn tachtigste ben ik dat idee nog steeds niet helemaal kwijt. Heel vervreemdend. Andere mensen zijn volwassen en weten hoe het moet. Ik niet.”

Al op 19-jarige leeftijd publiceerde hij voor het eerst zijn gedichten in Groot Nederland en het jongerenblad Werk. Een jaar later verschijnt zijn eerste dichtbundel Subjectieve reportage. Een wonderkind, aldus Simon Vestdijk. De beroemde essayist en literatuurcriticus Menno ter Braak stak zijn bewondering voor de piepjonge dichter ook niet onder stoelen of banken. Ter Braak reageerde op Lehmanns gedichten met de uitdrukking dat de debutant “op twintigjarige leeftijd met een astrale volmaaktheid als een meteoor onze literatuur binnen [is] komen vallen.”

Maar met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog komt Lehmanns loopbaan tot een voorlopige stilstand. Tijdens de oorlog zet hij zich aan het vertalen en studeren en een paar publicaties van zijn gedichten. Maar de productie stokt. “Kijk, ik mijn leven is door de bezetting een rare breuk gekomen. De oorlog kwam op een moment dat ik als negentienjarige overal te jong voor werd gevonden, en toen die was afgelopen, leek het alsof ik overal te oud voor was.” In 1947 volgde zijn Verzamelde Gedichten, zonder dat hij daar nou zelf mee te maken te hebben gehad. Zijn leeftijd en het feit dat zijn gedichten al in een verzameld werk, terwijl hem dat totaal koud liet, zorgde voor mythevorming rond de dichter.

Lehmann is wel de dichter van het banale genoemd. Een voorbeeld:

Al kan ik mij soms zwaar bezinnen,
Het avontuur van vuur en dood, o
Ik ken het best, daar raast het binnen
Op een vuurrode brandweerauto

En:

Piep./Piep./Piep?/Piep./ Piep./Piep,piep!/… Piep?/Piep./Piep, piep, piep./Lievier tierks dien pieps!/ Jiep./Piep, piep, piep?/Piep…

Van dichten komt het daarna lange tijd niet. Hij studeerde Rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden en Archeologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Vooral op dat laatste terrein onderscheidt hij zich (enigszins). Hij verwierf een internationale reputatie als scheepsarcheoloog. Hij publiceerde veel over galeischepen en promoveerde in 1996 op de zogeheten multiremen (Griekse en Romeinse oorlogsschepen met meer rijen riemen boven elkaar).

Pas in de jaren zestig komt hij eerst met het bejubelde Who’s who in Whatland, waar hij in 1964 de Jan Campertprijs voor krijgt, en twee jaar later met Luxe. Een poëtische pauze van ruim dertig jaar volgt. Zijn weigering om in bloemlezingen te verschijnen, zorgde haast voor de vergetelheid. Ten tijde van het marathoninterview zat poëzieminnend Nederland nog altijd te wachten op een nieuwe bundel. Die verscheen uiteindelijk in het jaar van zijn promotie, 1996, en heette Vluchtige Steden (en zo). Vier jaar later komt er dan echt een bundel van zijn werk tot dan toe: Gedichten 1939-1998.
Bij de VPRO-radio was hij tien jaar lang elke vrijdagavond te gast in De Avonden, waar hij een kwartier kreeg om ‘zijn’ muziek te draaien.

Hoogtepunten uit het interview:

Het marathoninterview met Louis Th. Lehmann is een aaneenschakeling van hoogtepunten. Zo sprak hij erg nuchter over zijn eigen heldenmoed tijdens het bombardement op Rotterdam in mei 1940: "Dat [bombardement] kwam opzetten als erwtensoep. Die Duitse vliegtuigen vlogen heel langzaam en hadden een kleur als erwtensoep. Maar het was zo'n lawaai, we merkten niets. We zaten buiten Rotterdam, dus je zag in de verte wel rook, maar omdat het centrum gebombardeerd werd, bleven de gebouwen op de voorgrond heel en daardoor hadden wij geen idee van wat er gebeurde. Mijn instinct was: de kelder in. Ik was doodsbang, bij alle geweld ben ik doodsbang, behalve als er wapens bij te pas komen. En bij mijn onderduikboerderij stonden de mensen te kijken naar de luchtoorlog en ik berekende: waar zijn de meeste muren tussen mij en de buitenlucht en daar ging ik heen. Wat een leven, niet? Ik ben toen met die oorlog een beetje uitgevegeteerd. Er was veel intellectueel aan de hand, met mij en de mensen die ik kende, maar studeren kon ik niet."

