appjecalendarcheckchevron-downchevron-leftchevron-rightchevron-upclosedownloaddragfacebookfast-backwardfast-forwardgoogle-plusiconinstagramlinkedinlistlisten-livelogo-nporadio1logo-tour-de-france mailmicrophonepauseperson-man-2person-woman-4phonepinterestplayplaylistplyr-nextplyr-prevquestionquotesearchsharesorter--up-and-down star--open-and-filled star-openstarthumbdownthumbuptwitterwatch-livewhatsappyoutubeplyr-captions-off plyr-captions-on plyr-enter-fullscreen plyr-exit-fullscreen plyr-fast-forward plyr-muted plyr-pause plyr-play plyr-restart plyr-rewind plyr-volume
Afbeelding

Het Marathoninterview

Het Marathoninterview. Verhalen die dichterbij komen dan de waan van de dag ons meestal toelaat.

Podcast afleveringen

Hedy d’Ancona: uur 2

dinsdag 6 juli 2010, 09:22 uur

Er zijn weinig terreinen waarop Hedy d'Ancona zich niet heeft gemanifesteerd. Ze zat voor de PvdA in de Eerste Kamer en het Europees parlement, was begin jaren tachtig staatssecretaris voor Sociale Zaken en eind jaren tachtig opnieuw minister in het eerste Paarse kabinet.
Haar betrokkenheid beperkte zich niet tot een rol in het openbaar bestuur. Ze zette zich in voor de vrouwenbeweging, voor het recht zelf een einde aan je leven te kunnen maken, voor een Ander Joods geluid. Waar komt die gedrevenheid om op al die terreinen actief te zijn vandaan en wat heeft ze bereikt?
Jeroen van Kan vraagt Hedy d’Ancona naar haar gedrevenheid om op al die terreinen actief te zijn vandaan en wat ze heeft bereikt.

Hedy d’Ancona: uur 1

dinsdag 6 juli 2010, 09:10 uur

Er zijn weinig terreinen waarop Hedy d'Ancona zich niet heeft gemanifesteerd. Ze zat voor de PvdA in de Eerste Kamer en het Europees parlement, was begin jaren tachtig staatssecretaris voor Sociale Zaken en eind jaren tachtig opnieuw minister in het eerste Paarse kabinet.
Haar betrokkenheid beperkte zich niet tot een rol in het openbaar bestuur. Ze zette zich in voor de vrouwenbeweging, voor het recht zelf een einde aan je leven te kunnen maken, voor een Ander Joods geluid. Waar komt die gedrevenheid om op al die terreinen actief te zijn vandaan en wat heeft ze bereikt?
Jeroen van Kan vraagt Hedy d’Ancona naar haar gedrevenheid om op al die terreinen actief te zijn vandaan en wat ze heeft bereikt.

Paul Schnabel: uur 3

maandag 5 juli 2010, 09:49 uur

Nieuwsgierigheid is zijn drijfveer en het SCP verschaft hem de wetenschappelijke kennis over de leefsituatie van de Nederlandse bevolking. Paul staat al sinds 1998 aan het hoofd van het Sociaal Cultureel Planbureau. Een typische Schnabel waarneming: wij worden hier steeds hysterischer. Luister hier naar het gesprek van Djoeke Veeninga met SCP-directeur P.Schnabel over de behoefte aan hoffelijkheid, over babyboomers en oud worden, de afbraak van de verzorgingsstaat en de geestelijke gezondheid van Nederland.
--------------------------------------

Samenvatting Paul Schabel's Marathongesprek

EERSTE UUR

In de twaalf jaar dat Paul Schnabel directeur is van het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft hij niets van zijn enthousiasme verloren. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) verricht onderzoek en het mooiste vindt Paul Schnabel als hij kan zeggen: “U dacht dat het zo zat, maar het is nu juist heel anders dan u dacht.” Volgens hem is het SCP uniek. Het is het grootste en meest invloedrijke van de drie planbureaus die Nederland kent. Een organisatie die de ideeën en visies van politieke partijen doorrekent en er over adviseert. Zo’n instituut bestaat eigenlijk in andere landen niet. En er wordt zeker regelmatig iets bereikt.

Verder ging het over de grootste uitdaging voor een nieuw kabinet: Het op orde brengen van de financiële nood, de hoog opgelopen staatsschuld terugdringen en dus bezuinigen. Al valt het relatief gesproken nog mee, er zijn geen Griekse
toestanden in Nederland. Maar toch.


TWEEDE UUR

Paul Schnabel blijft bij zijn visie op ‘De multiculturele utopie’, zoals hij het ooit omschreef. Wat hem niet altijd in dank werd afgenomen. Maar zijn analyses zijn er niet door veranderd. Sterker, de tijd lijkt hem gelijk te hebben gegeven. Een gezonde ‘verhollandsing’ van de Surinamers in Nederland stemt hem tot tevredenheid en hij vermoedt dat die ontwikkeling ook voor de Turken en Marokkanen in Nederland zal volgen.

Verder ging het over het succes van de PVV, het onzekere ‘21ste eeuw-pad’, en het modern conservatisme dat gekenmerkt wordt door belang te hechten aan de eenheid van de natie. En aan sociale zekerheid.

Weinig zelfinzicht en een korzelige houding ten opzichte van elkaar, dat typeert de Nederlander, aldus Schnabel. “We vinden dat de ander niet beleefd is, maar we kijken daarbij onvoldoende naar onszelf.”

Paul Schnabel, geboren in 1948, is dus volgens de statistieken een babyboomer, signaleert Djoeke Veeninga. Hij is 62 jaar. Hij vindt met pensioen gaan geen schrikbeeld, omdat hij blijft doen wat hij nu doet. Excessief onderzoek verrichten. “Ja ,maar dat is nu juist wat al die babyboomers doen: blijven zitten en geen plaats maken voor jongeren,” merkt Djoeke op.
“Wat ik zorgwekkender vind,” zegt Schnabel, “is de tweespalt die er steeds meer gaat ontstaan tussen mensen zonder vast contract, dertigers vaak, en mensen in vaste dienst. Die flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft ertoe geleid dat juist jongere mensen heel moeilijk goed werk krijgen.”

Vanaf dan wordt het gesprek persoonlijker. Over zijn jeugd, zijn werkervaring in de gezondheidszorg en homoseksualiteit. Het tweede uur eindigt met een overpeinzing over eenzaamheid.

DERDE UUR

Nog even door over de katholieke jeugd, en over zijn moeder die nu nog wel leeft, maar in een verpleegtehuis, waar hij en zijn broer en zus op bezoek gaan. Welk beeld van vrouwen heeft ze hem gegeven? Vroeger hielpen de mannen mee in huize Schnabel, en zijn moeder was een lady. Er was veel humor maar geen grof taalgebruik. Vuilbekken waardeert Paul nog altijd niet bij dames.

Hoe staat het met het depressieve gevoel van de Nederlanders? Schnabel ziet niet méér ongelukkigheid, maar er wordt anders over gepraat. We hebben het goed in ons land, er is op het werk ruimte en ook veel vrije tijd. We zijn niet tevreden genoeg. Er wordt wel veel te veel gedronken en drinkers kunnen somber van worden. En de antidepressiva worden in heel europa geslikt.


Er zijn natuurlijk wel depressieve mensen, daar kijken we tegenwoordig anders tegenaan en benoemen veel meer verschillende soorten. Er is veel meer bekend over oorzaak, gevolg en behandeling. Vanaf zijn tijd bij het Trimbos-instituut hebben psychische aandoeningen zijn speciale aandacht. Maar we moeten het niet overdrijven, hij noemt prof Trudy de Hue als waardevolle deskundige.

Maar wie moet er zorgen voor de mensen die zich niet gelukkig voelen, maar die niet ziek genoeg zijn voor officiële verpleging? Niemand is perfect maar we accepteren het steeds minder dat een kind bijvoorbeeld minder mooi is dan een ander. Daar zijn de ouders dan aan zet.

Tegenwoordig moeten we allemaal leuk en aardig zijn. In de praktijk lukt dat niet iedereen en daardoor zijn er ook weer frustaties. Schnabel keek met plezier naar de Datingshows op TV omdat daar de sociologie amusant inzichtelijk werd gemaakt. Verder kijkt ie nog veel meer onbenullige dingen op de televisie. Dat houdt hem bij de les, maar ook daar kan het hem te gek worden. Op radiogebied zijn Radio 4 en BNR zijn favorieten. Met Radio6 is dit de eerste ontmoeting.

Het onderzoek naar luister en kijkgedrag wordt steeds moeilijker door dat deze media vaak als behang dienen.

Paul Schnabel: uur 2

maandag 5 juli 2010, 09:30 uur

Nieuwsgierigheid is zijn drijfveer en het SCP verschaft hem de wetenschappelijke kennis over de leefsituatie van de Nederlandse bevolking. Paul staat al sinds 1998 aan het hoofd van het Sociaal Cultureel Planbureau. Een typische Schnabel waarneming: wij worden hier steeds hysterischer. Luister hier naar het gesprek van Djoeke Veeninga met SCP-directeur P.Schnabel over de behoefte aan hoffelijkheid, over babyboomers en oud worden, de afbraak van de verzorgingsstaat en de geestelijke gezondheid van Nederland.
--------------------------------------

Samenvatting Paul Schabel's Marathongesprek

EERSTE UUR

In de twaalf jaar dat Paul Schnabel directeur is van het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft hij niets van zijn enthousiasme verloren. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) verricht onderzoek en het mooiste vindt Paul Schnabel als hij kan zeggen: “U dacht dat het zo zat, maar het is nu juist heel anders dan u dacht.” Volgens hem is het SCP uniek. Het is het grootste en meest invloedrijke van de drie planbureaus die Nederland kent. Een organisatie die de ideeën en visies van politieke partijen doorrekent en er over adviseert. Zo’n instituut bestaat eigenlijk in andere landen niet. En er wordt zeker regelmatig iets bereikt.

Verder ging het over de grootste uitdaging voor een nieuw kabinet: Het op orde brengen van de financiële nood, de hoog opgelopen staatsschuld terugdringen en dus bezuinigen. Al valt het relatief gesproken nog mee, er zijn geen Griekse toestanden in Nederland. Maar toch.


TWEEDE UUR

Paul Schnabel blijft bij zijn visie op ‘De multiculturele utopie’, zoals hij het ooit omschreef. Wat hem niet altijd in dank werd afgenomen. Maar zijn analyses zijn er niet door veranderd. Sterker, de tijd lijkt hem gelijk te hebben gegeven. Een gezonde ‘verhollandsing’ van de Surinamers in Nederland stemt hem tot tevredenheid en hij vermoedt dat die ontwikkeling ook voor de Turken en Marokkanen in Nederland zal volgen.

Verder ging het over het succes van de PVV, het onzekere ‘21ste eeuw-pad’, en het modern conservatisme dat gekenmerkt wordt door belang te hechten aan de eenheid van de natie. En aan sociale zekerheid.

Weinig zelfinzicht en een korzelige houding ten opzichte van elkaar, dat typeert de Nederlander, aldus Schnabel. “We vinden dat de ander niet beleefd is, maar we kijken daarbij onvoldoende naar onszelf.”

Paul Schnabel, geboren in 1948, is dus volgens de statistieken een babyboomer, signaleert Djoeke Veeninga. Hij is 62 jaar. Hij vindt met pensioen gaan geen schrikbeeld, omdat hij blijft doen wat hij nu doet. Excessief onderzoek verrichten. “Ja ,maar dat is nu juist wat al die babyboomers doen: blijven zitten en geen plaats maken voor jongeren,” merkt Djoeke op.
“Wat ik zorgwekkender vind,” zegt Schnabel, “is de tweespalt die er steeds meer gaat ontstaan tussen mensen zonder vast contract, dertigers vaak, en mensen in vaste dienst. Die flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft ertoe geleid dat juist jongere mensen heel moeilijk goed werk krijgen.”

Vanaf dan wordt het gesprek persoonlijker. Over zijn jeugd, zijn werkervaring in de gezondheidszorg en homoseksualiteit. Het tweede uur eindigt met een overpeinzing over eenzaamheid.

DERDE UUR

Nog even door over de katholieke jeugd, en over zijn moeder die nu nog wel leeft, maar in een verpleegtehuis, waar hij en zijn broer en zus op bezoek gaan. Welk beeld van vrouwen heeft ze hem gegeven? Vroeger hielpen de mannen mee in huize Schnabel, en zijn moeder was een lady. Er was veel humor maar geen grof taalgebruik. Vuilbekken waardeert Paul nog altijd niet bij dames.

Hoe staat het met het depressieve gevoel van de Nederlanders? Schnabel ziet niet méér ongelukkigheid, maar er wordt anders over gepraat. We hebben het goed in ons land, er is op het werk ruimte en ook veel vrije tijd. We zijn niet tevreden genoeg. Er wordt wel veel te veel gedronken en drinkers kunnen somber van worden. En de antidepressiva worden in heel europa geslikt.

Er zijn natuurlijk wel depressieve mensen, daar kijken we tegenwoordig anders tegenaan en benoemen veel meer verschillende soorten. Er is veel meer bekend over oorzaak, gevolg en behandeling. Vanaf zijn tijd bij het Trimbos-instituut hebben psychische aandoeningen zijn speciale aandacht. Maar we moeten het niet overdrijven, hij noemt prof Trudy de Hue als waardevolle deskundige.

Maar wie moet er zorgen voor de mensen die zich niet gelukkig voelen, maar die niet ziek genoeg zijn voor officiële verpleging? Niemand is perfect maar we accepteren het steeds minder dat een kind bijvoorbeeld minder mooi is dan een ander. Daar zijn de ouders dan aan zet.

Tegenwoordig moeten we allemaal leuk en aardig zijn. In de praktijk lukt dat niet iedereen en daardoor zijn er ook weer frustaties. Schnabel keek met plezier naar de Datingshows op TV omdat daar de sociologie amusant inzichtelijk werd gemaakt. Verder kijkt ie nog veel meer onbenullige dingen op de televisie. Dat houdt hem bij de les, maar ook daar kan het hem te gek worden. Op radiogebied zijn Radio 4 en BNR zijn favorieten. Met Radio6 is dit de eerste ontmoeting.

Het onderzoek naar luister en kijkgedrag wordt steeds moeilijker door dat deze media vaak als behang dienen.

Paul Schnabel: uur 1

maandag 5 juli 2010, 09:00 uur

Nieuwsgierigheid is zijn drijfveer en het SCP verschaft hem de wetenschappelijke kennis over de leefsituatie van de Nederlandse bevolking. Paul staat al sinds 1998 aan het hoofd van het Sociaal Cultureel Planbureau. Een typische Schnabel waarneming: wij worden hier steeds hysterischer. Luister hier naar het gesprek van Djoeke Veeninga met SCP-directeur P.Schnabel over de behoefte aan hoffelijkheid, over babyboomers en oud worden, de afbraak van de verzorgingsstaat en de geestelijke gezondheid van Nederland.
--------------------------------------

Samenvatting Paul Schabel's Marathongesprek

EERSTE UUR

In de twaalf jaar dat Paul Schnabel directeur is van het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft hij niets van zijn enthousiasme verloren. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) verricht onderzoek en het mooiste vindt Paul Schnabel als hij kan zeggen: “U dacht dat het zo zat, maar het is nu juist heel anders dan u dacht.” Volgens hem is het SCP uniek. Het is het grootste en meest invloedrijke van de drie planbureaus die Nederland kent. Een organisatie die de ideeën en visies van politieke partijen doorrekent en er over adviseert. Zo’n instituut bestaat eigenlijk in andere landen niet. En er wordt zeker regelmatig iets bereikt.

Verder ging het over de grootste uitdaging voor een nieuw kabinet: Het op orde brengen van de financiële nood, de hoog opgelopen staatsschuld terugdringen en dus bezuinigen. Al valt het relatief gesproken nog mee, er zijn geen Griekse toestanden in Nederland. Maar toch.


TWEEDE UUR

Paul Schnabel blijft bij zijn visie op ‘De multiculturele utopie’, zoals hij het ooit omschreef. Wat hem niet altijd in dank werd afgenomen. Maar zijn analyses zijn er niet door veranderd. Sterker, de tijd lijkt hem gelijk te hebben gegeven. Een gezonde ‘verhollandsing’ van de Surinamers in Nederland stemt hem tot tevredenheid en hij vermoedt dat die ontwikkeling ook voor de Turken en Marokkanen in Nederland zal volgen.

Verder ging het over het succes van de PVV, het onzekere ‘21ste eeuw-pad’, en het modern conservatisme dat gekenmerkt wordt door belang te hechten aan de eenheid van de natie. En aan sociale zekerheid.

Weinig zelfinzicht en een korzelige houding ten opzichte van elkaar, dat typeert de Nederlander, aldus Schnabel. “We vinden dat de ander niet beleefd is, maar we kijken daarbij onvoldoende naar onszelf.”

Paul Schnabel, geboren in 1948, is dus volgens de statistieken een babyboomer, signaleert Djoeke Veeninga. Hij is 62 jaar. Hij vindt met pensioen gaan geen schrikbeeld, omdat hij blijft doen wat hij nu doet. Excessief onderzoek verrichten. “Ja ,maar dat is nu juist wat al die babyboomers doen: blijven zitten en geen plaats maken voor jongeren,” merkt Djoeke op.
“Wat ik zorgwekkender vind,” zegt Schnabel, “is de tweespalt die er steeds meer gaat ontstaan tussen mensen zonder vast contract, dertigers vaak, en mensen in vaste dienst. Die flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft ertoe geleid dat juist jongere mensen heel moeilijk goed werk krijgen.”

Vanaf dan wordt het gesprek persoonlijker. Over zijn jeugd, zijn werkervaring in de gezondheidszorg en homoseksualiteit. Het tweede uur eindigt met een overpeinzing over eenzaamheid.

DERDE UUR

Nog even door over de katholieke jeugd, en over zijn moeder die nu nog wel leeft, maar in een verpleegtehuis, waar hij en zijn broer en zus op bezoek gaan. Welk beeld van vrouwen heeft ze hem gegeven? Vroeger hielpen de mannen mee in huize Schnabel, en zijn moeder was een lady. Er was veel humor maar geen grof taalgebruik. Vuilbekken waardeert Paul nog altijd niet bij dames.