Lehmann blijkt alergisch te zijn voor de uitdrukking 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg': "De woorden 'normaal' en 'gewoon' zijn de gevaarlijkste woorden die er bestaan. Er is eigenlijk geen arrogantere uitdrukking dan 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg'. Dat betekent alleen maar: doe wat mij niet verbaast en ik ben de maat aller dingen. Een zeer arrogante uitdrukking. Het is helaas een feit, vrees ik. (...) Het ligt aan de spreker wat ie normaal vind, en dat kan de gekste, en dat kan soms heel merkwaardig omslaan. Je spreekt nooit de meeste mensen, je spreekt er altijd maar een paar. Je kunt iets voor een meerderheid aanzien wat het helemaal niet is. Maar dingen die gewoon worden gevonden, die kunnen razendsnel veranderen. De decenniadurende omzeiling van de tepels in de badmode, dat zul je ook kennen. En dan is er in eens, dan bestaat topless en toen zag ik een populair blad dat meisjes op het strand interviewde en daar stond: 'topless, dat is toch gewoon?!' Heel vreemd, maar vooral omdat de mode met de omzeilingen tegelijkertijd gewoon doorgaat."

VPRO Marathoninterview - Louis Lehmann: uur 2

vrijdag 10 augustus 1990, 10:05 uur

Gij zult niet bloemlezen

Aan bloemlezen heeft Louis Th. Lehmann een broertje dood. En omdat hij tussen 1966 en 1996 geen dichtbundel publiceerde en herdrukken tegenhield, was zijn dichtwerk, tot groot ongenoegen van de kenners, wat in de vergetelheid geraakt. Niet dat hij zijn leven daarmee in ledigheid doorbracht. Hij is jurist en archeoloog, schreef romans, essays, recensies en vertalingen. Daarnaast heeft hij jarenlang een muziekrubriek gehad bij de VPRO-radio.

Op 10 augustus 1990 was de 69-jarige Lehmann te gast in het Marathoninterview. Zijn interviewer heet Wim Noordhoek, zelf geen mindere legende. Luistert u hier naar het vijf uur durende interview.

Biografie van Louis Theodorus Lehmann
19 augustus 1920 te Rotterdam
Een wonderkind
Louis Theodorus Lehmann werd op 19 augustus 1920 in Rotterdam geboren. Zijn vader was kapitein in de koopvaardij. Zijn moeder voedde hem naar eigen zeggen nogal geisoleerd op: “In mijn jeugd dacht ik: volwassenen doen de dingen op een bepaalde manier, en ik ben geen volwassene. Het gekke is, op mijn tachtigste ben ik dat idee nog steeds niet helemaal kwijt. Heel vervreemdend. Andere mensen zijn volwassen en weten hoe het moet. Ik niet.”

Al op 19-jarige leeftijd publiceerde hij voor het eerst zijn gedichten in Groot Nederland en het jongerenblad Werk. Een jaar later verschijnt zijn eerste dichtbundel Subjectieve reportage. Een wonderkind, aldus Simon Vestdijk. De beroemde essayist en literatuurcriticus Menno ter Braak stak zijn bewondering voor de piepjonge dichter ook niet onder stoelen of banken. Ter Braak reageerde op Lehmanns gedichten met de uitdrukking dat de debutant “op twintigjarige leeftijd met een astrale volmaaktheid als een meteoor onze literatuur binnen [is] komen vallen.”

Maar met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog komt Lehmanns loopbaan tot een voorlopige stilstand. Tijdens de oorlog zet hij zich aan het vertalen en studeren en een paar publicaties van zijn gedichten. Maar de productie stokt. “Kijk, ik mijn leven is door de bezetting een rare breuk gekomen. De oorlog kwam op een moment dat ik als negentienjarige overal te jong voor werd gevonden, en toen die was afgelopen, leek het alsof ik overal te oud voor was.” In 1947 volgde zijn Verzamelde Gedichten, zonder dat hij daar nou zelf mee te maken te hebben gehad. Zijn leeftijd en het feit dat zijn gedichten al in een verzameld werk, terwijl hem dat totaal koud liet, zorgde voor mythevorming rond de dichter.

Lehmann is wel de dichter van het banale genoemd. Een voorbeeld:

Al kan ik mij soms zwaar bezinnen,
Het avontuur van vuur en dood, o
Ik ken het best, daar raast het binnen
Op een vuurrode brandweerauto

En:

Piep./Piep./Piep?/Piep./ Piep./Piep,piep!/… Piep?/Piep./Piep, piep, piep./Lievier tierks dien pieps!/ Jiep./Piep, piep, piep?/Piep…

Van dichten komt het daarna lange tijd niet. Hij studeerde Rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden en Archeologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Vooral op dat laatste terrein onderscheidt hij zich (enigszins). Hij verwierf een internationale reputatie als scheepsarcheoloog. Hij publiceerde veel over galeischepen en promoveerde in 1996 op de zogeheten multiremen (Griekse en Romeinse oorlogsschepen met meer rijen riemen boven elkaar).

Pas in de jaren zestig komt hij eerst met het bejubelde Who’s who in Whatland, waar hij in 1964 de Jan Campertprijs voor krijgt, en twee jaar later met Luxe. Een poëtische pauze van ruim dertig jaar volgt. Zijn weigering om in bloemlezingen te verschijnen, zorgde haast voor de vergetelheid. Ten tijde van het marathoninterview zat poëzieminnend Nederland nog altijd te wachten op een nieuwe bundel. Die verscheen uiteindelijk in het jaar van zijn promotie, 1996, en heette Vluchtige Steden (en zo). Vier jaar later komt er dan echt een bundel van zijn werk tot dan toe: Gedichten 1939-1998.
Bij de VPRO-radio was hij tien jaar lang elke vrijdagavond te gast in De Avonden, waar hij een kwartier kreeg om ‘zijn’ muziek te draaien.

Hoogtepunten uit het interview:

Het marathoninterview met Louis Th. Lehmann is een aaneenschakeling van hoogtepunten. Zo sprak hij erg nuchter over zijn eigen heldenmoed tijdens het bombardement op Rotterdam in mei 1940: "Dat [bombardement] kwam opzetten als erwtensoep. Die Duitse vliegtuigen vlogen heel langzaam en hadden een kleur als erwtensoep. Maar het was zo'n lawaai, we merkten niets. We zaten buiten Rotterdam, dus je zag in de verte wel rook, maar omdat het centrum gebombardeerd werd, bleven de gebouwen op de voorgrond heel en daardoor hadden wij geen idee van wat er gebeurde. Mijn instinct was: de kelder in. Ik was doodsbang, bij alle geweld ben ik doodsbang, behalve als er wapens bij te pas komen. En bij mijn onderduikboerderij stonden de mensen te kijken naar de luchtoorlog en ik berekende: waar zijn de meeste muren tussen mij en de buitenlucht en daar ging ik heen. Wat een leven, niet? Ik ben toen met die oorlog een beetje uitgevegeteerd. Er was veel intellectueel aan de hand, met mij en de mensen die ik kende, maar studeren kon ik niet."