Hoe staat het met het depressieve gevoel van de Nederlanders? Schnabel ziet niet méér ongelukkigheid, maar er wordt anders over gepraat. We hebben het goed in ons land, er is op het werk ruimte en ook veel vrije tijd. We zijn niet tevreden genoeg. Er wordt wel veel te veel gedronken en drinkers kunnen somber van worden. En de antidepressiva worden in heel europa geslikt.

Er zijn natuurlijk wel depressieve mensen, daar kijken we tegenwoordig anders tegenaan en benoemen veel meer verschillende soorten. Er is veel meer bekend over oorzaak, gevolg en behandeling. Vanaf zijn tijd bij het Trimbos-instituut hebben psychische aandoeningen zijn speciale aandacht. Maar we moeten het niet overdrijven, hij noemt prof Trudy de Hue als waardevolle deskundige.

Maar wie moet er zorgen voor de mensen die zich niet gelukkig voelen, maar die niet ziek genoeg zijn voor officiële verpleging? Niemand is perfect maar we accepteren het steeds minder dat een kind bijvoorbeeld minder mooi is dan een ander. Daar zijn de ouders dan aan zet.

Tegenwoordig moeten we allemaal leuk en aardig zijn. In de praktijk lukt dat niet iedereen en daardoor zijn er ook weer frustaties. Schnabel keek met plezier naar de Datingshows op TV omdat daar de sociologie amusant inzichtelijk werd gemaakt. Verder kijkt ie nog veel meer onbenullige dingen op de televisie. Dat houdt hem bij de les, maar ook daar kan het hem te gek worden. Op radiogebied zijn Radio 4 en BNR zijn favorieten. Met Radio6 is dit de eerste ontmoeting.

Het onderzoek naar luister en kijkgedrag wordt steeds moeilijker door dat deze media vaak als behang dienen.

EERSTE UUR

In de twaalf jaar dat Paul Schnabel directeur is van het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft hij niets van zijn enthousiasme verloren. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) verricht onderzoek en het mooiste vindt Paul Schnabel als hij kan zeggen: “U dacht dat het zo zat, maar het is nu juist heel anders dan u dacht.” Volgens hem is het SCP uniek. Het is het grootste en meest invloedrijke van de drie planbureaus die Nederland kent. Een organisatie die de ideeën en visies van politieke partijen doorrekent en er over adviseert. Zo’n instituut bestaat eigenlijk in andere landen niet. En er wordt zeker regelmatig iets bereikt.

Verder ging het over de grootste uitdaging voor een nieuw kabinet: Het op orde brengen van de financiële nood, de hoog opgelopen staatsschuld terugdringen en dus bezuinigen. Al valt het relatief gesproken nog mee, er zijn geen Griekse toestanden in Nederland. Maar toch.


TWEEDE UUR

Paul Schnabel blijft bij zijn visie op ‘De multiculturele utopie’, zoals hij het ooit omschreef. Wat hem niet altijd in dank werd afgenomen. Maar zijn analyses zijn er niet door veranderd. Sterker, de tijd lijkt hem gelijk te hebben gegeven. Een gezonde ‘verhollandsing’ van de Surinamers in Nederland stemt hem tot tevredenheid en hij vermoedt dat die ontwikkeling ook voor de Turken en Marokkanen in Nederland zal volgen.

Verder ging het over het succes van de PVV, het onzekere ‘21ste eeuw-pad’, en het modern conservatisme dat gekenmerkt wordt door belang te hechten aan de eenheid van de natie. En aan sociale zekerheid.

Weinig zelfinzicht en een korzelige houding ten opzichte van elkaar, dat typeert de Nederlander, aldus Schnabel. “We vinden dat de ander niet beleefd is, maar we kijken daarbij onvoldoende naar onszelf.”

Paul Schnabel, geboren in 1948, is dus volgens de statistieken een babyboomer, signaleert Djoeke Veeninga. Hij is 62 jaar. Hij vindt met pensioen gaan geen schrikbeeld, omdat hij blijft doen wat hij nu doet. Excessief onderzoek verrichten. “Ja ,maar dat is nu juist wat al die babyboomers doen: blijven zitten en geen plaats maken voor jongeren,” merkt Djoeke op.
“Wat ik zorgwekkender vind,” zegt Schnabel, “is de tweespalt die er steeds meer gaat ontstaan tussen mensen zonder vast contract, dertigers vaak, en mensen in vaste dienst. Die flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft ertoe geleid dat juist jongere mensen heel moeilijk goed werk krijgen.”

Vanaf dan wordt het gesprek persoonlijker. Over zijn jeugd, zijn werkervaring in de gezondheidszorg en homoseksualiteit. Het tweede uur eindigt met een overpeinzing over eenzaamheid.

DERDE UUR

Nog even door over de katholieke jeugd, en over zijn moeder die nu nog wel leeft, maar in een verpleegtehuis, waar hij en zijn broer en zus op bezoek gaan. Welk beeld van vrouwen heeft ze hem gegeven? Vroeger hielpen de mannen mee in huize Schnabel, en zijn moeder was een lady. Er was veel humor maar geen grof taalgebruik. Vuilbekken waardeert Paul nog altijd niet bij dames.

Hoe staat het met het depressieve gevoel van de Nederlanders? Schnabel ziet niet méér ongelukkigheid, maar er wordt anders over gepraat. We hebben het goed in ons land, er is op het werk ruimte en ook veel vrije tijd. We zijn niet tevreden genoeg. Er wordt wel veel te veel gedronken en drinkers kunnen somber van worden. En de antidepressiva worden in heel europa geslikt.

Er zijn natuurlijk wel depressieve mensen, daar kijken we tegenwoordig anders tegenaan en benoemen veel meer verschillende soorten. Er is veel meer bekend over oorzaak, gevolg en behandeling. Vanaf zijn tijd bij het Trimbos-instituut hebben psychische aandoeningen zijn speciale aandacht. Maar we moeten het niet overdrijven, hij noemt prof Trudy de Hue als waardevolle deskundige.

Maar wie moet er zorgen voor de mensen die zich niet gelukkig voelen, maar die niet ziek genoeg zijn voor officiële verpleging? Niemand is perfect maar we accepteren het steeds minder dat een kind bijvoorbeeld minder mooi is dan een ander. Daar zijn de ouders dan aan zet.

Tegenwoordig moeten we allemaal leuk en aardig zijn. In de praktijk lukt dat niet iedereen en daardoor zijn er ook weer frustaties. Schnabel keek met plezier naar de Datingshows op TV omdat daar de sociologie amusant inzichtelijk werd gemaakt. Verder kijkt ie nog veel meer onbenullige dingen op de televisie. Dat houdt hem bij de les, maar ook daar kan het hem te gek worden. Op radiogebied zijn Radio 4 en BNR zijn favorieten. Met Radio6 is dit de eerste ontmoeting.

Het onderzoek naar luister en kijkgedrag wordt steeds moeilijker door dat deze media vaak als behang dienen.

Oek de Jong: uur 3

zondag 4 juli 2010, 10:11 uur

In 2010 werd het dertigjarig jubileum van de klassieke roman ‘Opwaaiende zomerjurken’ gevierd. Dat was zijn debuut. Daarna verschenen romans als ‘Cirkel in het gras’, ‘Hokwerda’s kind’ en ‘Mevrouw Len’. En nu werkt hij aan een nieuw boek, dat in het najaar zal verschijnen. Lees meer over het gesprek van Wim Brands met de schrijver Oek de Jong.
------------------------------------------

Samenvatting Marathoninterview met Oek de Jong

UUR 1

Eerst het zondaggevoel van de schrijver. Hij beschrijft de zomerzondagen die hij veelal buiten doorbrengt, bijvoorbeeld bij het buitenhuisje in Muiderberg met zijn geliefde Sjan. Paradijselijke dagen waar juist bij het nietsdoen de diepste peilingen komen. Andere zondagen dan in zijn jeugd, waar hij als zoon van de ARP politicus de Jong uren doorbracht in de kerk, waar de kleine Oek met zijn kleurboeken zat. Is er sprake van een calvinistisch trauma, wil Wim Brands weten ? nou nee, maar toch, er zit toch wel een diep genetisch calvinisme in het Friese geslacht waar hij zelf ook niet vrij van is.
Waar bijvoorbeeld het verhaal is dat zijn overgrootvader zijn zoon niet meer wilde zien toen die op de elektrische cirkelzaag was overgestapt. Niet echt een geslacht dat op vooruitgang, verandering uit was.

De schrijver noemt zichzelf een appel die ver van de boom is gevallen, een afvallige zoon die al jong wandelend met een bos pinksterbloemen in zijn armen naar de hemel kijkt en zich afvraagt wat daar nou werkelijk is. Een jongen. Vergelijkbaar met een islamitische jongen van nu die het geloof heeft mee gekregen en toch zijn eigen weg gaat, met alle verscheurdheid erbij. De schrijver is nu 57, op een leeftijd dat hij nu ook naar die afvalligheid kan kijken vanuit het perspectief van zijn ouders.

We gaan dan in1979, naar de roman Opwaaiende zomerjurken, zijn eerste roman die hij een oerschreeuw noemt. Alle conflictstof zit daar al in, beschreven in de romanvorm met een hoofdpersoon die meemaakt wat de werkelijke jeugd aan thema?s bracht - Het isolement, dat 40 jaar een groot thema in zijn leven was. Een puber op zoek naar het zichzelf begrijpen, die later zo geïsoleerd raakt dat hij een soort borderliner wordt, die bijna in destructie een eind aan zijn leven veroorzaakt en toch eindigt met Ik wil! Ik wil!.

Dat element van gewelddadige destructie zit in al zijn werk, met als hoogtepunt de moord in Hokwerda's kind?.
Om uit te leggen wat dat destructieve is, beschrijft hij een dag tijdens het schrijven van Wonderen van de heilbot, een jaar of 5 geleden, hij zat hij nog in de nadagen van een lange depressieve periode. Hij beschrijft een dag op een zeilboot op het IJsselmeer, zwaar weer, en hoe hij zijn been openhaalde als hij door een steiger zakt. Het rauwe daarvan beleeft hij als een bevrijding, als een moment dat je ervaart dat je juist lééft.

De diepe wortels van zijn donkere periode, die wel tien jaar heeft geduurd, die wortels liggen toch wel in zijn jeugd, zelfs in de generaties daarvoor. Een bevrijdend moment in die lange depressie was het werken in een tuinderij, waar hij werkte met zwakzinnigen. Het fysieke van een boom uitgraven, het symbolische daarvan ook. Dat was in 1987, hij werkte daar anderhalve dag per week. ´s Avonds had hij dan een helder hoofd. Hij was toen de best verkopende en meest bekende jonge schrijver van Nederland. Dat vonden ze wel opmerkelijk daar in die gemeenschap van zwakzinnigen, dat hij bomen kwam uitgraven.

UUR 2

Eerst die nieuwe roman waar hij aan werkt. Dat is begonnen met het vinden van een oude kaart van Goes, waar hij in zijn jeugd woonde. Ik stond naar een vesting te kijken, zei hij, een vesting die ik wel moest veroveren. Een titel voor het boek heeft hij nog niet, en hij wil er nog niet veel over kwijt.

Het begint bij een beeld en dan komt het boek. Wim Brands laat een Daklozenkrant uit 1997 zien waarin Oek de Jong een verhaal publiceerde dat uiteindelijk tot de roman Hokwerda's kind uitgroeit.

De schrijver beschrijft de inspiratie voor dat verhaal: een verhaal van Raymond Carver, Feathers, waarin Jack en zijn vrouw bij Budd op bezoek gaan, en bespreken wat ze mee zullen nemen, zelfgebakken brood, en dan voor de deur een angstaanjagende schreeuw van een pauw horen. De baby van Budd en zijn vrouw blijkt héél lelijk te zijn en juist die avond wil de vrouw van Jack dat hij haar zwanger maakt. Hoe vanuit de banaliteit van een gesprekje over wat zullen we meenemen vanavond, zelfgebakken brood, via de pauw en de baby er zoiets gebeurt als: ik wil zwanger worden. Het schrijven over gewone mensen en gewone situaties, dat is de inspiratie van Carver.
Voor Hokwerda´s kind begint het bij een artikel in het blad Privé over een meisje dat de schrijver vroeger had gekend en die samen met haar vriend een gewelddadige moord had gepleegd op de ouders. Als ik nu terugkijk op die roman, zegt de schrijver, is het een afdaling in het kwaad dat in mensen sluimert en dus ook in mijzelf -daar was ik toen blijkbaar aan toe. Hij voelde zich verbonden met iemand die in zo?n parket terecht komt, hij herkende haar eenzaamheid.

Je bent bezig met dicht bij de waarheid te komen, door de conventies heen, dat is mijn grootste passie in het schrijven, zegt hij. Zo begon hij ooit met schrijven, dat is het nog steeds. Waarheidszoeking, is dat toch niet weer heel calvinistisch, vraagt Brands. Nee, nee, juist niet! Het calvinisme is een grote leugen, daarom werd hij juist zo kwaad toen hij 16 was, het waren juist de formules en de leugens die beknelden. Want alles draait in een mensenleven om de vitaliteit, om authenticiteit.

Hoe schrijft hij? Hij begon als jongeman van 22 jaar die achter een blanco papier ging zitten en niet met zijn vriendin naar het strand ging en dan was 's avonds het papier nog steeds blanco. Inmiddels kent hij ook het gemak van schrijven. Vooral op de kleine papiertjes die naast het feitelijke verhaal volgekrabbeld worden met vrije gedachten en beelden. Schrik je soms niet van wat je zelf schrijft, is de vraag? Ja, je moet ook soms de deksel afhalen waar je 'm soms liever laat zitten. Dan moet je weer maanden afkicken van je eigen personages.

Voor UUR 3 staat op het menu:

De mystiek in Geit en Inktvis. Deze mooie novellen werden slecht ontvangen. De mensen vonden het te vaag. Te spiritueel. De heren halen filosoof Peter Sloterdijk erbij om de tijdgeest te tackelen. En Oek stelt vast dat hij niet met de gevestigde coterie aanpapte, en daarvoor gestraft werd. In de tussentijd is er meer vrijheid ontstaan en zouden de novellen, met eventuele aangevulling, opnieuw uitgebracht kunnen worden zonder woedende aanvallen der recensenten......
Dan over naar het dagboek 'De wonderen van de heilbot' van Oek de Jong. Waarom houdt hij zo van vissen? In de heilbot doet hij verslag van zijn worstelen met het leven. Met als conclusie dat 'opgeven' het sleutelwoord is.
Een half uur voor het eind stelt Brands de vraag naar Oek's inspiratiebronnen uit de literatuur: Proust. Natuurlijk alle romanschrijvers vanaf Tolstoi, maar Proust is na herlezing een mijlpaal in de geschiedenis van de roman. De Jong vindt de roman een uniek instrument voor de schrijver: meer dan journalistiek of film biedt de roman diepgang. Hij gaat een essay te schrijven over de evolutie van de roman. Om daardoor te ontdekken hoe hij iets nieuws toe kan voegen aan de roman als kunstwerk. Iets waarmee de functie van de roman in de 21ste eeuw zal beklijven. Na deze taakstelling is de depressiviteit ook bezworen.
De postieve werking op zijn humeur van spitwerk op een stuk land in Frankrijk is daar ook debet aan.
En zo te horen ook dit gespr

Oek de Jong: uur 2

zondag 4 juli 2010, 09:48 uur

In 2010 werd het dertigjarig jubileum van de klassieke roman ‘Opwaaiende zomerjurken’ gevierd. Dat was zijn debuut. Daarna verschenen romans als ‘Cirkel in het gras’, ‘Hokwerda’s kind’ en ‘Mevrouw Len’. En nu werkt hij aan een nieuw boek, dat in het najaar zal verschijnen. Lees meer over het gesprek van Wim Brands met de schrijver Oek de Jong.
------------------------------------------

Samenvatting Marathoninterview met Oek de Jong

UUR 1

Eerst het zondaggevoel van de schrijver. Hij beschrijft de zomerzondagen die hij veelal buiten doorbrengt, bijvoorbeeld bij het buitenhuisje in Muiderberg met zijn geliefde Sjan. Paradijselijke dagen waar juist bij het nietsdoen de diepste peilingen komen. Andere zondagen dan in zijn jeugd, waar hij als zoon van de ARP politicus de Jong uren doorbracht in de kerk, waar de kleine Oek met zijn kleurboeken zat. Is er sprake van een calvinistisch trauma, wil Wim Brands weten ? nou nee, maar toch, er zit toch wel een diep genetisch calvinisme in het Friese geslacht waar hij zelf ook niet vrij van is.
Waar bijvoorbeeld het verhaal is dat zijn overgrootvader zijn zoon niet meer wilde zien toen die op de elektrische cirkelzaag was overgestapt. Niet echt een geslacht dat op vooruitgang, verandering uit was.

De schrijver noemt zichzelf een appel die ver van de boom is gevallen, een afvallige zoon die al jong wandelend met een bos pinksterbloemen in zijn armen naar de hemel kijkt en zich afvraagt wat daar nou werkelijk is. Een jongen. Vergelijkbaar met een islamitische jongen van nu die het geloof heeft mee gekregen en toch zijn eigen weg gaat, met alle verscheurdheid erbij. De schrijver is nu 57, op een leeftijd dat hij nu ook naar die afvalligheid kan kijken vanuit het perspectief van zijn ouders.

We gaan dan in1979, naar de roman Opwaaiende zomerjurken, zijn eerste roman die hij een oerschreeuw noemt. Alle conflictstof zit daar al in, beschreven in de romanvorm met een hoofdpersoon die meemaakt wat de werkelijke jeugd aan thema?s bracht - Het isolement, dat 40 jaar een groot thema in zijn leven was. Een puber op zoek naar het zichzelf begrijpen, die later zo geïsoleerd raakt dat hij een soort borderliner wordt, die bijna in destructie een eind aan zijn leven veroorzaakt en toch eindigt met Ik wil! Ik wil!.

Dat element van gewelddadige destructie zit in al zijn werk, met als hoogtepunt de moord in Hokwerda's kind?.
Om uit te leggen wat dat destructieve is, beschrijft hij een dag tijdens het schrijven van Wonderen van de heilbot, een jaar of 5 geleden, hij zat hij nog in de nadagen van een lange depressieve periode. Hij beschrijft een dag op een zeilboot op het IJsselmeer, zwaar weer, en hoe hij zijn been openhaalde als hij door een steiger zakt. Het rauwe daarvan beleeft hij als een bevrijding, als een moment dat je ervaart dat je juist lééft.

De diepe wortels van zijn donkere periode, die wel tien jaar heeft geduurd, die wortels liggen toch wel in zijn jeugd, zelfs in de generaties daarvoor. Een bevrijdend moment in die lange depressie was het werken in een tuinderij, waar hij werkte met zwakzinnigen. Het fysieke van een boom uitgraven, het symbolische daarvan ook. Dat was in 1987, hij werkte daar anderhalve dag per week. ´s Avonds had hij dan een helder hoofd. Hij was toen de best verkopende en meest bekende jonge schrijver van Nederland. Dat vonden ze wel opmerkelijk daar in die gemeenschap van zwakzinnigen, dat hij bomen kwam uitgraven.

UUR 2

Eerst die nieuwe roman waar hij aan werkt. Dat is begonnen met het vinden van een oude kaart van Goes, waar hij in zijn jeugd woonde. Ik stond naar een vesting te kijken, zei hij, een vesting die ik wel moest veroveren. Een titel voor het boek heeft hij nog niet, en hij wil er nog niet veel over kwijt.

Het begint bij een beeld en dan komt het boek. Wim Brands laat een Daklozenkrant uit 1997 zien waarin Oek de Jong een verhaal publiceerde dat uiteindelijk tot de roman Hokwerda's kind uitgroeit.

De schrijver beschrijft de inspiratie voor dat verhaal: een verhaal van Raymond Carver, Feathers, waarin Jack en zijn vrouw bij Budd op bezoek gaan, en bespreken wat ze mee zullen nemen, zelfgebakken brood, en dan voor de deur een angstaanjagende schreeuw van een pauw horen. De baby van Budd en zijn vrouw blijkt héél lelijk te zijn en juist die avond wil de vrouw van Jack dat hij haar zwanger maakt. Hoe vanuit de banaliteit van een gesprekje over wat zullen we meenemen vanavond, zelfgebakken brood, via de pauw en de baby er zoiets gebeurt als: ik wil zwanger worden. Het schrijven over gewone mensen en gewone situaties, dat is de inspiratie van Carver.
Voor Hokwerda´s kind begint het bij een artikel in het blad Privé over een meisje dat de schrijver vroeger had gekend en die samen met haar vriend een gewelddadige moord had gepleegd op de ouders. Als ik nu terugkijk op die roman, zegt de schrijver, is het een afdaling in het kwaad dat in mensen sluimert en dus ook in mijzelf -daar was ik toen blijkbaar aan toe. Hij voelde zich verbonden met iemand die in zo?n parket terecht komt, hij herkende haar eenzaamheid.

Je bent bezig met dicht bij de waarheid te komen, door de conventies heen, dat is mijn grootste passie in het schrijven, zegt hij. Zo begon hij ooit met schrijven, dat is het nog steeds. Waarheidszoeking, is dat toch niet weer heel calvinistisch, vraagt Brands. Nee, nee, juist niet! Het calvinisme is een grote leugen, daarom werd hij juist zo kwaad toen hij 16 was, het waren juist de formules en de leugens die beknelden. Want alles draait in een mensenleven om de vitaliteit, om authenticiteit.

Hoe schrijft hij? Hij begon als jongeman van 22 jaar die achter een blanco papier ging zitten en niet met zijn vriendin naar het strand ging en dan was 's avonds het papier nog steeds blanco. Inmiddels kent hij ook het gemak van schrijven. Vooral op de kleine papiertjes die naast het feitelijke verhaal volgekrabbeld worden met vrije gedachten en beelden. Schrik je soms niet van wat je zelf schrijft, is de vraag? Ja, je moet ook soms de deksel afhalen waar je 'm soms liever laat zitten. Dan moet je weer maanden afkicken van je eigen personages.

Voor UUR 3 staat op het menu:

De mystiek in Geit en Inktvis. Deze mooie novellen werden slecht ontvangen. De mensen vonden het te vaag. Te spiritueel. De heren halen filosoof Peter Sloterdijk erbij om de tijdgeest te tackelen. En Oek stelt vast dat hij niet met de gevestigde coterie aanpapte, en daarvoor gestraft werd. In de tussentijd is er meer vrijheid ontstaan en zouden de novellen, met eventuele aangevulling, opnieuw uitgebracht kunnen worden zonder woedende aanvallen der recensenten......
Dan over naar het dagboek 'De wonderen van de heilbot' van Oek de Jong. Waarom houdt hij zo van vissen? In de heilbot doet hij verslag van zijn worstelen met het leven. Met als conclusie dat 'opgeven' het sleutelwoord is.
Een half uur voor het eind stelt Brands de vraag naar Oek's inspiratiebronnen uit de literatuur: Proust. Natuurlijk alle romanschrijvers vanaf Tolstoi, maar Proust is na herlezing een mijlpaal in de geschiedenis van de roman. De Jong vindt de roman een uniek instrument voor de schrijver: meer dan journalistiek of film biedt de roman diepgang. Hij gaat een essay te schrijven over de evolutie van de roman. Om daardoor te ontdekken hoe hij iets nieuws toe kan voegen aan de roman als kunstwerk. Iets waarmee de functie van de roman in de 21ste eeuw zal beklijven. Na deze taakstelling is de depressiviteit ook bezworen.
De postieve werking op zijn humeur van spitwerk op een stuk land in Frankrijk is daar ook debet aan.
En zo te horen ook dit gespr

Oek de Jong: uur 1

zondag 4 juli 2010, 09:47 uur

In 2010 werd het dertigjarig jubileum van de klassieke roman ‘Opwaaiende zomerjurken’ gevierd. Dat was zijn debuut. Daarna verschenen romans als ‘Cirkel in het gras’, ‘Hokwerda’s kind’ en ‘Mevrouw Len’. En nu werkt hij aan een nieuw boek, dat in het najaar zal verschijnen. Lees meer over het gesprek van Wim Brands met de schrijver Oek de Jong.
------------------------------------------

Samenvatting Marathoninterview met Oek de Jong

UUR 1

Eerst het zondaggevoel van de schrijver. Hij beschrijft de zomerzondagen die hij veelal buiten doorbrengt, bijvoorbeeld bij het buitenhuisje in Muiderberg met zijn geliefde Sjan. Paradijselijke dagen waar juist bij het nietsdoen de diepste peilingen komen. Andere zondagen dan in zijn jeugd, waar hij als zoon van de ARP politicus de Jong uren doorbracht in de kerk, waar de kleine Oek met zijn kleurboeken zat. Is er sprake van een calvinistisch trauma, wil Wim Brands weten ? nou nee, maar toch, er zit toch wel een diep genetisch calvinisme in het Friese geslacht waar hij zelf ook niet vrij van is.
Waar bijvoorbeeld het verhaal is dat zijn overgrootvader zijn zoon niet meer wilde zien toen die op de elektrische cirkelzaag was overgestapt. Niet echt een geslacht dat op vooruitgang, verandering uit was.

De schrijver noemt zichzelf een appel die ver van de boom is gevallen, een afvallige zoon die al jong wandelend met een bos pinksterbloemen in zijn armen naar de hemel kijkt en zich afvraagt wat daar nou werkelijk is. Een jongen. Vergelijkbaar met een islamitische jongen van nu die het geloof heeft mee gekregen en toch zijn eigen weg gaat, met alle verscheurdheid erbij. De schrijver is nu 57, op een leeftijd dat hij nu ook naar die afvalligheid kan kijken vanuit het perspectief van zijn ouders.

We gaan dan in1979, naar de roman Opwaaiende zomerjurken, zijn eerste roman die hij een oerschreeuw noemt. Alle conflictstof zit daar al in, beschreven in de romanvorm met een hoofdpersoon die meemaakt wat de werkelijke jeugd aan thema?s bracht - Het isolement, dat 40 jaar een groot thema in zijn leven was. Een puber op zoek naar het zichzelf begrijpen, die later zo geïsoleerd raakt dat hij een soort borderliner wordt, die bijna in destructie een eind aan zijn leven veroorzaakt en toch eindigt met Ik wil! Ik wil!.

Dat element van gewelddadige destructie zit in al zijn werk, met als hoogtepunt de moord in Hokwerda's kind?.
Om uit te leggen wat dat destructieve is, beschrijft hij een dag tijdens het schrijven van Wonderen van de heilbot, een jaar of 5 geleden, hij zat hij nog in de nadagen van een lange depressieve periode. Hij beschrijft een dag op een zeilboot op het IJsselmeer, zwaar weer, en hoe hij zijn been openhaalde als hij door een steiger zakt. Het rauwe daarvan beleeft hij als een bevrijding, als een moment dat je ervaart dat je juist lééft.

De diepe wortels van zijn donkere periode, die wel tien jaar heeft geduurd, die wortels liggen toch wel in zijn jeugd, zelfs in de generaties daarvoor. Een bevrijdend moment in die lange depressie was het werken in een tuinderij, waar hij werkte met zwakzinnigen. Het fysieke van een boom uitgraven, het symbolische daarvan ook. Dat was in 1987, hij werkte daar anderhalve dag per week. ´s Avonds had hij dan een helder hoofd. Hij was toen de best verkopende en meest bekende jonge schrijver van Nederland. Dat vonden ze wel opmerkelijk daar in die gemeenschap van zwakzinnigen, dat hij bomen kwam uitgraven.

UUR 2

Eerst die nieuwe roman waar hij aan werkt. Dat is begonnen met het vinden van een oude kaart van Goes, waar hij in zijn jeugd woonde. Ik stond naar een vesting te kijken, zei hij, een vesting die ik wel moest veroveren. Een titel voor het boek heeft hij nog niet, en hij wil er nog niet veel over kwijt.

Het begint bij een beeld en dan komt het boek. Wim Brands laat een Daklozenkrant uit 1997 zien waarin Oek de Jong een verhaal publiceerde dat uiteindelijk tot de roman Hokwerda's kind uitgroeit.

De schrijver beschrijft de inspiratie voor dat verhaal: een verhaal van Raymond Carver, Feathers, waarin Jack en zijn vrouw bij Budd op bezoek gaan, en bespreken wat ze mee zullen nemen, zelfgebakken brood, en dan voor de deur een angstaanjagende schreeuw van een pauw horen. De baby van Budd en zijn vrouw blijkt héél lelijk te zijn en juist die avond wil de vrouw van Jack dat hij haar zwanger maakt. Hoe vanuit de banaliteit van een gesprekje over wat zullen we meenemen vanavond, zelfgebakken brood, via de pauw en de baby er zoiets gebeurt als: ik wil zwanger worden. Het schrijven over gewone mensen en gewone situaties, dat is de inspiratie van Carver.
Voor Hokwerda´s kind begint het bij een artikel in het blad Privé over een meisje dat de schrijver vroeger had gekend en die samen met haar vriend een gewelddadige moord had gepleegd op de ouders. Als ik nu terugkijk op die roman, zegt de schrijver, is het een afdaling in het kwaad dat in mensen sluimert en dus ook in mijzelf -daar was ik toen blijkbaar aan toe. Hij voelde zich verbonden met iemand die in zo?n parket terecht komt, hij herkende haar eenzaamheid.

Je bent bezig met dicht bij de waarheid te komen, door de conventies heen, dat is mijn grootste passie in het schrijven, zegt hij. Zo begon hij ooit met schrijven, dat is het nog steeds. Waarheidszoeking, is dat toch niet weer heel calvinistisch, vraagt Brands. Nee, nee, juist niet! Het calvinisme is een grote leugen, daarom werd hij juist zo kwaad toen hij 16 was, het waren juist de formules en de leugens die beknelden. Want alles draait in een mensenleven om de vitaliteit, om authenticiteit.

Hoe schrijft hij? Hij begon als jongeman van 22 jaar die achter een blanco papier ging zitten en niet met zijn vriendin naar het strand ging en dan was 's avonds het papier nog steeds blanco. Inmiddels kent hij ook het gemak van schrijven. Vooral op de kleine papiertjes die naast het feitelijke verhaal volgekrabbeld worden met vrije gedachten en beelden. Schrik je soms niet van wat je zelf schrijft, is de vraag? Ja, je moet ook soms de deksel afhalen waar je 'm soms liever laat zitten. Dan moet je weer maanden afkicken van je eigen personages.

Voor UUR 3 staat op het menu:

De mystiek in Geit en Inktvis. Deze mooie novellen werden slecht ontvangen. De mensen vonden het te vaag. Te spiritueel. De heren halen filosoof Peter Sloterdijk erbij om de tijdgeest te tackelen. En Oek stelt vast dat hij niet met de gevestigde coterie aanpapte, en daarvoor gestraft werd. In de tussentijd is er meer vrijheid ontstaan en zouden de novellen, met eventuele aangevulling, opnieuw uitgebracht kunnen worden zonder woedende aanvallen der recensenten......
Dan over naar het dagboek 'De wonderen van de heilbot' van Oek de Jong. Waarom houdt hij zo van vissen? In de heilbot doet hij verslag van zijn worstelen met het leven. Met als conclusie dat 'opgeven' het sleutelwoord is.
Een half uur voor het eind stelt Brands de vraag naar Oek's inspiratiebronnen uit de literatuur: Proust. Natuurlijk alle romanschrijvers vanaf Tolstoi, maar Proust is na herlezing een mijlpaal in de geschiedenis van de roman. De Jong vindt de roman een uniek instrument voor de schrijver: meer dan journalistiek of film biedt de roman diepgang. Hij gaat een essay te schrijven over de evolutie van de roman. Om daardoor te ontdekken hoe hij iets nieuws toe kan voegen aan de roman als kunstwerk. Iets waarmee de functie van de roman in de 21ste eeuw zal beklijven. Na deze taakstelling is de depressiviteit ook bezworen.
De postieve werking op zijn humeur van spitwerk op een stuk land in Frankrijk is daar ook debet aan.
En zo te horen ook dit gesprek.

Marathoninterview Herzien - Jan Wolkers

vrijdag 17 juli 2009, 22:00 uur

Op 19 december 1986 sprak Ronald van den Boogaard drie uur lang met de schrijver van boeken als 'Turks fruit’ en ‘Terug naar Oegstgeest’ en ‘Kort Amerikaans’.

Na afloop van de herhaling van dit gesprek praat Wim Brands met Onno Blom, de biograaf van Jan Wolkers. Samen blikken zij terug op het ‘Marathoninterview’ uit 1986.

Marathoninterview Herzien - Thomas Rosenboom

vrijdag 10 juli 2009, 22:00 uur

Op 29 juli 2005 sprak Wim Brands drie uur lang met de schrijver van o.a. de historische romans 'Gewassen vlees' en 'Publieke werken'.

Na afloop van de herhaling van dit lange interview praat Wim Brands opnieuw met de Thomas Rosenboom. Samen blikken zij terug op het ‘Marathoninterview’ van vier jaar geleden.

James Kennedy: uur 2

woensdag 31 december 2008, 10:36 uur

Hij studeerde buitenlandse betrekkingen, theologie en Europese geschiedenis in Amerika en verhuisde toen naar het land van zijn moeder. Toen hij zich in Amsterdam als migrant meldde bij de Vreemdelingenpolitie in een rij van bijna allemaal zwarte mensen, werd hij binnen tien minuten geholpen als de blanke met de privileges, en was onaangenaam verrast. In een gesprek van drie uur met Rik Delhaas gaf hij in 2008 zijn visie op de Nederlandse samenleving. ---------------------------------

J.Kennedy

Als jongen wilde hij het liefst meteoroloog worden: "Dat krijg je als je opgroeit in een staat van meedogenloze 'twisters': temperatuurschommelingen die van hartje zomer naar hartje winter in twaalf uur tijd gaan." Maar hij werd historicus, onze gast van vanavond, en hij ging zich bezighouden met dat onooglijk kleine landje aan de andere kant van de Atlantische Oceaan waar een deel van zijn geschiedenis ligt.

James Carleton Kennedy wordt in 1963 geboren in Orange City, in de staat Iowa in de Verenigde Staten. Zijn Schots-Ierse vader en Rotterdamse moeder zijn in dit kleine dorp, dat werd gesticht door Hollandse immigranten, neergestreken om er hun bestaan op te bouwen. Hoe goed hij ook probeert mee te doen aan de festiviteiten van deze Hollandse immigranten, hij blijft toch altijd een buitenstaander tussen gereformeerde boerenjongens.

Op zijn twintigste vertrekt hij naar Washington om Buitenlandse Betrekkingen te studeren, vervolgens Theologie in Michigan en Europese Geschiedenis aan de universiteit van Iowa. Zijn promotor moedigt hem aan om met de Nederlandse geschiedenis bezig te gaan. Hij promoveert met 'Nieuw Babylon in Aanbouw', een proefschrift over de jaren zestig in Nederland. Ondertussen trouwt hij net als zijn vader met een Nederlandse vrouw. In 2001 verschijnt zijn onderzoek naar euthanasie in Nederland onder de titel: 'Een weloverwogen dood'.

In 2003 wordt hij aangesteld als hoogleraar Contemporaine Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Het gezin Kennedy verhuist naar Nederland. In 2007 maakt hij de overstap van de gereformeerde VU naar de seculiere Universiteit van Amsterdam, waar hij tot op heden hoogleraar Nederlandse geschiedenis is.

Een Amerikaan in Nederland, opnieuw immigrant. In een land dat de multiculturele samenleving heeft afgeschaft. Terwijl er aan de andere kant van de oceaan in zijn eigen land een politieke aardverschuiving plaatsvindt nu de eerste zwarte president daar aantreedt.
--------------------------------------------

Samenvatting eerste uur
Om te beginnen verplaatsten we ons naar een oudejaarsavond in Orange City in Iowa, waar hij geboren werd en opgroeide. Een dorp met 3500 inwoners. Oudejaarsavond werd doorgebracht met kaarten, zoals hij dat nu in Amersfoort met zijn gezin ook zou doen, ware hij thuis geweest. Daar in Orange City ging je om 12 uur niet naar buiten om vuurwerk af te steken – je bleef binnen, dronk een glas champagne en ging slapen. Er was geen buitenleven – daar was het gewoon ook veel te koud voor.