Lehmann blijkt alergisch te zijn voor de uitdrukking 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg': "De woorden 'normaal' en 'gewoon' zijn de gevaarlijkste woorden die er bestaan. Er is eigenlijk geen arrogantere uitdrukking dan 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg'. Dat betekent alleen maar: doe wat mij niet verbaast en ik ben de maat aller dingen. Een zeer arrogante uitdrukking. Het is helaas een feit, vrees ik. (...) Het ligt aan de spreker wat ie normaal vind, en dat kan de gekste, en dat kan soms heel merkwaardig omslaan. Je spreekt nooit de meeste mensen, je spreekt er altijd maar een paar. Je kunt iets voor een meerderheid aanzien wat het helemaal niet is. Maar dingen die gewoon worden gevonden, die kunnen razendsnel veranderen. De decenniadurende omzeiling van de tepels in de badmode, dat zul je ook kennen. En dan is er in eens, dan bestaat topless en toen zag ik een populair blad dat meisjes op het strand interviewde en daar stond: 'topless, dat is toch gewoon?!' Heel vreemd, maar vooral omdat de mode met de omzeilingen tegelijkertijd gewoon doorgaat."

VPRO Marathoninterview - Louis Lehmann: uur 1

vrijdag 10 augustus 1990, 10:02 uur

Gij zult niet bloemlezen

Aan bloemlezen heeft Louis Th. Lehmann een broertje dood. En omdat hij tussen 1966 en 1996 geen dichtbundel publiceerde en herdrukken tegenhield, was zijn dichtwerk, tot groot ongenoegen van de kenners, wat in de vergetelheid geraakt. Niet dat hij zijn leven daarmee in ledigheid doorbracht. Hij is jurist en archeoloog, schreef romans, essays, recensies en vertalingen. Daarnaast heeft hij jarenlang een muziekrubriek gehad bij de VPRO-radio.

Op 10 augustus 1990 was de 69-jarige Lehmann te gast in het Marathoninterview. Zijn interviewer heet Wim Noordhoek, zelf geen mindere legende. Luistert u hier naar het vijf uur durende interview.

Biografie van Louis Theodorus Lehmann
19 augustus 1920 te Rotterdam
Een wonderkind
Louis Theodorus Lehmann werd op 19 augustus 1920 in Rotterdam geboren. Zijn vader was kapitein in de koopvaardij. Zijn moeder voedde hem naar eigen zeggen nogal geisoleerd op: “In mijn jeugd dacht ik: volwassenen doen de dingen op een bepaalde manier, en ik ben geen volwassene. Het gekke is, op mijn tachtigste ben ik dat idee nog steeds niet helemaal kwijt. Heel vervreemdend. Andere mensen zijn volwassen en weten hoe het moet. Ik niet.”

Al op 19-jarige leeftijd publiceerde hij voor het eerst zijn gedichten in Groot Nederland en het jongerenblad Werk. Een jaar later verschijnt zijn eerste dichtbundel Subjectieve reportage. Een wonderkind, aldus Simon Vestdijk. De beroemde essayist en literatuurcriticus Menno ter Braak stak zijn bewondering voor de piepjonge dichter ook niet onder stoelen of banken. Ter Braak reageerde op Lehmanns gedichten met de uitdrukking dat de debutant “op twintigjarige leeftijd met een astrale volmaaktheid als een meteoor onze literatuur binnen [is] komen vallen.”

Maar met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog komt Lehmanns loopbaan tot een voorlopige stilstand. Tijdens de oorlog zet hij zich aan het vertalen en studeren en een paar publicaties van zijn gedichten. Maar de productie stokt. “Kijk, ik mijn leven is door de bezetting een rare breuk gekomen. De oorlog kwam op een moment dat ik als negentienjarige overal te jong voor werd gevonden, en toen die was afgelopen, leek het alsof ik overal te oud voor was.” In 1947 volgde zijn Verzamelde Gedichten, zonder dat hij daar nou zelf mee te maken te hebben gehad. Zijn leeftijd en het feit dat zijn gedichten al in een verzameld werk, terwijl hem dat totaal koud liet, zorgde voor mythevorming rond de dichter.