Overigens wel een vriendelijk dorp, waar je op 1 januari naar de kerk wandelde en 'hi' en 'hello' zei in de supermarkt. Maar waar ook sterk op elkaar gelet werd. Halverwege de 19-de eeuw waren de Nederlandse immigranten daar neergestreken, maar de familie Kennedy was een buitenbeentje – nieuwkomers van buiten daar neergestreken, intellectuelen, een Schots-Ierse vader en een Rotterdamse moeder, een níeuwe Nederlander dus.

Bovendien was James geen uitblinker in sport – en daar werd je ook niet populair van in Orange City. Wel danste hij jaarlijks tijdens het Tulpenfestival braaf de Jan Pierewiet – een soort polka, liefst gedanst in een Staphorster kostuum en op klompen.
Het christelijke dorp wist lang een kroeg buiten de dorpsgrenzen te houden – zo’n broedplaats van slecht gedrag paste niet in het onberispelijke dorp.

De kerk daar, ook die van de familie Kennedy, omschrijft hij als een conservatieve maar gewone gereformeerde kerk. Het waren geen zwarte kousen mensen, zegt hij, het was meer: Wij zijn orthodox, wij hebben een persoonlijke relatie met Jezus, we gaan trouw naar de kerk, we zijn goede mensen. Op de christelijke school was tijdens zijn tienerjaren de issue: dansen of niet? Want dat kwam te dicht bij seksuele onzedelijkheid.

Toen zijn vader in Cambridge ging werken, zat James opeens een jaar tussen de ongelovigen. En toen moest hij kiezen, vond hij – waar hoorde hij bij? En hij koos voor het geloof.

Interviewer Delhaas vraagt of het geloof een houvast is voor wie migrant is – en dat beaamt hij. Kennedy is inmiddels weer migrant, en hij merkt dat er steeds meer van hem verwacht wordt zijn identiteit los te laten – er is minder ruimte om de Amerikaan te spelen dan toen hij vijfeneenhalf jaar geleden kwam.

Een inburgeringscursus heeft hij niet gevolgd, daar is hij nooit voor opgeroepen. Hij herinnert zich toen hij zich als migrant voor het eerst moest melden bij de Vreemdelingenpolitie in Amsterdam – er was een wachtruimte vol mensen, tientallen mensen, en ze waren bijna allemaal zwart. En hij werd binnen tien minuten binnen geroepen en stond na een kwartiertje op straat, alles geregeld. De blanke met de privileges. Dat had hij niet verwacht van Nederland – en het was een onaangename verrassing. Hij constateerde dat de multiculturele samenleving die met de mond beleden werd in de praktijk nooit zo soepel is geweest.

Zoals hij als historicus Nederland kende als een land van minderheden, niet een land met minderheden, zo is Nederland nu een land waar een dominante blanke seculiere cultuur geldt.

Samenvatting tweede uur
Eerst ging het over de familie van Kennedy’s moeder – de Rotterdamse familie die hij leerde kennen als ze vanuit Amerika daar op bezoek waren. Van zijn Amerikaanse vader had wel eens iets gehoord over wat die Nederlandse familie in de oorlog hadden gedaan. Er was een verzetspersoon en er waren leden van de NSB, kerkmensen die politiek een beetje ontheemd waren, zo vond hij uit, en hij merkte dat het niet makkelijk was om de waarheid daarover boven tafel te krijgen.

De student James had belangstelling voor geschiedenis – en na zijn studies Buitenlandse Betrekkingen, Theologie en Europese Geschiedenis ging zijn promotieonderzoek uiteindelijk over de jaren zestig in Nederland. En zo verdiepte hij zich in de typisch Nederlandse politiek. Die je kan omschrijven als een gebrek aan idealen in Nederland, zegt hij.

Nederland is geen idee. Het is een ruimte. In Nederland heerst de houding van: we zetten de deuren open, een meegaandheid met wat er gebeurt. Zodat ook de Duitse inval in 1940 door Colijn gezien werd als een onvermijdelijke ontwikkeling – daar leg je je bij neer. Die drang tot pacificatie, tot slappe meegaandheid in de Nederlandse politiek, dat is opvallend voor een Amerikaan, want Amerikanen maken geschiedenis – ze kiezen zelf welke toekomst ze tegemoet gaan. Daarom is het machtspel in de Amerikaanse politiek ook zo hard. Want Amerika is wel een idee.

Nederland als ruimte om dingen te regelen – bijvoorbeeld de dood. Een land waar euthanasie mogelijk is. Over dat onderwerp schreef Kennedy in 2001 zijn onderzoek 'Een Weloverwogen Dood'. Hij leerde over dood en leven tijdens zijn vrijwilligerswerk in een hospitium – waar aan pijnbestrijding werd gedaan, maar geen euthanasie werd toegepast.

Interviewer Delhaas vraagt naar de Amerikaanse grootmoeder van James Kennedy, die op haar sterfbed morfine kreeg. Is dat nou pijnbestrijding of euthanasie, is de vraag? Ja moeilijk, zegt hij, de familie is inderdaad niet betrokken bij de vraag of er wel of geen morfine gegeven werd, het was gewoon de medische praktijk dat te doen. Zijn ouders en hij hebben daar achteraf problemen mee gehad. Haar dood ging zo snel.
Als we dat nu vergelijken met de Nederlandse praktijk, is de vraag– en Kennedy’s ambivalentie over de euthanasiepraktijk hier. Enerzijds is er de waardering voor het realiteitsbesef van Nederland, waar dat wat gebeurt ook besproken wordt. Tegelijk vindt hij het naïef dat Nederland net doet alsof het geregeld is – want ondraaglijk lijden, dat is zo’n rekbaar begrip, hoe kan je dan zeggen dat het goed geregeld is.

Persoonlijk staat hij afwijzend tegenover de gedachte zelf over het leven te beslissen, vanuit christelijke scrupules, maar hij heeft ook geleerd dat je nooit nooit kan zeggen.

James Kennedy: uur 1

woensdag 31 december 2008, 10:34 uur

Hij studeerde buitenlandse betrekkingen, theologie en Europese geschiedenis in Amerika en verhuisde toen naar het land van zijn moeder. Toen hij zich in Amsterdam als migrant meldde bij de Vreemdelingenpolitie in een rij van bijna allemaal zwarte mensen, werd hij binnen tien minuten geholpen als de blanke met de privileges, en was onaangenaam verrast. In een gesprek van drie uur met Rik Delhaas gaf hij in 2008 zijn visie op de Nederlandse samenleving. ---------------------------------

J.Kennedy

Als jongen wilde hij het liefst meteoroloog worden: "Dat krijg je als je opgroeit in een staat van meedogenloze 'twisters': temperatuurschommelingen die van hartje zomer naar hartje winter in twaalf uur tijd gaan." Maar hij werd historicus, onze gast van vanavond, en hij ging zich bezighouden met dat onooglijk kleine landje aan de andere kant van de Atlantische Oceaan waar een deel van zijn geschiedenis ligt.

James Carleton Kennedy wordt in 1963 geboren in Orange City, in de staat Iowa in de Verenigde Staten. Zijn Schots-Ierse vader en Rotterdamse moeder zijn in dit kleine dorp, dat werd gesticht door Hollandse immigranten, neergestreken om er hun bestaan op te bouwen. Hoe goed hij ook probeert mee te doen aan de festiviteiten van deze Hollandse immigranten, hij blijft toch altijd een buitenstaander tussen gereformeerde boerenjongens.

Op zijn twintigste vertrekt hij naar Washington om Buitenlandse Betrekkingen te studeren, vervolgens Theologie in Michigan en Europese Geschiedenis aan de universiteit van Iowa. Zijn promotor moedigt hem aan om met de Nederlandse geschiedenis bezig te gaan. Hij promoveert met 'Nieuw Babylon in Aanbouw', een proefschrift over de jaren zestig in Nederland. Ondertussen trouwt hij net als zijn vader met een Nederlandse vrouw. In 2001 verschijnt zijn onderzoek naar euthanasie in Nederland onder de titel: 'Een weloverwogen dood'.

In 2003 wordt hij aangesteld als hoogleraar Contemporaine Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Het gezin Kennedy verhuist naar Nederland. In 2007 maakt hij de overstap van de gereformeerde VU naar de seculiere Universiteit van Amsterdam, waar hij tot op heden hoogleraar Nederlandse geschiedenis is.

Een Amerikaan in Nederland, opnieuw immigrant. In een land dat de multiculturele samenleving heeft afgeschaft. Terwijl er aan de andere kant van de oceaan in zijn eigen land een politieke aardverschuiving plaatsvindt nu de eerste zwarte president daar aantreedt.
--------------------------------------------

Samenvatting eerste uur
Om te beginnen verplaatsten we ons naar een oudejaarsavond in Orange City in Iowa, waar hij geboren werd en opgroeide. Een dorp met 3500 inwoners. Oudejaarsavond werd doorgebracht met kaarten, zoals hij dat nu in Amersfoort met zijn gezin ook zou doen, ware hij thuis geweest. Daar in Orange City ging je om 12 uur niet naar buiten om vuurwerk af te steken – je bleef binnen, dronk een glas champagne en ging slapen. Er was geen buitenleven – daar was het gewoon ook veel te koud voor.

Overigens wel een vriendelijk dorp, waar je op 1 januari naar de kerk wandelde en 'hi' en 'hello' zei in de supermarkt. Maar waar ook sterk op elkaar gelet werd. Halverwege de 19-de eeuw waren de Nederlandse immigranten daar neergestreken, maar de familie Kennedy was een buitenbeentje – nieuwkomers van buiten daar neergestreken, intellectuelen, een Schots-Ierse vader en een Rotterdamse moeder, een níeuwe Nederlander dus.

Bovendien was James geen uitblinker in sport – en daar werd je ook niet populair van in Orange City. Wel danste hij jaarlijks tijdens het Tulpenfestival braaf de Jan Pierewiet – een soort polka, liefst gedanst in een Staphorster kostuum en op klompen.
Het christelijke dorp wist lang een kroeg buiten de dorpsgrenzen te houden – zo’n broedplaats van slecht gedrag paste niet in het onberispelijke dorp.

De kerk daar, ook die van de familie Kennedy, omschrijft hij als een conservatieve maar gewone gereformeerde kerk. Het waren geen zwarte kousen mensen, zegt hij, het was meer: Wij zijn orthodox, wij hebben een persoonlijke relatie met Jezus, we gaan trouw naar de kerk, we zijn goede mensen. Op de christelijke school was tijdens zijn tienerjaren de issue: dansen of niet? Want dat kwam te dicht bij seksuele onzedelijkheid.

Toen zijn vader in Cambridge ging werken, zat James opeens een jaar tussen de ongelovigen. En toen moest hij kiezen, vond hij – waar hoorde hij bij? En hij koos voor het geloof.

Interviewer Delhaas vraagt of het geloof een houvast is voor wie migrant is – en dat beaamt hij. Kennedy is inmiddels weer migrant, en hij merkt dat er steeds meer van hem verwacht wordt zijn identiteit los te laten – er is minder ruimte om de Amerikaan te spelen dan toen hij vijfeneenhalf jaar geleden kwam.

Een inburgeringscursus heeft hij niet gevolgd, daar is hij nooit voor opgeroepen. Hij herinnert zich toen hij zich als migrant voor het eerst moest melden bij de Vreemdelingenpolitie in Amsterdam – er was een wachtruimte vol mensen, tientallen mensen, en ze waren bijna allemaal zwart. En hij werd binnen tien minuten binnen geroepen en stond na een kwartiertje op straat, alles geregeld. De blanke met de privileges. Dat had hij niet verwacht van Nederland – en het was een onaangename verrassing. Hij constateerde dat de multiculturele samenleving die met de mond beleden werd in de praktijk nooit zo soepel is geweest.

Zoals hij als historicus Nederland kende als een land van minderheden, niet een land met minderheden, zo is Nederland nu een land waar een dominante blanke seculiere cultuur geldt.

Samenvatting tweede uur
Eerst ging het over de familie van Kennedy’s moeder – de Rotterdamse familie die hij leerde kennen als ze vanuit Amerika daar op bezoek waren. Van zijn Amerikaanse vader had wel eens iets gehoord over wat die Nederlandse familie in de oorlog hadden gedaan. Er was een verzetspersoon en er waren leden van de NSB, kerkmensen die politiek een beetje ontheemd waren, zo vond hij uit, en hij merkte dat het niet makkelijk was om de waarheid daarover boven tafel te krijgen.

De student James had belangstelling voor geschiedenis – en na zijn studies Buitenlandse Betrekkingen, Theologie en Europese Geschiedenis ging zijn promotieonderzoek uiteindelijk over de jaren zestig in Nederland. En zo verdiepte hij zich in de typisch Nederlandse politiek. Die je kan omschrijven als een gebrek aan idealen in Nederland, zegt hij.

Nederland is geen idee. Het is een ruimte. In Nederland heerst de houding van: we zetten de deuren open, een meegaandheid met wat er gebeurt. Zodat ook de Duitse inval in 1940 door Colijn gezien werd als een onvermijdelijke ontwikkeling – daar leg je je bij neer. Die drang tot pacificatie, tot slappe meegaandheid in de Nederlandse politiek, dat is opvallend voor een Amerikaan, want Amerikanen maken geschiedenis – ze kiezen zelf welke toekomst ze tegemoet gaan. Daarom is het machtspel in de Amerikaanse politiek ook zo hard. Want Amerika is wel een idee.

Nederland als ruimte om dingen te regelen – bijvoorbeeld de dood. Een land waar euthanasie mogelijk is. Over dat onderwerp schreef Kennedy in 2001 zijn onderzoek 'Een Weloverwogen Dood'. Hij leerde over dood en leven tijdens zijn vrijwilligerswerk in een hospitium – waar aan pijnbestrijding werd gedaan, maar geen euthanasie werd toegepast.

Interviewer Delhaas vraagt naar de Amerikaanse grootmoeder van James Kennedy, die op haar sterfbed morfine kreeg. Is dat nou pijnbestrijding of euthanasie, is de vraag? Ja moeilijk, zegt hij, de familie is inderdaad niet betrokken bij de vraag of er wel of geen morfine gegeven werd, het was gewoon de medische praktijk dat te doen. Zijn ouders en hij hebben daar achteraf problemen mee gehad. Haar dood ging zo snel.
Als we dat nu vergelijken met de Nederlandse praktijk, is de vraag– en Kennedy’s ambivalentie over de euthanasiepraktijk hier. Enerzijds is er de waardering voor het realiteitsbesef van Nederland, waar dat wat gebeurt ook besproken wordt. Tegelijk vindt hij het naïef dat Nederland net doet alsof het geregeld is – want ondraaglijk lijden, dat is zo’n rekbaar begrip, hoe kan je dan zeggen dat het goed geregeld is.

Persoonlijk staat hij afwijzend tegenover de gedachte zelf over het leven te beslissen, vanuit christelijke scrupules, maar hij heeft ook geleerd dat je nooit nooit kan zeggen.

James Kennedy: uur 3

dinsdag 30 december 2008, 23:00 uur

Hij studeerde buitenlandse betrekkingen, theologie en Europese geschiedenis in Amerika en verhuisde toen naar het land van zijn moeder. Toen hij zich in Amsterdam als migrant meldde bij de Vreemdelingenpolitie in een rij van bijna allemaal zwarte mensen, werd hij binnen tien minuten geholpen als de blanke met de privileges, en was onaangenaam verrast. In een gesprek van drie uur met Rik Delhaas gaf hij in 2008 zijn visie op de Nederlandse samenleving. ---------------------------------

J.Kennedy

Als jongen wilde hij het liefst meteoroloog worden: "Dat krijg je als je opgroeit in een staat van meedogenloze 'twisters': temperatuurschommelingen die van hartje zomer naar hartje winter in twaalf uur tijd gaan." Maar hij werd historicus, onze gast van vanavond, en hij ging zich bezighouden met dat onooglijk kleine landje aan de andere kant van de Atlantische Oceaan waar een deel van zijn geschiedenis ligt.

James Carleton Kennedy wordt in 1963 geboren in Orange City, in de staat Iowa in de Verenigde Staten. Zijn Schots-Ierse vader en Rotterdamse moeder zijn in dit kleine dorp, dat werd gesticht door Hollandse immigranten, neergestreken om er hun bestaan op te bouwen. Hoe goed hij ook probeert mee te doen aan de festiviteiten van deze Hollandse immigranten, hij blijft toch altijd een buitenstaander tussen gereformeerde boerenjongens.

Op zijn twintigste vertrekt hij naar Washington om Buitenlandse Betrekkingen te studeren, vervolgens Theologie in Michigan en Europese Geschiedenis aan de universiteit van Iowa. Zijn promotor moedigt hem aan om met de Nederlandse geschiedenis bezig te gaan. Hij promoveert met 'Nieuw Babylon in Aanbouw', een proefschrift over de jaren zestig in Nederland. Ondertussen trouwt hij net als zijn vader met een Nederlandse vrouw. In 2001 verschijnt zijn onderzoek naar euthanasie in Nederland onder de titel: 'Een weloverwogen dood'.

In 2003 wordt hij aangesteld als hoogleraar Contemporaine Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Het gezin Kennedy verhuist naar Nederland. In 2007 maakt hij de overstap van de gereformeerde VU naar de seculiere Universiteit van Amsterdam, waar hij tot op heden hoogleraar Nederlandse geschiedenis is.

Een Amerikaan in Nederland, opnieuw immigrant. In een land dat de multiculturele samenleving heeft afgeschaft. Terwijl er aan de andere kant van de oceaan in zijn eigen land een politieke aardverschuiving plaatsvindt nu de eerste zwarte president daar aantreedt.
--------------------------------------------

Samenvatting eerste uur
Om te beginnen verplaatsten we ons naar een oudejaarsavond in Orange City in Iowa, waar hij geboren werd en opgroeide. Een dorp met 3500 inwoners. Oudejaarsavond werd doorgebracht met kaarten, zoals hij dat nu in Amersfoort met zijn gezin ook zou doen, ware hij thuis geweest. Daar in Orange City ging je om 12 uur niet naar buiten om vuurwerk af te steken – je bleef binnen, dronk een glas champagne en ging slapen. Er was geen buitenleven – daar was het gewoon ook veel te koud voor.

Overigens wel een vriendelijk dorp, waar je op 1 januari naar de kerk wandelde en 'hi' en 'hello' zei in de supermarkt. Maar waar ook sterk op elkaar gelet werd. Halverwege de 19-de eeuw waren de Nederlandse immigranten daar neergestreken, maar de familie Kennedy was een buitenbeentje – nieuwkomers van buiten daar neergestreken, intellectuelen, een Schots-Ierse vader en een Rotterdamse moeder, een níeuwe Nederlander dus.

Bovendien was James geen uitblinker in sport – en daar werd je ook niet populair van in Orange City. Wel danste hij jaarlijks tijdens het Tulpenfestival braaf de Jan Pierewiet – een soort polka, liefst gedanst in een Staphorster kostuum en op klompen.
Het christelijke dorp wist lang een kroeg buiten de dorpsgrenzen te houden – zo’n broedplaats van slecht gedrag paste niet in het onberispelijke dorp.

De kerk daar, ook die van de familie Kennedy, omschrijft hij als een conservatieve maar gewone gereformeerde kerk. Het waren geen zwarte kousen mensen, zegt hij, het was meer: Wij zijn orthodox, wij hebben een persoonlijke relatie met Jezus, we gaan trouw naar de kerk, we zijn goede mensen. Op de christelijke school was tijdens zijn tienerjaren de issue: dansen of niet? Want dat kwam te dicht bij seksuele onzedelijkheid.

Toen zijn vader in Cambridge ging werken, zat James opeens een jaar tussen de ongelovigen. En toen moest hij kiezen, vond hij – waar hoorde hij bij? En hij koos voor het geloof.

Interviewer Delhaas vraagt of het geloof een houvast is voor wie migrant is – en dat beaamt hij. Kennedy is inmiddels weer migrant, en hij merkt dat er steeds meer van hem verwacht wordt zijn identiteit los te laten – er is minder ruimte om de Amerikaan te spelen dan toen hij vijfeneenhalf jaar geleden kwam.

Een inburgeringscursus heeft hij niet gevolgd, daar is hij nooit voor opgeroepen. Hij herinnert zich toen hij zich als migrant voor het eerst moest melden bij de Vreemdelingenpolitie in Amsterdam – er was een wachtruimte vol mensen, tientallen mensen, en ze waren bijna allemaal zwart. En hij werd binnen tien minuten binnen geroepen en stond na een kwartiertje op straat, alles geregeld. De blanke met de privileges. Dat had hij niet verwacht van Nederland – en het was een onaangename verrassing. Hij constateerde dat de multiculturele samenleving die met de mond beleden werd in de praktijk nooit zo soepel is geweest.

Zoals hij als historicus Nederland kende als een land van minderheden, niet een land met minderheden, zo is Nederland nu een land waar een dominante blanke seculiere cultuur geldt.

Samenvatting tweede uur:

Eerst ging het over de familie van Kennedy’s moeder – de Rotterdamse familie die hij leerde kennen als ze vanuit Amerika daar op bezoek waren. Van zijn Amerikaanse vader had wel eens iets gehoord over wat die Nederlandse familie in de oorlog hadden gedaan. Er was een verzetspersoon en er waren leden van de NSB, kerkmensen die politiek een beetje ontheemd waren, zo vond hij uit, en hij merkte dat het niet makkelijk was om de waarheid daarover boven tafel te krijgen.

De student James had belangstelling voor geschiedenis – en na zijn studies Buitenlandse Betrekkingen, Theologie en Europese Geschiedenis ging zijn promotieonderzoek uiteindelijk over de jaren zestig in Nederland. En zo verdiepte hij zich in de typisch Nederlandse politiek. Die je kan omschrijven als een gebrek aan idealen in Nederland, zegt hij.

Nederland is geen idee. Het is een ruimte. In Nederland heerst de houding van: we zetten de deuren open, een meegaandheid met wat er gebeurt. Zodat ook de Duitse inval in 1940 door Colijn gezien werd als een onvermijdelijke ontwikkeling – daar leg je je bij neer. Die drang tot pacificatie, tot slappe meegaandheid in de Nederlandse politiek, dat is opvallend voor een Amerikaan, want Amerikanen maken geschiedenis – ze kiezen zelf welke toekomst ze tegemoet gaan. Daarom is het machtspel in de Amerikaanse politiek ook zo hard. Want Amerika is wel een idee.

Nederland als ruimte om dingen te regelen – bijvoorbeeld de dood. Een land waar euthanasie mogelijk is. Over dat onderwerp schreef Kennedy in 2001 zijn onderzoek 'Een Weloverwogen Dood'. Hij leerde over dood en leven tijdens zijn vrijwilligerswerk in een hospitium – waar aan pijnbestrijding werd gedaan, maar geen euthanasie werd toegepast.

Interviewer Delhaas vraagt naar de Amerikaanse grootmoeder van James Kennedy, die op haar sterfbed morfine kreeg. Is dat nou pijnbestrijding of euthanasie, is de vraag? Ja moeilijk, zegt hij, de familie is inderdaad niet betrokken bij de vraag of er wel of geen morfine gegeven werd, het was gewoon de medische praktijk dat te doen. Zijn ouders en hij hebben daar achteraf problemen mee gehad. Haar dood ging zo snel.
Als we dat nu vergelijken met de Nederlandse praktijk, is de vraag– en Kennedy’s ambivalentie over de euthanasiepraktijk hier. Enerzijds is er de waardering voor het realiteitsbesef van Nederland, waar dat wat gebeurt ook besproken wordt. Tegelijk vindt hij het naïef dat Nederland net doet alsof het geregeld is – want ondraaglijk lijden, dat is zo’n rekbaar begrip, hoe kan je dan zeggen dat het goed geregeld is.

Persoonlijk staat hij afwijzend tegenover de gedachte zelf over het leven te beslissen, vanuit christelijke scrupules, maar hij heeft ook geleerd dat je nooit nooit kan zeggen.

.

Ella Vogelaar: uur 2

dinsdag 30 december 2008, 15:35 uur

Na de vracht van “Twintig maanden knettergek” in de prachtwijken en een boek over “De verborgen kracht van migrantenvrouwen” is het al weer even stil rond ex-Abop bestuurder en ex-minister Vogelaar. In 2008 zong zij haar eigen lied in een lang interview met Max van Weezel, de man van haar goede vriendin Anet Bleich.
--------------------------------------

Inleidng

"Ik heb veel amateurisme meegemaakt in de PvdA-top, maar dit was goed geregisseerd." Zo luidde het cynische commentaar van Ella Vogelaar op het besluit van Wouter Bos om haar ten val te brengen als minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Haar opvolger, Eberhard van der Laan, liep zich al warm in de coulissen. De enige die van niets wist, was zij.

Onze gast van vanavond, Ella Vogelaar, groeide op in Sint Philipsland in Zeeland, waar haar vader een veeteeltbedrijf had. Als eerste op het dorp ging ze naar de HBS en daarna naar de sociale academie De Horst in Driebergen - een rood bolwerk. Ze liet zich rekruteren door de CPN. Ze noemde het later beangstigend dat ze de schaduwzijden van het communisme niet tijdig had doorzien.

Via het vormingswerk voor werkende jongeren bracht ze het tot bestuurslid en voorzitter van de sociaaldemocratische onderwijsvakbond ABOP. Het voorzitterschap van de FNV ging op het nippertje aan haar neus voorbij. Sterke man Lodewijk de Waal wilde niet met haar samenwerken en ze verliet de vakbeweging "met een kras op haar ziel", zoals ze het zelf noemde.

Vervolgens ontdekten de werkgevers Vogelaar. Ze werd voorzitter van de brancheorganisatie van reïntegratiebedrijven, president-commissaris van Unilever Nederland en bestuurslid van VNO-NCW. Een linkse meid die door de ondernemers hogelijk werd gewaardeerd - zo iemand zag Wouter Bos graag toetreden tot het kabinet. Ze werd minister voor Wonen,Wijken en Integratie, WWI - zonder dat Bos haar genoeg geld meegaf.

De partijleider en de minister kregen het al snel met elkaar aan de stok over de toon die tegenover migranten moest worden aangeslagen. Polariserend en confronterend, vond Bos. Verzoenend en respectvol, als het aan Vogelaar lag. De minister slaagde er niet in haar wijkenbeleid ook in Den Haag over het voetlicht te brengen. Daar maakte Wilders haar voor knettergek uit en vreesden partijgenoten dat ze te veel in de softe hoek terecht was gekomen. Vogelaar begon een electoraal risico te vormen. Ongelukkige mediaoptredens bij Pauw & Witteman, GeenStijl en De Wereld Draait Door maakten het er in de ogen van Bos niet beter op.

November 2008 barstte de bom. Vogelaar kon volgens de partijtop niet langer gezagsvol en effectief functioneren. Zoals haar 's avonds in een achterkamertje werd meegedeeld. Schijnbaar ongebroken sloeg ze terug. Kon zij er wat aan doen dat de PvdA zo in de war was over de multiculturele samenleving?

De krantencommentaren na haar vertrek waren vernietigend. Ze kwam te verbeten over, ze had een cursus charisma nodig. Ze dronk alleen maar kopjes thee met imams en voerde een beleid van pappen en nathouden. Ze gedroeg zich horkerig en nam mensen tegen zich in.

Offerde de PvdA haar op het altaar van het oprukkende populisme? Faalde ze als minister? Hoe denkt ze daar zelf over? Luister de komende drie uur naar Max van Weezel in gesprek met oud-minister Ella Vogelaar – over het leven van een minister, wat eraan voorafging en wat erna komt.
----------------------------------------

Samenvatting eerste uur
Eerst vertelt ze wat ze doet sinds ze geen minister meer is. Ze schrijft aan een dagboek - en dat doet ze samen met haar partner Onno Bosma. Ze is al 26 jaar met hem samen. Het boek schrijven ze doordat zij vertelt en hij schrijft. Tijdens de anderhalf jaar dat ze minister was, had ze vaak ’s avonds geen tijd om dingen op te schrijven. Nu is die tijd er wel.

"Laten we naar juni 2006 gaan, als Wouter Bos belt om te vragen of zij minister wilde worden", zegt van Weezel, maar dan laat ze meteen weten dat de details over wat er gebeurd is daar in de kamer van Bos binnenkort in haar boek te lezen zullen zijn. Ze moet de verkoopcijfers van haar boek beschermen, zegt ze lachend – maar waar gaan we het dan wél over hebben?

Over de expertise die ze in huis had voor dat ministerschap bijvoorbeeld. Ze had voordien aan de wieg gestaan van de centra voor werk en inkomen en aan de wieg van de inburgeringscursussen – die ze als minister uiteindelijk zelf verder mocht vormgeven, maar die nog steeds niet succesvol zijn.

De belofte van haar opvolger Eberhard van der Laan die zegt dat het gaat lukken om 60.000 mensen per jaar aan het inburgeringsexamen te helpen, terwijl de cursuslokaaltjes nog steeds akelig leeg zijn, zou zij niet voor haar rekening durven nemen.

Ze beschrijft haar Turkse schoonmaakster, die analfabeet is in haar eigen taal, en die pas na een half jaar schroom zover te krijgen was om naar een cursus Nederlands te komen. Het zou ook helpen om gescheiden cursussen aan te bieden – zodat vrouwen wél Nederlands gaan leren of wél gaan zwemmen in plaats van niet, omdat de Haagse politici principieel vinden dat je geen scheiding tussen mannen en vrouwen moet maken.

Dat moment in juni 2006 nog een keer – ze had wel lang geaarzeld voor ze ja zei tegen Bos. "Ik had een prachtig leven", zei ze erover. Plannen om mooie reizen te maken met haar partner die tien jaar ouder is. En ook twijfelde ze over het Haagse politieke bedrijf – of dat wel de hare was.

Die praktijk viel later soms wel mee, maar op het punt van de integratiediscussie is er sprake van vervelende polarisatie en hijgerigheid. Kijk naar de debatten in de Tweede Kamer rond de overlast van een groepje Marokkaanse jongens in Gouda – de manier waarop dat gebeurt lost toch niets op. De politieke correctheid over de multiculturele samenleving is 180 graden gedraaid – de nuance wordt niet meer als bon ton ervaren. Uit schaamte dat er te lang gezwegen is over de negatieve aspecten. Doorgedraaid. Denk toch rustig na over wat je effectief kan aanpakken. Ze vond het schokkend partijgenoot Hans Spekman te horen zeggen dat je jongens die terugkomen in de wijk nadat ze zijn opgepakt moet vernederen – zij denkt niet dat dat effectief is.

Samenvatting tweede uur
De Partij van de Arbeid heeft zijn naam eer aan gedaan, zegt ze over de wijze waarop ze afgezet werd in november. Of ze hard voor elkaar zijn, is de vraag. "Nee, hárd is niet erg", zegt ze, "maar de manier waarop de laatste week rond mijn persoon een surrealistische wereld werd opgetrokken en een scenario voltrokken waar ik niks van wist, is niet nétjes", zegt ze, "laat ik het netjes zeggen".

Ze was op de Antillen en bij terugkomst werd haar voor de voeten geworpen dat ze geen aparte Antillianenindex wilde invoeren – een databank van probleem-Antillianen. "Terwijl", benadrukt ze, "iedereen binnen de partij weet wat ik aan het doen was" – dat het net zo praktisch is een algemeen registratiesysteem te hebben, want ook zij vindt dat je moet kunnen beoordelen of hulpverlening effectief is. Dus als meerdere hulpverleners met één jongen bezig zijn, moeten die dat van elkaar weten, maar daar heb je geen Antillianenindex voor nodig – zo blijkt nu ook wel, nu opvolger Van der Laan die aparte Antillianenindex niet invoert en niemand dat een probleem vindt. Dus het was een stok om de hond te slaan? Ja, zegt ze.

Dat was het op die donderdag 13 november, toen haar Blackberry meldde dat ze een ‘bila Wouter’ - een bilateraaltje met Wouter Bos - had en vervolgens een groep opgewonden journalisten trof die al wist wat zij nog niet wist. Dat ze een gesprek met Bos én fractievoorzitter Marriet Hamer en partijvoorzitter Ploumen had. Waar haar plompverloren werd meegedeeld dat ze kon opstappen.

"In Uniever gaat het netter?" vraagt van Weezel. In ieder normaal bedrijf gaat het netter, zegt ze, tenminste dat hoort zo. Van Weezel neemt de drie theorieën door waarom ze weg moest. De eerste, de officieel geformuleerde: dat ze niet meer gezagsvol en effectief kon functioneren. Ik herkende me daar niet in, zegt ze. Ik was een jaar bezig geweest om de financiering rond die wijken rond te krijgen, want dat was gewoon niet deugdelijk geregeld. Als ik er nu op terugkijk, zegt ze, heb ik het geld geregeld, en is het niet tot een breuk met de gemeentes en woningbouwcorporaties gekomen – dan vind ik dat ik het eigenlijk helemaal niet slecht vanaf heb gebracht. En er is elan en energie in die wijken zelf en er is nog nooit zo’n gemeenschappelijke agenda van de gemeentes met de corporaties geweest. Voorzitter Lilian Ploumen had erover dat corporaties en gemeentes klaagden over de minister, maar als ik dan vroeg wie dan werd het oorverdovend stil.

Theorie twee: er waren te grote tegenstellingen over haar opvattingen en die van de partij over integratie en de multiculturele samenleving. De nota-Ploumen komt ter sprake – waarin staat dat je als migrant zonder voorbehoud voor de Nederlandse samenleving moet kiezen. Het is een zin die bij Vogelaar veel vragen oproept en beetje vieze smaak in de mond geeft.

We waren gebleven op het moment in de zomer van dit jaar toen Wouter Bos een toespraak over integratie en de multiculturele samenleving hield waar haar naam niet genoemd werd. Opvallend.

De derde theorie, dat zij het te slecht deed in de media en daarom een electoraal gevaar was, komt in het derde uur wellicht nog aan de orde.

Ella Vogelaar: uur 1

dinsdag 30 december 2008, 14:26 uur

Na de vracht van “Twintig maanden knettergek” in de prachtwijken en een boek over “De verborgen kracht van migrantenvrouwen” is het al weer even stil rond ex-Abop bestuurder en ex-minister Vogelaar. In 2008 zong zij haar eigen lied in een lang interview met Max van Weezel, de man van haar goede vriendin Anet Bleich.
--------------------------------------

Inleidng

"Ik heb veel amateurisme meegemaakt in de PvdA-top, maar dit was goed geregisseerd." Zo luidde het cynische commentaar van Ella Vogelaar op het besluit van Wouter Bos om haar ten val te brengen als minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Haar opvolger, Eberhard van der Laan, liep zich al warm in de coulissen. De enige die van niets wist, was zij.

Onze gast van vanavond, Ella Vogelaar, groeide op in Sint Philipsland in Zeeland, waar haar vader een veeteeltbedrijf had. Als eerste op het dorp ging ze naar de HBS en daarna naar de sociale academie De Horst in Driebergen - een rood bolwerk. Ze liet zich rekruteren door de CPN. Ze noemde het later beangstigend dat ze de schaduwzijden van het communisme niet tijdig had doorzien.

Via het vormingswerk voor werkende jongeren bracht ze het tot bestuurslid en voorzitter van de sociaaldemocratische onderwijsvakbond ABOP. Het voorzitterschap van de FNV ging op het nippertje aan haar neus voorbij. Sterke man Lodewijk de Waal wilde niet met haar samenwerken en ze verliet de vakbeweging "met een kras op haar ziel", zoals ze het zelf noemde.