Lehmann is wel de dichter van het banale genoemd. Een voorbeeld:

Al kan ik mij soms zwaar bezinnen,
Het avontuur van vuur en dood, o
Ik ken het best, daar raast het binnen
Op een vuurrode brandweerauto

En:

Piep./Piep./Piep?/Piep./ Piep./Piep,piep!/… Piep?/Piep./Piep, piep, piep./Lievier tierks dien pieps!/ Jiep./Piep, piep, piep?/Piep…

Van dichten komt het daarna lange tijd niet. Hij studeerde Rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden en Archeologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Vooral op dat laatste terrein onderscheidt hij zich (enigszins). Hij verwierf een internationale reputatie als scheepsarcheoloog. Hij publiceerde veel over galeischepen en promoveerde in 1996 op de zogeheten multiremen (Griekse en Romeinse oorlogsschepen met meer rijen riemen boven elkaar).

Pas in de jaren zestig komt hij eerst met het bejubelde Who’s who in Whatland, waar hij in 1964 de Jan Campertprijs voor krijgt, en twee jaar later met Luxe. Een poëtische pauze van ruim dertig jaar volgt. Zijn weigering om in bloemlezingen te verschijnen, zorgde haast voor de vergetelheid. Ten tijde van het marathoninterview zat poëzieminnend Nederland nog altijd te wachten op een nieuwe bundel. Die verscheen uiteindelijk in het jaar van zijn promotie, 1996, en heette Vluchtige Steden (en zo). Vier jaar later komt er dan echt een bundel van zijn werk tot dan toe: Gedichten 1939-1998.
Bij de VPRO-radio was hij tien jaar lang elke vrijdagavond te gast in De Avonden, waar hij een kwartier kreeg om ‘zijn’ muziek te draaien.

Hoogtepunten uit het interview:

Het marathoninterview met Louis Th. Lehmann is een aaneenschakeling van hoogtepunten. Zo sprak hij erg nuchter over zijn eigen heldenmoed tijdens het bombardement op Rotterdam in mei 1940: "Dat [bombardement] kwam opzetten als erwtensoep. Die Duitse vliegtuigen vlogen heel langzaam en hadden een kleur als erwtensoep. Maar het was zo'n lawaai, we merkten niets. We zaten buiten Rotterdam, dus je zag in de verte wel rook, maar omdat het centrum gebombardeerd werd, bleven de gebouwen op de voorgrond heel en daardoor hadden wij geen idee van wat er gebeurde. Mijn instinct was: de kelder in. Ik was doodsbang, bij alle geweld ben ik doodsbang, behalve als er wapens bij te pas komen. En bij mijn onderduikboerderij stonden de mensen te kijken naar de luchtoorlog en ik berekende: waar zijn de meeste muren tussen mij en de buitenlucht en daar ging ik heen. Wat een leven, niet? Ik ben toen met die oorlog een beetje uitgevegeteerd. Er was veel intellectueel aan de hand, met mij en de mensen die ik kende, maar studeren kon ik niet."

Lehmann blijkt alergisch te zijn voor de uitdrukking 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg': "De woorden 'normaal' en 'gewoon' zijn de gevaarlijkste woorden die er bestaan. Er is eigenlijk geen arrogantere uitdrukking dan 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg'. Dat betekent alleen maar: doe wat mij niet verbaast en ik ben de maat aller dingen. Een zeer arrogante uitdrukking. Het is helaas een feit, vrees ik. (...) Het ligt aan de spreker wat ie normaal vind, en dat kan de gekste, en dat kan soms heel merkwaardig omslaan. Je spreekt nooit de meeste mensen, je spreekt er altijd maar een paar. Je kunt iets voor een meerderheid aanzien wat het helemaal niet is. Maar dingen die gewoon worden gevonden, die kunnen razendsnel veranderen. De decenniadurende omzeiling van de tepels in de badmode, dat zul je ook kennen. En dan is er in eens, dan bestaat topless en toen zag ik een populair blad dat meisjes op het strand interviewde en daar stond: 'topless, dat is toch gewoon?!' Heel vreemd, maar vooral omdat de mode met de omzeilingen tegelijkertijd gewoon doorgaat."