Vervolgens ontdekten de werkgevers Vogelaar. Ze werd voorzitter van de brancheorganisatie van reïntegratiebedrijven, president-commissaris van Unilever Nederland en bestuurslid van VNO-NCW. Een linkse meid die door de ondernemers hogelijk werd gewaardeerd - zo iemand zag Wouter Bos graag toetreden tot het kabinet. Ze werd minister voor Wonen,Wijken en Integratie, WWI - zonder dat Bos haar genoeg geld meegaf.

De partijleider en de minister kregen het al snel met elkaar aan de stok over de toon die tegenover migranten moest worden aangeslagen. Polariserend en confronterend, vond Bos. Verzoenend en respectvol, als het aan Vogelaar lag. De minister slaagde er niet in haar wijkenbeleid ook in Den Haag over het voetlicht te brengen. Daar maakte Wilders haar voor knettergek uit en vreesden partijgenoten dat ze te veel in de softe hoek terecht was gekomen. Vogelaar begon een electoraal risico te vormen. Ongelukkige mediaoptredens bij Pauw & Witteman, GeenStijl en De Wereld Draait Door maakten het er in de ogen van Bos niet beter op.

November 2008 barstte de bom. Vogelaar kon volgens de partijtop niet langer gezagsvol en effectief functioneren. Zoals haar 's avonds in een achterkamertje werd meegedeeld. Schijnbaar ongebroken sloeg ze terug. Kon zij er wat aan doen dat de PvdA zo in de war was over de multiculturele samenleving?

De krantencommentaren na haar vertrek waren vernietigend. Ze kwam te verbeten over, ze had een cursus charisma nodig. Ze dronk alleen maar kopjes thee met imams en voerde een beleid van pappen en nathouden. Ze gedroeg zich horkerig en nam mensen tegen zich in.

Offerde de PvdA haar op het altaar van het oprukkende populisme? Faalde ze als minister? Hoe denkt ze daar zelf over? Luister de komende drie uur naar Max van Weezel in gesprek met oud-minister Ella Vogelaar – over het leven van een minister, wat eraan voorafging en wat erna komt.
----------------------------------------

Samenvatting eerste uur
Eerst vertelt ze wat ze doet sinds ze geen minister meer is. Ze schrijft aan een dagboek - en dat doet ze samen met haar partner Onno Bosma. Ze is al 26 jaar met hem samen. Het boek schrijven ze doordat zij vertelt en hij schrijft. Tijdens de anderhalf jaar dat ze minister was, had ze vaak ’s avonds geen tijd om dingen op te schrijven. Nu is die tijd er wel.

"Laten we naar juni 2006 gaan, als Wouter Bos belt om te vragen of zij minister wilde worden", zegt van Weezel, maar dan laat ze meteen weten dat de details over wat er gebeurd is daar in de kamer van Bos binnenkort in haar boek te lezen zullen zijn. Ze moet de verkoopcijfers van haar boek beschermen, zegt ze lachend – maar waar gaan we het dan wél over hebben?

Over de expertise die ze in huis had voor dat ministerschap bijvoorbeeld. Ze had voordien aan de wieg gestaan van de centra voor werk en inkomen en aan de wieg van de inburgeringscursussen – die ze als minister uiteindelijk zelf verder mocht vormgeven, maar die nog steeds niet succesvol zijn.

De belofte van haar opvolger Eberhard van der Laan die zegt dat het gaat lukken om 60.000 mensen per jaar aan het inburgeringsexamen te helpen, terwijl de cursuslokaaltjes nog steeds akelig leeg zijn, zou zij niet voor haar rekening durven nemen.

Ze beschrijft haar Turkse schoonmaakster, die analfabeet is in haar eigen taal, en die pas na een half jaar schroom zover te krijgen was om naar een cursus Nederlands te komen. Het zou ook helpen om gescheiden cursussen aan te bieden – zodat vrouwen wél Nederlands gaan leren of wél gaan zwemmen in plaats van niet, omdat de Haagse politici principieel vinden dat je geen scheiding tussen mannen en vrouwen moet maken.

Dat moment in juni 2006 nog een keer – ze had wel lang geaarzeld voor ze ja zei tegen Bos. "Ik had een prachtig leven", zei ze erover. Plannen om mooie reizen te maken met haar partner die tien jaar ouder is. En ook twijfelde ze over het Haagse politieke bedrijf – of dat wel de hare was.

Die praktijk viel later soms wel mee, maar op het punt van de integratiediscussie is er sprake van vervelende polarisatie en hijgerigheid. Kijk naar de debatten in de Tweede Kamer rond de overlast van een groepje Marokkaanse jongens in Gouda – de manier waarop dat gebeurt lost toch niets op. De politieke correctheid over de multiculturele samenleving is 180 graden gedraaid – de nuance wordt niet meer als bon ton ervaren. Uit schaamte dat er te lang gezwegen is over de negatieve aspecten. Doorgedraaid. Denk toch rustig na over wat je effectief kan aanpakken. Ze vond het schokkend partijgenoot Hans Spekman te horen zeggen dat je jongens die terugkomen in de wijk nadat ze zijn opgepakt moet vernederen – zij denkt niet dat dat effectief is.

Samenvatting tweede uur
De Partij van de Arbeid heeft zijn naam eer aan gedaan, zegt ze over de wijze waarop ze afgezet werd in november. Of ze hard voor elkaar zijn, is de vraag. "Nee, hárd is niet erg", zegt ze, "maar de manier waarop de laatste week rond mijn persoon een surrealistische wereld werd opgetrokken en een scenario voltrokken waar ik niks van wist, is niet nétjes", zegt ze, "laat ik het netjes zeggen".

Ze was op de Antillen en bij terugkomst werd haar voor de voeten geworpen dat ze geen aparte Antillianenindex wilde invoeren – een databank van probleem-Antillianen. "Terwijl", benadrukt ze, "iedereen binnen de partij weet wat ik aan het doen was" – dat het net zo praktisch is een algemeen registratiesysteem te hebben, want ook zij vindt dat je moet kunnen beoordelen of hulpverlening effectief is. Dus als meerdere hulpverleners met één jongen bezig zijn, moeten die dat van elkaar weten, maar daar heb je geen Antillianenindex voor nodig – zo blijkt nu ook wel, nu opvolger Van der Laan die aparte Antillianenindex niet invoert en niemand dat een probleem vindt. Dus het was een stok om de hond te slaan? Ja, zegt ze.

Dat was het op die donderdag 13 november, toen haar Blackberry meldde dat ze een ‘bila Wouter’ - een bilateraaltje met Wouter Bos - had en vervolgens een groep opgewonden journalisten trof die al wist wat zij nog niet wist. Dat ze een gesprek met Bos én fractievoorzitter Marriet Hamer en partijvoorzitter Ploumen had. Waar haar plompverloren werd meegedeeld dat ze kon opstappen.

"In Uniever gaat het netter?" vraagt van Weezel. In ieder normaal bedrijf gaat het netter, zegt ze, tenminste dat hoort zo. Van Weezel neemt de drie theorieën door waarom ze weg moest. De eerste, de officieel geformuleerde: dat ze niet meer gezagsvol en effectief kon functioneren. Ik herkende me daar niet in, zegt ze. Ik was een jaar bezig geweest om de financiering rond die wijken rond te krijgen, want dat was gewoon niet deugdelijk geregeld. Als ik er nu op terugkijk, zegt ze, heb ik het geld geregeld, en is het niet tot een breuk met de gemeentes en woningbouwcorporaties gekomen – dan vind ik dat ik het eigenlijk helemaal niet slecht vanaf heb gebracht. En er is elan en energie in die wijken zelf en er is nog nooit zo’n gemeenschappelijke agenda van de gemeentes met de corporaties geweest. Voorzitter Lilian Ploumen had erover dat corporaties en gemeentes klaagden over de minister, maar als ik dan vroeg wie dan werd het oorverdovend stil.

Theorie twee: er waren te grote tegenstellingen over haar opvattingen en die van de partij over integratie en de multiculturele samenleving. De nota-Ploumen komt ter sprake – waarin staat dat je als migrant zonder voorbehoud voor de Nederlandse samenleving moet kiezen. Het is een zin die bij Vogelaar veel vragen oproept en beetje vieze smaak in de mond geeft.

We waren gebleven op het moment in de zomer van dit jaar toen Wouter Bos een toespraak over integratie en de multiculturele samenleving hield waar haar naam niet genoemd werd. Opvallend.

De derde theorie, dat zij het te slecht deed in de media en daarom een electoraal gevaar was, komt in het derde uur wellicht nog aan de orde.

Ella Vogelaar: uur 3

maandag 29 december 2008, 23:00 uur

Na de vracht van “Twintig maanden knettergek” in de prachtwijken en een boek over “De verborgen kracht van migrantenvrouwen” is het al weer even stil rond ex-Abop bestuurder en ex-minister Vogelaar. In 2008 zong zij haar eigen lied in een lang interview met Max van Weezel, de man van haar goede vriendin Anet Bleich.
--------------------------------------

Inleidng

"Ik heb veel amateurisme meegemaakt in de PvdA-top, maar dit was goed geregisseerd." Zo luidde het cynische commentaar van Ella Vogelaar op het besluit van Wouter Bos om haar ten val te brengen als minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Haar opvolger, Eberhard van der Laan, liep zich al warm in de coulissen. De enige die van niets wist, was zij.

Onze gast van vanavond, Ella Vogelaar, groeide op in Sint Philipsland in Zeeland, waar haar vader een veeteeltbedrijf had. Als eerste op het dorp ging ze naar de HBS en daarna naar de sociale academie De Horst in Driebergen - een rood bolwerk. Ze liet zich rekruteren door de CPN. Ze noemde het later beangstigend dat ze de schaduwzijden van het communisme niet tijdig had doorzien.

Via het vormingswerk voor werkende jongeren bracht ze het tot bestuurslid en voorzitter van de sociaaldemocratische onderwijsvakbond ABOP. Het voorzitterschap van de FNV ging op het nippertje aan haar neus voorbij. Sterke man Lodewijk de Waal wilde niet met haar samenwerken en ze verliet de vakbeweging "met een kras op haar ziel", zoals ze het zelf noemde.

Vervolgens ontdekten de werkgevers Vogelaar. Ze werd voorzitter van de brancheorganisatie van reïntegratiebedrijven, president-commissaris van Unilever Nederland en bestuurslid van VNO-NCW. Een linkse meid die door de ondernemers hogelijk werd gewaardeerd - zo iemand zag Wouter Bos graag toetreden tot het kabinet. Ze werd minister voor Wonen,Wijken en Integratie, WWI - zonder dat Bos haar genoeg geld meegaf.

De partijleider en de minister kregen het al snel met elkaar aan de stok over de toon die tegenover migranten moest worden aangeslagen. Polariserend en confronterend, vond Bos. Verzoenend en respectvol, als het aan Vogelaar lag. De minister slaagde er niet in haar wijkenbeleid ook in Den Haag over het voetlicht te brengen. Daar maakte Wilders haar voor knettergek uit en vreesden partijgenoten dat ze te veel in de softe hoek terecht was gekomen. Vogelaar begon een electoraal risico te vormen. Ongelukkige mediaoptredens bij Pauw & Witteman, GeenStijl en De Wereld Draait Door maakten het er in de ogen van Bos niet beter op.

November 2008 barstte de bom. Vogelaar kon volgens de partijtop niet langer gezagsvol en effectief functioneren. Zoals haar 's avonds in een achterkamertje werd meegedeeld. Schijnbaar ongebroken sloeg ze terug. Kon zij er wat aan doen dat de PvdA zo in de war was over de multiculturele samenleving?

De krantencommentaren na haar vertrek waren vernietigend. Ze kwam te verbeten over, ze had een cursus charisma nodig. Ze dronk alleen maar kopjes thee met imams en voerde een beleid van pappen en nathouden. Ze gedroeg zich horkerig en nam mensen tegen zich in.

Offerde de PvdA haar op het altaar van het oprukkende populisme? Faalde ze als minister? Hoe denkt ze daar zelf over? Luister de komende drie uur naar Max van Weezel in gesprek met oud-minister Ella Vogelaar – over het leven van een minister, wat eraan voorafging en wat erna komt.
----------------------------------------

Samenvatting eerste uur
Eerst vertelt ze wat ze doet sinds ze geen minister meer is. Ze schrijft aan een dagboek - en dat doet ze samen met haar partner Onno Bosma. Ze is al 26 jaar met hem samen. Het boek schrijven ze doordat zij vertelt en hij schrijft. Tijdens de anderhalf jaar dat ze minister was, had ze vaak ’s avonds geen tijd om dingen op te schrijven. Nu is die tijd er wel.

"Laten we naar juni 2006 gaan, als Wouter Bos belt om te vragen of zij minister wilde worden", zegt van Weezel, maar dan laat ze meteen weten dat de details over wat er gebeurd is daar in de kamer van Bos binnenkort in haar boek te lezen zullen zijn. Ze moet de verkoopcijfers van haar boek beschermen, zegt ze lachend – maar waar gaan we het dan wél over hebben?

Over de expertise die ze in huis had voor dat ministerschap bijvoorbeeld. Ze had voordien aan de wieg gestaan van de centra voor werk en inkomen en aan de wieg van de inburgeringscursussen – die ze als minister uiteindelijk zelf verder mocht vormgeven, maar die nog steeds niet succesvol zijn.

De belofte van haar opvolger Eberhard van der Laan die zegt dat het gaat lukken om 60.000 mensen per jaar aan het inburgeringsexamen te helpen, terwijl de cursuslokaaltjes nog steeds akelig leeg zijn, zou zij niet voor haar rekening durven nemen.

Ze beschrijft haar Turkse schoonmaakster, die analfabeet is in haar eigen taal, en die pas na een half jaar schroom zover te krijgen was om naar een cursus Nederlands te komen. Het zou ook helpen om gescheiden cursussen aan te bieden – zodat vrouwen wél Nederlands gaan leren of wél gaan zwemmen in plaats van niet, omdat de Haagse politici principieel vinden dat je geen scheiding tussen mannen en vrouwen moet maken.

Dat moment in juni 2006 nog een keer – ze had wel lang geaarzeld voor ze ja zei tegen Bos. "Ik had een prachtig leven", zei ze erover. Plannen om mooie reizen te maken met haar partner die tien jaar ouder is. En ook twijfelde ze over het Haagse politieke bedrijf – of dat wel de hare was.

Die praktijk viel later soms wel mee, maar op het punt van de integratiediscussie is er sprake van vervelende polarisatie en hijgerigheid. Kijk naar de debatten in de Tweede Kamer rond de overlast van een groepje Marokkaanse jongens in Gouda – de manier waarop dat gebeurt lost toch niets op. De politieke correctheid over de multiculturele samenleving is 180 graden gedraaid – de nuance wordt niet meer als bon ton ervaren. Uit schaamte dat er te lang gezwegen is over de negatieve aspecten. Doorgedraaid. Denk toch rustig na over wat je effectief kan aanpakken. Ze vond het schokkend partijgenoot Hans Spekman te horen zeggen dat je jongens die terugkomen in de wijk nadat ze zijn opgepakt moet vernederen – zij denkt niet dat dat effectief is.

Samenvatting tweede uur
De Partij van de Arbeid heeft zijn naam eer aan gedaan, zegt ze over de wijze waarop ze afgezet werd in november. Of ze hard voor elkaar zijn, is de vraag. "Nee, hárd is niet erg", zegt ze, "maar de manier waarop de laatste week rond mijn persoon een surrealistische wereld werd opgetrokken en een scenario voltrokken waar ik niks van wist, is niet nétjes", zegt ze, "laat ik het netjes zeggen".

Ze was op de Antillen en bij terugkomst werd haar voor de voeten geworpen dat ze geen aparte Antillianenindex wilde invoeren – een databank van probleem-Antillianen. "Terwijl", benadrukt ze, "iedereen binnen de partij weet wat ik aan het doen was" – dat het net zo praktisch is een algemeen registratiesysteem te hebben, want ook zij vindt dat je moet kunnen beoordelen of hulpverlening effectief is. Dus als meerdere hulpverleners met één jongen bezig zijn, moeten die dat van elkaar weten, maar daar heb je geen Antillianenindex voor nodig – zo blijkt nu ook wel, nu opvolger Van der Laan die aparte Antillianenindex niet invoert en niemand dat een probleem vindt. Dus het was een stok om de hond te slaan? Ja, zegt ze.

Dat was het op die donderdag 13 november, toen haar Blackberry meldde dat ze een ‘bila Wouter’ - een bilateraaltje met Wouter Bos - had en vervolgens een groep opgewonden journalisten trof die al wist wat zij nog niet wist. Dat ze een gesprek met Bos én fractievoorzitter Marriet Hamer en partijvoorzitter Ploumen had. Waar haar plompverloren werd meegedeeld dat ze kon opstappen.

"In Uniever gaat het netter?" vraagt van Weezel. In ieder normaal bedrijf gaat het netter, zegt ze, tenminste dat hoort zo. Van Weezel neemt de drie theorieën door waarom ze weg moest. De eerste, de officieel geformuleerde: dat ze niet meer gezagsvol en effectief kon functioneren. Ik herkende me daar niet in, zegt ze. Ik was een jaar bezig geweest om de financiering rond die wijken rond te krijgen, want dat was gewoon niet deugdelijk geregeld. Als ik er nu op terugkijk, zegt ze, heb ik het geld geregeld, en is het niet tot een breuk met de gemeentes en woningbouwcorporaties gekomen – dan vind ik dat ik het eigenlijk helemaal niet slecht vanaf heb gebracht. En er is elan en energie in die wijken zelf en er is nog nooit zo’n gemeenschappelijke agenda van de gemeentes met de corporaties geweest. Voorzitter Lilian Ploumen had erover dat corporaties en gemeentes klaagden over de minister, maar als ik dan vroeg wie dan werd het oorverdovend stil.

Theorie twee: er waren te grote tegenstellingen over haar opvattingen en die van de partij over integratie en de multiculturele samenleving. De nota-Ploumen komt ter sprake – waarin staat dat je als migrant zonder voorbehoud voor de Nederlandse samenleving moet kiezen. Het is een zin die bij Vogelaar veel vragen oproept en beetje vieze smaak in de mond geeft.

We waren gebleven op het moment in de zomer van dit jaar toen Wouter Bos een toespraak over integratie en de multiculturele samenleving hield waar haar naam niet genoemd werd. Opvallend.

De derde theorie, dat zij het te slecht deed in de media en daarom een electoraal gevaar was, komt in het derde uur wellicht nog aan de orde.

Dick Berlijn: uur 3

zondag 28 december 2008, 23:00 uur

"Als ik nou echt guts zou hebben, dan liet ik alles achter en begon ik een duikschool in Egypte." Zo omschreef onze gast van vanavond in een interview zijn toekomstdroom, nu hij na 38 jaar afscheid heeft genomen van de strijdkrachten. Generaal buiten dienst Dick Berlijn. Afgelopen april trad hij af als Commandant der Strijdkrachten, de functie die nu in handen is van generaal Peter van Uhm.

Dick Berlijn werd in 1950 geboren in Amsterdam. Hij wordt als eerste zoon geboren in een militair gezin, want ook vader Dick Berlijn senior was generaal bij de Koninklijke luchtmacht. Na het behalen van zijn HBS-A-diploma, wilde hij graag de burgerluchtvaart in, maar ging uiteindelijk naar de Militaire Academie in Breda, waar hij zijn fascinatie voor het vliegen ook kwijt kon. Daar begon onbedoeld zijn 38-jarige militaire carrière.

In 2000 bereikte hij de hoogste positie bij de luchtmacht, bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, en van 2004 tot 2008 werd hij de hoogste defensieman - eerst als Chef defensiestaf, toen, sinds 2005, als Commandant der Strijdkrachten, een nieuw omschreven functie. Onder zijn leiderschap kwam de missie in Uruzgan tot stand en hij maakte de meest roerige Defensietijden mee sinds de val van Srebrenica.

De missie in Uruzgan, met als doel het versterken van de legitieme rechtsorde in Afghanistan, wordt door steeds minder mensen in Nederland als een zinvolle en succesvolle missie gezien – en ongetwijfeld is dat een belangrijk gespreksonderwerp vanavond.

Net als de balans die Berlijn moest zien te vinden tussen de politieke wens tot vredesmissies en de wensen van de organisatie die te lijden had van bezuinigingen die maar door gingen. En dat terwijl Berlijn wel een enthousiast bepleiter is van de aanschaf van de nieuwe gevechtsvliegtuigen, de Joint Strike Fighter als vervanger van de F 16’s.
-----------------------------------------------

Samenvatting eerste uur:

Om te beginnen verkeerden ze in Kamp Holland in Uruzgan, maar dan via de theatervoorstelling Kamp Holland van Orkater. Interviewer Ger Jochems en Berlijn hebben die voorstelling ter voorbereiding op dit gesprek bekeken. Berlijn had er met bewondering naar gekeken – het klopte, het taalgebruik, de manier waarop soldaten met elkaar omgaan, de humor, het met spanningen omgaan, het opladen voor ze de poort uitgaan, de cultuurverschillen tussen mensen die binnen blijven en de poort uitgaan – met alle risico’s daarvan, bermbommen, de dood. 'Hevig' was zijn eerste reactie dan ook.

Hij denkt dat de veteranen die bij iedere voorstelling in de zaal zitten dat ook doen uit behoefte aan begrip voor hun ervaringen – want dat begrip krijgen ze niet in overmaat als ze terugkomen in Nederland, en dat is frustrerend. Hij zou willen dat de samenleving nog méér achter de missie staat dan nu gebeurt, want het maatschappelijk draagvlak is gezakt tot nog minder dan 30 procent.

Hij merkt vaak als hij lezingen geeft dat mensen zo weinig weten – je kan niet de brandweer op pad sturen om een huis te blussen en dan halverwege roepen dat het hier om een waardeloos huis gaat, dus dat je maar omdraait – nee, 126 kamerleden hebben ja tegen deze missie gezegd en leg dan uit waarom we er zijn. We zijn er op uitnodiging van het legitieme gezag en om het legitieme gezag te versterken. Daarom helpen we het Afghaanse leger en de politie opbouwen.

Maar wie spreek je aan, wil Jochems weten. Minister van Defensie van Middelkoop dóet dat toch: achter de missie staan, nu het achttiende slachtoffer gevallen is. Wat mis je nou concreet? Hij is de laatste, zegt hij, die kritiek heeft op regering. Hij spreekt eigenlijk iedereen aan. Om te begrijpen dat we daar zijn om schending van mensenrechten te voorkomen en de internationale rechtsorde te garanderen - dat staat nota bene in onze grondwet. Het is een oproep, herhaalt hij nog eens, aan ons allen. Het is geen kritiek op de regering of de minister van defensie.

Hij heeft nooit getwijfeld of de missie legitiem is en hij heeft ook nooit getwijfeld of de missie wel progressie maakt. Het is een lange-termijnproject. Een complex conflict, waar het vooral gaat om het wegwerken van de invloed van de talibaan en om de bevolking weerbaarder te maken, en om de mensenrechten en de internationale rechtsorde te handhaven.

Realiseren we ons te weinig wat het kost om zo’n principieel besluit te nemen? is de vraag. Ja het kost heel veel, zegt hij, en als je niet doorgaat achter je eigen principiële beslissing te staan dan zeg je cynisch: we trekken ons niks aan van wat er in onze eigen grondwet staat.

En hij hoopt op meer ontwikkelingssamenwerking en diplomatie in de naaste toekomst, zodat ook de bevolking in Uruzgan het profijt meer ziet – van onze Nederlandse aanwezigheid, of als wij er niet blijven na 2010, van de opvolgers. Want blijven moeten we.

Samenvatting tweede uur:

De fascinatie voor vliegen – daar ging het vooral om. Berlijns HBS-A opleiding was niet goed genoeg om KLM-piloot te worden. Toen werd het de KMA, en dat beviel hem. Heel veel sport, en militaire vorming. Characterbuilding – wat is solidariteit, wat is een team. Het besef dat je voor elkaar door het vuur moet gaan. Een boeiend aspect van defensie, noemt hij dat.

In Canada leerde hij vliegen en zo werd hij F16-piloot. Vliegen, dat moet je écht willen – lang niet iedereen haalde het. Als vlieger moet je in staat zijn heel snel de gegevens die de instrumenten je geven om te zetten in overzicht. Je leert focussen, je leert met spanning om te gaan.

Berlijns vader was ook vlieger, maar die was al uit actieve dienst toen Dick erin ging, en competitie heeft hij niet gevoeld met zijn vader. Jochems wilde weten of zijn vader in dienst gegaan was uit behoefte een familie te vinden? De vader was in Indië op zijn twaalfde alleen komen te staan, toen zijn vader daar overleed en zijn moeder, de actrice Sophie Stein, in Nederland aan haar carriere werkte. Nee, zegt Berlijn, ik geloof dat mijn vader een gelukkige jeugd heeft gehad, hij kwam bij zijn moeder Sophie in Nederland terecht en er waren famiieleden die bij de KMA zaten waardoor hij op het idee kwam.

Dan ging het weer over vliegen – over het realistische trainen met de F16's bijvoorbeeld, het realistisch laag vliegen 10 meter boven de aarde – het was toen heel normaal dat er twee doden per jaar vielen, zo serieus werd het genomen en zo goed voorbereid ging men dan ook op missie toen het zover was: de eerste Nederlandse gevechtsvliegtuigen sinds Nieuw-Guinea dertig jaar daarvoor gingen naar Bosnië
om Servische bommenwerpers uit het luchtruim te houden. Ze hebben één basis gebombardeerd – een bom laten vallen, dat voel, dat hoor je en dat ruik je.

Dick Berlijn: uur 2

zondag 28 december 2008, 23:00 uur

"Als ik nou echt guts zou hebben, dan liet ik alles achter en begon ik een duikschool in Egypte." Zo omschreef onze gast van vanavond in een interview zijn toekomstdroom, nu hij na 38 jaar afscheid heeft genomen van de strijdkrachten. Generaal buiten dienst Dick Berlijn. Afgelopen april trad hij af als Commandant der Strijdkrachten, de functie die nu in handen is van generaal Peter van Uhm.

Dick Berlijn werd in 1950 geboren in Amsterdam. Hij wordt als eerste zoon geboren in een militair gezin, want ook vader Dick Berlijn senior was generaal bij de Koninklijke luchtmacht. Na het behalen van zijn HBS-A-diploma, wilde hij graag de burgerluchtvaart in, maar ging uiteindelijk naar de Militaire Academie in Breda, waar hij zijn fascinatie voor het vliegen ook kwijt kon. Daar begon onbedoeld zijn 38-jarige militaire carrière.

In 2000 bereikte hij de hoogste positie bij de luchtmacht, bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, en van 2004 tot 2008 werd hij de hoogste defensieman - eerst als Chef defensiestaf, toen, sinds 2005, als Commandant der Strijdkrachten, een nieuw omschreven functie. Onder zijn leiderschap kwam de missie in Uruzgan tot stand en hij maakte de meest roerige Defensietijden mee sinds de val van Srebrenica.

De missie in Uruzgan, met als doel het versterken van de legitieme rechtsorde in Afghanistan, wordt door steeds minder mensen in Nederland als een zinvolle en succesvolle missie gezien – en ongetwijfeld is dat een belangrijk gespreksonderwerp vanavond.

Net als de balans die Berlijn moest zien te vinden tussen de politieke wens tot vredesmissies en de wensen van de organisatie die te lijden had van bezuinigingen die maar door gingen. En dat terwijl Berlijn wel een enthousiast bepleiter is van de aanschaf van de nieuwe gevechtsvliegtuigen, de Joint Strike Fighter als vervanger van de F 16’s.
-----------------------------------------------

Samenvatting eerste uur:

Om te beginnen verkeerden ze in Kamp Holland in Uruzgan, maar dan via de theatervoorstelling Kamp Holland van Orkater. Interviewer Ger Jochems en Berlijn hebben die voorstelling ter voorbereiding op dit gesprek bekeken. Berlijn had er met bewondering naar gekeken – het klopte, het taalgebruik, de manier waarop soldaten met elkaar omgaan, de humor, het met spanningen omgaan, het opladen voor ze de poort uitgaan, de cultuurverschillen tussen mensen die binnen blijven en de poort uitgaan – met alle risico’s daarvan, bermbommen, de dood. 'Hevig' was zijn eerste reactie dan ook.

Hij denkt dat de veteranen die bij iedere voorstelling in de zaal zitten dat ook doen uit behoefte aan begrip voor hun ervaringen – want dat begrip krijgen ze niet in overmaat als ze terugkomen in Nederland, en dat is frustrerend. Hij zou willen dat de samenleving nog méér achter de missie staat dan nu gebeurt, want het maatschappelijk draagvlak is gezakt tot nog minder dan 30 procent.

Hij merkt vaak als hij lezingen geeft dat mensen zo weinig weten – je kan niet de brandweer op pad sturen om een huis te blussen en dan halverwege roepen dat het hier om een waardeloos huis gaat, dus dat je maar omdraait – nee, 126 kamerleden hebben ja tegen deze missie gezegd en leg dan uit waarom we er zijn. We zijn er op uitnodiging van het legitieme gezag en om het legitieme gezag te versterken. Daarom helpen we het Afghaanse leger en de politie opbouwen.

Maar wie spreek je aan, wil Jochems weten. Minister van Defensie van Middelkoop dóet dat toch: achter de missie staan, nu het achttiende slachtoffer gevallen is. Wat mis je nou concreet? Hij is de laatste, zegt hij, die kritiek heeft op regering. Hij spreekt eigenlijk iedereen aan. Om te begrijpen dat we daar zijn om schending van mensenrechten te voorkomen en de internationale rechtsorde te garanderen - dat staat nota bene in onze grondwet. Het is een oproep, herhaalt hij nog eens, aan ons allen. Het is geen kritiek op de regering of de minister van defensie.

Hij heeft nooit getwijfeld of de missie legitiem is en hij heeft ook nooit getwijfeld of de missie wel progressie maakt. Het is een lange-termijnproject. Een complex conflict, waar het vooral gaat om het wegwerken van de invloed van de talibaan en om de bevolking weerbaarder te maken, en om de mensenrechten en de internationale rechtsorde te handhaven.

Realiseren we ons te weinig wat het kost om zo’n principieel besluit te nemen? is de vraag. Ja het kost heel veel, zegt hij, en als je niet doorgaat achter je eigen principiële beslissing te staan dan zeg je cynisch: we trekken ons niks aan van wat er in onze eigen grondwet staat.

En hij hoopt op meer ontwikkelingssamenwerking en diplomatie in de naaste toekomst, zodat ook de bevolking in Uruzgan het profijt meer ziet – van onze Nederlandse aanwezigheid, of als wij er niet blijven na 2010, van de opvolgers. Want blijven moeten we.

Samenvatting tweede uur:

De fascinatie voor vliegen – daar ging het vooral om. Berlijns HBS-A opleiding was niet goed genoeg om KLM-piloot te worden. Toen werd het de KMA, en dat beviel hem. Heel veel sport, en militaire vorming. Characterbuilding – wat is solidariteit, wat is een team. Het besef dat je voor elkaar door het vuur moet gaan. Een boeiend aspect van defensie, noemt hij dat.

In Canada leerde hij vliegen en zo werd hij F16-piloot. Vliegen, dat moet je écht willen – lang niet iedereen haalde het. Als vlieger moet je in staat zijn heel snel de gegevens die de instrumenten je geven om te zetten in overzicht. Je leert focussen, je leert met spanning om te gaan.

Berlijns vader was ook vlieger, maar die was al uit actieve dienst toen Dick erin ging, en competitie heeft hij niet gevoeld met zijn vader. Jochems wilde weten of zijn vader in dienst gegaan was uit behoefte een familie te vinden? De vader was in Indië op zijn twaalfde alleen komen te staan, toen zijn vader daar overleed en zijn moeder, de actrice Sophie Stein, in Nederland aan haar carriere werkte. Nee, zegt Berlijn, ik geloof dat mijn vader een gelukkige jeugd heeft gehad, hij kwam bij zijn moeder Sophie in Nederland terecht en er waren famiieleden die bij de KMA zaten waardoor hij op het idee kwam.

Dan ging het weer over vliegen – over het realistische trainen met de F16's bijvoorbeeld, het realistisch laag vliegen 10 meter boven de aarde – het was toen heel normaal dat er twee doden per jaar vielen, zo serieus werd het genomen en zo goed voorbereid ging men dan ook op missie toen het zover was: de eerste Nederlandse gevechtsvliegtuigen sinds Nieuw-Guinea dertig jaar daarvoor gingen naar Bosnië
om Servische bommenwerpers uit het luchtruim te houden. Ze hebben één basis gebombardeerd – een bom laten vallen, dat voel, dat hoor je en dat ruik je.

VPRO Marathoninterviw - Dick Berlijn: uur 1

zondag 28 december 2008, 23:00 uur

"Als ik nou echt guts zou hebben, dan liet ik alles achter en begon ik een duikschool in Egypte." Zo omschreef onze gast van vanavond in een interview zijn toekomstdroom, nu hij na 38 jaar afscheid heeft genomen van de strijdkrachten. Generaal buiten dienst Dick Berlijn. Afgelopen april trad hij af als Commandant der Strijdkrachten, de functie die nu in handen is van generaal Peter van Uhm.

Dick Berlijn werd in 1950 geboren in Amsterdam. Hij wordt als eerste zoon geboren in een militair gezin, want ook vader Dick Berlijn senior was generaal bij de Koninklijke luchtmacht. Na het behalen van zijn HBS-A-diploma, wilde hij graag de burgerluchtvaart in, maar ging uiteindelijk naar de Militaire Academie in Breda, waar hij zijn fascinatie voor het vliegen ook kwijt kon. Daar begon onbedoeld zijn 38-jarige militaire carrière.

In 2000 bereikte hij de hoogste positie bij de luchtmacht, bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, en van 2004 tot 2008 werd hij de hoogste defensieman - eerst als Chef defensiestaf, toen, sinds 2005, als Commandant der Strijdkrachten, een nieuw omschreven functie. Onder zijn leiderschap kwam de missie in Uruzgan tot stand en hij maakte de meest roerige Defensietijden mee sinds de val van Srebrenica.

De missie in Uruzgan, met als doel het versterken van de legitieme rechtsorde in Afghanistan, wordt door steeds minder mensen in Nederland als een zinvolle en succesvolle missie gezien – en ongetwijfeld is dat een belangrijk gespreksonderwerp vanavond.

Net als de balans die Berlijn moest zien te vinden tussen de politieke wens tot vredesmissies en de wensen van de organisatie die te lijden had van bezuinigingen die maar door gingen. En dat terwijl Berlijn wel een enthousiast bepleiter is van de aanschaf van de nieuwe gevechtsvliegtuigen, de Joint Strike Fighter als vervanger van de F 16’s.
-----------------------------------------------

Samenvatting eerste uur:

Om te beginnen verkeerden ze in Kamp Holland in Uruzgan, maar dan via de theatervoorstelling Kamp Holland van Orkater. Interviewer Ger Jochems en Berlijn hebben die voorstelling ter voorbereiding op dit gesprek bekeken. Berlijn had er met bewondering naar gekeken – het klopte, het taalgebruik, de manier waarop soldaten met elkaar omgaan, de humor, het met spanningen omgaan, het opladen voor ze de poort uitgaan, de cultuurverschillen tussen mensen die binnen blijven en de poort uitgaan – met alle risico’s daarvan, bermbommen, de dood. 'Hevig' was zijn eerste reactie dan ook.

Hij denkt dat de veteranen die bij iedere voorstelling in de zaal zitten dat ook doen uit behoefte aan begrip voor hun ervaringen – want dat begrip krijgen ze niet in overmaat als ze terugkomen in Nederland, en dat is frustrerend. Hij zou willen dat de samenleving nog méér achter de missie staat dan nu gebeurt, want het maatschappelijk draagvlak is gezakt tot nog minder dan 30 procent.