VPRO Marathoninterview - Wout Woltz Uur 5

vrijdag 3 augustus 1990, 09:34 uur

Anglofiel en oud-hoofdredacteur van het NRC Handelsblad Woltz kwam in de jaren ‘80 graag met bolhoed en paraplu aan op de redactie van deze deftige courant. Hij maakte van zijn dagblad een echte nieuwskrant, met meer ruimte voor onderzoeksjournalistiek. Hij was op 3 augustus 1990 te gast in het Gebouw van de VPRO en Frenk van der Linden was zijn interviewer.
Een jaar eerder had hij zijn functie van hoofdredacteur neergelegd. Een goed moment voor een uitgebreid gesprek over werk en leven. Dat natuurlijk na het marathoninterview niet ophield. In 1992 ging hij definitief weg bij het NRC, waar hij na zijn aftreden als hoofdredacteur nog aanbleef als verslaggever. In 2006 verscheen Post Uit De Oorlog, een jeugdroman, die Woltz samen met zijn 25-jarige dochter Anna schreef.
----------------------------------------------

Biografie Wout Woltz

"Veel reizen en niet zo hard werken"

De wieg van Wout Woltz stond in Betondorp, waar hij in 1932 werd geboren. Hij was de jongste van zes kinderen in een arm gezin. Vader Woltz was socialist en sprong voor de onderdrukte medemens op de bres. Na de oorlog werd hij actief in de vakbond. De jonge Wout ging wel eens met hem naar zo’n bijeenkomst, waar zijn vader dan “tegen zes of zeven mannen ging zeggen dat ze het niet moesten pikken”. Dat vond hij nog wel eens gênant. “Ik snapte nooit zo goed wat er nou allemaal zo onrechtvaardig was in de wereld.”

Na de middelbare school kwam Woltz op de ‘kweekschool’ terecht, waar hij zich vervolgens vier jaar lang dood vervelende en mateloos ergerde. Je hele leven wachten op het bereiken van je volle wasdom en dan weer terug naar de schoolbanken, dat was niets voor hem. Na zijn opleiding hield hij het welgeteld een maand vol voor de klas. Hij ontdekte dat hij kinderen eigenlijk helemaal niet zo leuk vond. Zij hem ook niet.

Woltz won een opstel over industrialisatie en mocht een aantal fabrieken bezoeken. Daar kwam hij in contact met de diersoort journalist. Dat leek hem ook wel wat: “Veel reizen en niet zo hard werken. Dat deed mijn jongenshart sneller kloppen.” Zijn eerste journalistieke ervaringen deed Woltz op bij de Leidse editie van Het Vrije Volk, ook wel het partijblad van de Partij van de Arbeid genoemd. De krant had rond de dertig edities door heel het land die vooral door jonge, onervaren maar gedreven en getalenteerde verslaggevers. Dat voorkwam echter niet dat Woltz vooral vergaderingen afliep, meestal die van de PvdA. Als er dan een niet al te enthousiast artikel in de krant verscheen, werd hij op het matje geroepen. Hij hield het er niet lang vol. Na een jaartje ‘in de reclame’ te hebben gewerkt – “Ach, een zijsprongetje, en dat is dan schandalig zeker, alsof je fout bent geweest in de oorlog” – begon hij bij het Algemeen Handelsblad. Daarmee was hij Betondorp definitief ontstegen.
Uit Woltz’ verschijning viel zijn afkomst ook niet op te maken. Hij maakte er een gewoonte van de redactie van de krant met bolhoed en paraplu te betreden. “De kleren kunnen me niet schelen”, zei hij bij zijn afscheid in het Zaterdags Bijvoegsel van het NRC Handelsblad, “wel het spel-element daarin, het provocerende. Ik hou van spelletjes.” Na enkele jaren werd Woltz adjunct-hoofdredacteur bij het Algemeen Handelsblad en bleef dat toen het dagblad fuseerde met de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Er brak een wat ‘luie’ periode aan, omdat er te weinig werk voor teveel hoofdredacteuren was. Hij werd destijds ook wel ‘de best betaalde bouwvakker van Nederland’ genoemd, omdat hij veel met de verbouwing van zijn huis bezig was. Daar werd hij dan ook jarenlang mee achtervolgd: “De journalistiek volhardt hardnekkig in vooropgezette ideeën. Dat merk je als het over jezelf gaat.”

Eind jaren zeventig wordt Woltz correspondent in Londen. Hij beleeft er zijn journalistieke hoogtepunt, ook omdat hij erg van Engeland houdt: “De clichés en de sjablonen over dat land trokken me altijd. De reserve, de vormelijkheid en de subtiele gelaagdheid van de samenleving. Een Engelsman zal je nooit direct zeggen wat hij denkt Vergeleken daarmee ben zelfs ik verschrikkelijk bot.” Bij terugkomst werd hij hoofdredacteur en dat was aanpassen. De vrijheid was weg en met macht om gaan was iets wat hij moest leren. Onder zijn leiding werd de verslaggeverij van het NRC Handelsblad versterkt, hij vond dat de krant teveel op de instituties leunde. Er werd te vaak gebeld naar Den Haag voor tekst en uitleg, zonder echt kritisch onderzoek te doen. Het komt hem op het verwijt te staan dat hij de krant te grabbel gooit. “Wat je als journalist ook schrijft, het is op effect gericht. Dat heeft niets met vulgariteit te maken. Je hoeft niet altijd waardig te schrijven. Het mag ook emotioneel zijn, als de verslaggever maar een goede stijl heeft, anders wordt het larmoyant.”

In 1989 droeg Woltz het hoofdredacteurschap over aan Ben Knapen. Het afscheid viel hem zwaar: “Ik had toch een post-managerial syndrome en dat duurde langer dan ik vermoedde. Plotseling geen secretaresse meer die je dag indeelt, de telefoon blijft stil. Je mag alles doen en doet daarom niets. Heel vervelend. Ze zouden een begeleidingsdienst voor aftredende hoofdredacteuren moeten instellen.” Hij bleef nog drie jaar aan als verslaggever, maar nam in 1992 definitief afscheid van de krant.

VPRO Marathoninterview - Wout Woltz Uur 4

vrijdag 3 augustus 1990, 09:31 uur

Anglofiel en oud-hoofdredacteur van het NRC Handelsblad Woltz kwam in de jaren ‘80 graag met bolhoed en paraplu aan op de redactie van deze deftige courant. Hij maakte van zijn dagblad een echte nieuwskrant, met meer ruimte voor onderzoeksjournalistiek. Hij was op 3 augustus 1990 te gast in het Gebouw van de VPRO en Frenk van der Linden was zijn interviewer.
Een jaar eerder had hij zijn functie van hoofdredacteur neergelegd. Een goed moment voor een uitgebreid gesprek over werk en leven. Dat natuurlijk na het marathoninterview niet ophield. In 1992 ging hij definitief weg bij het NRC, waar hij na zijn aftreden als hoofdredacteur nog aanbleef als verslaggever. In 2006 verscheen Post Uit De Oorlog, een jeugdroman, die Woltz samen met zijn 25-jarige dochter Anna schreef.
----------------------------------------------

Biografie Wout Woltz

"Veel reizen en niet zo hard werken"

De wieg van Wout Woltz stond in Betondorp, waar hij in 1932 werd geboren. Hij was de jongste van zes kinderen in een arm gezin. Vader Woltz was socialist en sprong voor de onderdrukte medemens op de bres. Na de oorlog werd hij actief in de vakbond. De jonge Wout ging wel eens met hem naar zo’n bijeenkomst, waar zijn vader dan “tegen zes of zeven mannen ging zeggen dat ze het niet moesten pikken”. Dat vond hij nog wel eens gênant. “Ik snapte nooit zo goed wat er nou allemaal zo onrechtvaardig was in de wereld.”

Na de middelbare school kwam Woltz op de ‘kweekschool’ terecht, waar hij zich vervolgens vier jaar lang dood vervelende en mateloos ergerde. Je hele leven wachten op het bereiken van je volle wasdom en dan weer terug naar de schoolbanken, dat was niets voor hem. Na zijn opleiding hield hij het welgeteld een maand vol voor de klas. Hij ontdekte dat hij kinderen eigenlijk helemaal niet zo leuk vond. Zij hem ook niet.

Woltz won een opstel over industrialisatie en mocht een aantal fabrieken bezoeken. Daar kwam hij in contact met de diersoort journalist. Dat leek hem ook wel wat: “Veel reizen en niet zo hard werken. Dat deed mijn jongenshart sneller kloppen.” Zijn eerste journalistieke ervaringen deed Woltz op bij de Leidse editie van Het Vrije Volk, ook wel het partijblad van de Partij van de Arbeid genoemd. De krant had rond de dertig edities door heel het land die vooral door jonge, onervaren maar gedreven en getalenteerde verslaggevers. Dat voorkwam echter niet dat Woltz vooral vergaderingen afliep, meestal die van de PvdA. Als er dan een niet al te enthousiast artikel in de krant verscheen, werd hij op het matje geroepen. Hij hield het er niet lang vol. Na een jaartje ‘in de reclame’ te hebben gewerkt – “Ach, een zijsprongetje, en dat is dan schandalig zeker, alsof je fout bent geweest in de oorlog” – begon hij bij het Algemeen Handelsblad. Daarmee was hij Betondorp definitief ontstegen.
Uit Woltz’ verschijning viel zijn afkomst ook niet op te maken. Hij maakte er een gewoonte van de redactie van de krant met bolhoed en paraplu te betreden. “De kleren kunnen me niet schelen”, zei hij bij zijn afscheid in het Zaterdags Bijvoegsel van het NRC Handelsblad, “wel het spel-element daarin, het provocerende. Ik hou van spelletjes.” Na enkele jaren werd Woltz adjunct-hoofdredacteur bij het Algemeen Handelsblad en bleef dat toen het dagblad fuseerde met de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Er brak een wat ‘luie’ periode aan, omdat er te weinig werk voor teveel hoofdredacteuren was. Hij werd destijds ook wel ‘de best betaalde bouwvakker van Nederland’ genoemd, omdat hij veel met de verbouwing van zijn huis bezig was. Daar werd hij dan ook jarenlang mee achtervolgd: “De journalistiek volhardt hardnekkig in vooropgezette ideeën. Dat merk je als het over jezelf gaat.”

Eind jaren zeventig wordt Woltz correspondent in Londen. Hij beleeft er zijn journalistieke hoogtepunt, ook omdat hij erg van Engeland houdt: “De clichés en de sjablonen over dat land trokken me altijd. De reserve, de vormelijkheid en de subtiele gelaagdheid van de samenleving. Een Engelsman zal je nooit direct zeggen wat hij denkt Vergeleken daarmee ben zelfs ik verschrikkelijk bot.” Bij terugkomst werd hij hoofdredacteur en dat was aanpassen. De vrijheid was weg en met macht om gaan was iets wat hij moest leren. Onder zijn leiding werd de verslaggeverij van het NRC Handelsblad versterkt, hij vond dat de krant teveel op de instituties leunde. Er werd te vaak gebeld naar Den Haag voor tekst en uitleg, zonder echt kritisch onderzoek te doen. Het komt hem op het verwijt te staan dat hij de krant te grabbel gooit. “Wat je als journalist ook schrijft, het is op effect gericht. Dat heeft niets met vulgariteit te maken. Je hoeft niet altijd waardig te schrijven. Het mag ook emotioneel zijn, als de verslaggever maar een goede stijl heeft, anders wordt het larmoyant.”

In 1989 droeg Woltz het hoofdredacteurschap over aan Ben Knapen. Het afscheid viel hem zwaar: “Ik had toch een post-managerial syndrome en dat duurde langer dan ik vermoedde. Plotseling geen secretaresse meer die je dag indeelt, de telefoon blijft stil. Je mag alles doen en doet daarom niets. Heel vervelend. Ze zouden een begeleidingsdienst voor aftredende hoofdredacteuren moeten instellen.” Hij bleef nog drie jaar aan als verslaggever, maar nam in 1992 definitief afscheid van de krant.

Vorige pagina Back to top
NPO Radio 1