Hij merkt vaak als hij lezingen geeft dat mensen zo weinig weten – je kan niet de brandweer op pad sturen om een huis te blussen en dan halverwege roepen dat het hier om een waardeloos huis gaat, dus dat je maar omdraait – nee, 126 kamerleden hebben ja tegen deze missie gezegd en leg dan uit waarom we er zijn. We zijn er op uitnodiging van het legitieme gezag en om het legitieme gezag te versterken. Daarom helpen we het Afghaanse leger en de politie opbouwen.

Maar wie spreek je aan, wil Jochems weten. Minister van Defensie van Middelkoop dóet dat toch: achter de missie staan, nu het achttiende slachtoffer gevallen is. Wat mis je nou concreet? Hij is de laatste, zegt hij, die kritiek heeft op regering. Hij spreekt eigenlijk iedereen aan. Om te begrijpen dat we daar zijn om schending van mensenrechten te voorkomen en de internationale rechtsorde te garanderen - dat staat nota bene in onze grondwet. Het is een oproep, herhaalt hij nog eens, aan ons allen. Het is geen kritiek op de regering of de minister van defensie.

Hij heeft nooit getwijfeld of de missie legitiem is en hij heeft ook nooit getwijfeld of de missie wel progressie maakt. Het is een lange-termijnproject. Een complex conflict, waar het vooral gaat om het wegwerken van de invloed van de talibaan en om de bevolking weerbaarder te maken, en om de mensenrechten en de internationale rechtsorde te handhaven.

Realiseren we ons te weinig wat het kost om zo’n principieel besluit te nemen? is de vraag. Ja het kost heel veel, zegt hij, en als je niet doorgaat achter je eigen principiële beslissing te staan dan zeg je cynisch: we trekken ons niks aan van wat er in onze eigen grondwet staat.

En hij hoopt op meer ontwikkelingssamenwerking en diplomatie in de naaste toekomst, zodat ook de bevolking in Uruzgan het profijt meer ziet – van onze Nederlandse aanwezigheid, of als wij er niet blijven na 2010, van de opvolgers. Want blijven moeten we.

Samenvatting tweede uur:

De fascinatie voor vliegen – daar ging het vooral om. Berlijns HBS-A opleiding was niet goed genoeg om KLM-piloot te worden. Toen werd het de KMA, en dat beviel hem. Heel veel sport, en militaire vorming. Characterbuilding – wat is solidariteit, wat is een team. Het besef dat je voor elkaar door het vuur moet gaan. Een boeiend aspect van defensie, noemt hij dat.

In Canada leerde hij vliegen en zo werd hij F16-piloot. Vliegen, dat moet je écht willen – lang niet iedereen haalde het. Als vlieger moet je in staat zijn heel snel de gegevens die de instrumenten je geven om te zetten in overzicht. Je leert focussen, je leert met spanning om te gaan.

Berlijns vader was ook vlieger, maar die was al uit actieve dienst toen Dick erin ging, en competitie heeft hij niet gevoeld met zijn vader. Jochems wilde weten of zijn vader in dienst gegaan was uit behoefte een familie te vinden? De vader was in Indië op zijn twaalfde alleen komen te staan, toen zijn vader daar overleed en zijn moeder, de actrice Sophie Stein, in Nederland aan haar carriere werkte. Nee, zegt Berlijn, ik geloof dat mijn vader een gelukkige jeugd heeft gehad, hij kwam bij zijn moeder Sophie in Nederland terecht en er waren famiieleden die bij de KMA zaten waardoor hij op het idee kwam.

Dan ging het weer over vliegen – over het realistische trainen met de F16's bijvoorbeeld, het realistisch laag vliegen 10 meter boven de aarde – het was toen heel normaal dat er twee doden per jaar vielen, zo serieus werd het genomen en zo goed voorbereid ging men dan ook op missie toen het zover was: de eerste Nederlandse gevechtsvliegtuigen sinds Nieuw-Guinea dertig jaar daarvoor gingen naar Bosnië
om Servische bommenwerpers uit het luchtruim te houden. Ze hebben één basis gebombardeerd – een bom laten vallen, dat voel, dat hoor je en dat ruik je.

Arthur Japin: uur 3

vrijdag 26 december 2008, 14:02 uur

De pioniersvrouw Granny in Texas in de eerste helft van de negentiende eeuw, de dwerg Lemmy in Duitsland in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog, Lucia, de eerste liefde van Casanova, die in het achttiende-eeuwse Amsterdam vanwege haar schitterend gebrek gesluierd door het leven gaat, Snaporaz, een beroemd Italiaans filmer in zijn laatste levensjaren in de jaren '80 van de afgelopen eeuw, en Kwasi, het Afrikaanse prinsje dat in 1837 aan koning Willem I wordt geschonken en in Holland opgroeit. Figuren die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Maar wel allemaal hoofdpersoon zijn in een roman van schrijver Arthur Japin.

De Overgave, De Grote Wereld (het boekenweekgeschenk uit 2006 dat in een recordoplage van 813.000 exemplaren werd gedrukt), Een Schitterend Gebrek (dat de Libris Literatuurprijs kreeg), De Droom van de Leeuw en De Zwarte met het Witte Hart. Romans die binnen en buiten Nederland een zeer groot publiek bereiken en met regelmaat in de literaire prijzen vallen.

Arthur Japin wordt in 1956 in Haarlem geboren, waar hij als enig kind opgroeit. Een eenzaam kind, dat op school gepest wordt en zich een buitenstaander voelt – de positie die in zijn oeuvre ook telkens terugkeert. Een kind dat leert zijn fantasie te gebruiken. Een kind dat met zijn ouders veel het theater bezoekt.

Na het gymnasium besluit Japin van acteren zijn vak te maken. Hij volgt korte tijd een toneelopleiding in Londen, studeert vervolgens twee jaar Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam en stapt dan over naar de Kleinkunstacademie, waar hij in 1982 afstudeert. Hij speelt rollen in het theater, en voor radio, film en televisie. Hij is een tijd een populair soap-acteur in Onderweg naar Morgen.

Eind jaren '80 begint hij meer en meer te schijven – scenario’s, korte verhalen. Hij doet de research voor wat zijn eerste roman zal worden: De Zwarte met het Witte hart. In 1996, als hij veertig is, debuteert hij met Magonische Verhalen, en dat blijkt de start van een succesvolle schrijverscarrière te zijn.

Dit jaar verscheen Zoals Dat Gaat Met Wonderen – een deel in de Privé Domeinreeks van zijn uitgeverij, de Arbeiderspers. Het is een selectie van zijn Dagboeken van 2000 tot 2007.
-----------------------------------

Samenvatting eerste uur:

Het eerste uur begint met de bekentenis dat het gesprek nog voor de kerst is opgenomen, want deze avond brengt de schrijver door met zijn twee partners Lex en Ben in hun buitenhuis in Frankrijk, omringd door wilde zwijnen en herten in het bos. Ondanks de uitnodiging om het gesprek daar, naast het haardvuur te houden, was dat technisch te gecompliceerd. Het gesprek gáát wel meteen over kerst: de betekenis van het kindje Jezuke waar de jonge Arthur mee sprak op de grote zolder van het ouderlijk huis waar hij een klein altaartje had. Maar het vriendje zei nooit iets terug en om eerste communie te doen moest hij biechten, terwijl hij niets fouts gedaan had, en al snel besloot hij een hekel aan religie te hebben. Als God liefde is dan hij wil hij zichzelf wel gelovig noemen – want liefde, daar weet hij alles van.

Hij vond het zwaar, de afgelopen periode, om te spreken over zijn laatste boek, de 'Dagboeken 2000-2007. Zoals Dat Gaat Met Wonderen'. Want nu gaat het om hemzelf – en om het leven met twee partners. Veel mensen reageren met ongeloof, dat dat goed kan gaan – terwijl dat juist het wonder is. En dat ongeloof voelt als een aantasting.

Je tonen en bekeken worden en toch onzichtbaar willen zijn – dat is het essentiële thema waar Veeninga en haar gast al snel op komen. Hij legt uit dat hij van jongs af aan geleden heeft onder de blikken van anderen – het kind dat eenzaam opgroeide en gepest werd door een groepje kinderen dat hem dagelijks een paar zinnen liet herhalen over zijn uiterlijk. Je innerlijk lelijk en bekeken voelen en het liefst nooit meer naar buiten willen – maar om te overleven juist het podium opgaan. Je veel laten interviewen om onzichtbaar te worden. Je een hautaine houding aanmeten, geleerd van de filmsterrenfoto’s, om je verlegenheid te verbergen.

Acuut verlegen wordt hij als hij tijdens het gesprek herinnerd wordt aan de uitreiking van de allereerste literaire prijs die hij won voor een kort verhaal – in een café in Gorichem en waar hij vroegtijdig wegvluchtte. Dat deed hem aan zijn vader denken – het café, de drank. Zijn vader die dronk en wellicht niet ‘knettergek’ was, maar wel een stoornis had, wat hem onberekenbaar agressief maakte. Dat wil zeggen, tegen Arthurs moeder. Twee bange mensen.

Altijd bang voor wat de mensen zouden denken. Altijd schaamte. Waarmee we weer bij de blikken van buiten waren.

Samenvatting tweede uur:

Interviewster Djoeke Veeninga vroeg in het vorige uur nar Japins moeder. Zij, of de moederfiguur, komt eigenlijk niet voor in zijn werk. Kort, dik, lief en warm, een nauwe band, te nauw misschien, ook gedwongen als schild tegen zijn agressieve vader. Toen zijn vader zelfmoord pleegde - Arthur was 12 - zag hij dat als een nieuwe kans voor zijn moeder en hemzelf. Hij heeft precies op tijd plaats gemaakt voor mij, aldus Japin.

En zijn moeder bloeide op. Ze viel af, kocht nieuwe kleren, er kwam een andere vrouw uit haar tevoorschijn. En zij nam de jonge Arthur veelvuldig mee naar Theater en Concert. Dat waren mooie jaren. Maar loslaten kon ze hem niet en dat benauwde Japin.

Toen hij naar Londen ging voor een toneelopleiding, ging ze mee. Toen Arthur op zijn 23e dan toch het huis uitging om samen met zijn partner LEx verder te gaan, stortte ze in. Kwam weer aan, rookte veel, leefde ongezond. In 1995 overleed ze. Maar hij voelt zich niet schuldig. "Ik heb gedaan wat ik kon en kan mij niets verwijten."

Kritiek op zijn boeken, op zijn literaire kwaliteiten, raken hem echt als die te persoonlijk wordt. Recht op kwetsen bestaat niet, aldus Japin. Het langdurig pesten uit zijn jeugd is debet aan zijn overtuiging dat hij ooit zal eindigen op een marktplein verscheurt door de massa.

En toch is hij nu gelukkig, zoals blijkt uit zijn zojuist gepubliceerde dagboeken 'Zoals dat gaat met wonderen'. Zo gelukkig, aldus Veeninga, dat je bij het lezen bijna denkt: "Hé, ikan er nu eens even wat mis gaan? Kan er niet eens ruzie gemaakt worden?" Maar het is nu eenmaal zo, zegt Japin. Al heel lang een gelukkige liefde met Lex, tevens zijn uitgever en in 2000 verliefd geworden op de Amerikaan Ben, die zich inmiddels ook als schrijver ontpopt, en wonder boven wonder, met zijn drieën gelukkig verder. Als je van twee mensen gaat houden, kun je je niet voorstellen dat liefde niet minder wordt, maar juist verdubbeld. Maar het is zo en dat is het wonder.

Uiteindelijk zijn we met z'n drieën een heel gewoon gezin, al zullen de blikken van buiten dat misschien niet zo zien.

Arthur Japin: uur 2

vrijdag 26 december 2008, 14:01 uur

De pioniersvrouw Granny in Texas in de eerste helft van de negentiende eeuw, de dwerg Lemmy in Duitsland in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog, Lucia, de eerste liefde van Casanova, die in het achttiende-eeuwse Amsterdam vanwege haar schitterend gebrek gesluierd door het leven gaat, Snaporaz, een beroemd Italiaans filmer in zijn laatste levensjaren in de jaren '80 van de afgelopen eeuw, en Kwasi, het Afrikaanse prinsje dat in 1837 aan koning Willem I wordt geschonken en in Holland opgroeit. Figuren die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Maar wel allemaal hoofdpersoon zijn in een roman van schrijver Arthur Japin.

De Overgave, De Grote Wereld (het boekenweekgeschenk uit 2006 dat in een recordoplage van 813.000 exemplaren werd gedrukt), Een Schitterend Gebrek (dat de Libris Literatuurprijs kreeg), De Droom van de Leeuw en De Zwarte met het Witte Hart. Romans die binnen en buiten Nederland een zeer groot publiek bereiken en met regelmaat in de literaire prijzen vallen.

Arthur Japin wordt in 1956 in Haarlem geboren, waar hij als enig kind opgroeit. Een eenzaam kind, dat op school gepest wordt en zich een buitenstaander voelt – de positie die in zijn oeuvre ook telkens terugkeert. Een kind dat leert zijn fantasie te gebruiken. Een kind dat met zijn ouders veel het theater bezoekt.

Na het gymnasium besluit Japin van acteren zijn vak te maken. Hij volgt korte tijd een toneelopleiding in Londen, studeert vervolgens twee jaar Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam en stapt dan over naar de Kleinkunstacademie, waar hij in 1982 afstudeert. Hij speelt rollen in het theater, en voor radio, film en televisie. Hij is een tijd een populair soap-acteur in Onderweg naar Morgen.

Eind jaren '80 begint hij meer en meer te schijven – scenario’s, korte verhalen. Hij doet de research voor wat zijn eerste roman zal worden: De Zwarte met het Witte hart. In 1996, als hij veertig is, debuteert hij met Magonische Verhalen, en dat blijkt de start van een succesvolle schrijverscarrière te zijn.

Dit jaar verscheen Zoals Dat Gaat Met Wonderen – een deel in de Privé Domeinreeks van zijn uitgeverij, de Arbeiderspers. Het is een selectie van zijn Dagboeken van 2000 tot 2007.
-----------------------------------

Samenvatting eerste uur:

Het eerste uur begint met de bekentenis dat het gesprek nog voor de kerst is opgenomen, want deze avond brengt de schrijver door met zijn twee partners Lex en Ben in hun buitenhuis in Frankrijk, omringd door wilde zwijnen en herten in het bos. Ondanks de uitnodiging om het gesprek daar, naast het haardvuur te houden, was dat technisch te gecompliceerd. Het gesprek gáát wel meteen over kerst: de betekenis van het kindje Jezuke waar de jonge Arthur mee sprak op de grote zolder van het ouderlijk huis waar hij een klein altaartje had. Maar het vriendje zei nooit iets terug en om eerste communie te doen moest hij biechten, terwijl hij niets fouts gedaan had, en al snel besloot hij een hekel aan religie te hebben. Als God liefde is dan hij wil hij zichzelf wel gelovig noemen – want liefde, daar weet hij alles van.

Hij vond het zwaar, de afgelopen periode, om te spreken over zijn laatste boek, de 'Dagboeken 2000-2007. Zoals Dat Gaat Met Wonderen'. Want nu gaat het om hemzelf – en om het leven met twee partners. Veel mensen reageren met ongeloof, dat dat goed kan gaan – terwijl dat juist het wonder is. En dat ongeloof voelt als een aantasting.

Je tonen en bekeken worden en toch onzichtbaar willen zijn – dat is het essentiële thema waar Veeninga en haar gast al snel op komen. Hij legt uit dat hij van jongs af aan geleden heeft onder de blikken van anderen – het kind dat eenzaam opgroeide en gepest werd door een groepje kinderen dat hem dagelijks een paar zinnen liet herhalen over zijn uiterlijk. Je innerlijk lelijk en bekeken voelen en het liefst nooit meer naar buiten willen – maar om te overleven juist het podium opgaan. Je veel laten interviewen om onzichtbaar te worden. Je een hautaine houding aanmeten, geleerd van de filmsterrenfoto’s, om je verlegenheid te verbergen.

Acuut verlegen wordt hij als hij tijdens het gesprek herinnerd wordt aan de uitreiking van de allereerste literaire prijs die hij won voor een kort verhaal – in een café in Gorichem en waar hij vroegtijdig wegvluchtte. Dat deed hem aan zijn vader denken – het café, de drank. Zijn vader die dronk en wellicht niet ‘knettergek’ was, maar wel een stoornis had, wat hem onberekenbaar agressief maakte. Dat wil zeggen, tegen Arthurs moeder. Twee bange mensen.

Altijd bang voor wat de mensen zouden denken. Altijd schaamte. Waarmee we weer bij de blikken van buiten waren.

Samenvatting tweede uur:

Interviewster Djoeke Veeninga vroeg in het vorige uur nar Japins moeder. Zij, of de moederfiguur, komt eigenlijk niet voor in zijn werk. Kort, dik, lief en warm, een nauwe band, te nauw misschien, ook gedwongen als schild tegen zijn agressieve vader. Toen zijn vader zelfmoord pleegde - Arthur was 12 - zag hij dat als een nieuwe kans voor zijn moeder en hemzelf. Hij heeft precies op tijd plaats gemaakt voor mij, aldus Japin.

En zijn moeder bloeide op. Ze viel af, kocht nieuwe kleren, er kwam een andere vrouw uit haar tevoorschijn. En zij nam de jonge Arthur veelvuldig mee naar Theater en Concert. Dat waren mooie jaren. Maar loslaten kon ze hem niet en dat benauwde Japin.

Toen hij naar Londen ging voor een toneelopleiding, ging ze mee. Toen Arthur op zijn 23e dan toch het huis uitging om samen met zijn partner LEx verder te gaan, stortte ze in. Kwam weer aan, rookte veel, leefde ongezond. In 1995 overleed ze. Maar hij voelt zich niet schuldig. "Ik heb gedaan wat ik kon en kan mij niets verwijten."

Kritiek op zijn boeken, op zijn literaire kwaliteiten, raken hem echt als die te persoonlijk wordt. Recht op kwetsen bestaat niet, aldus Japin. Het langdurig pesten uit zijn jeugd is debet aan zijn overt8iging dat hij ooit zal eindigen op een marktplein verscheurt door de massa.

En toch is hij nu gelukkig, zoals blijkt uit zijn zojuist gepubliceerde dagboeken 'Zoals dat gaat met wonderen'. Zo gelukkig, aldus Veeninga, dat je bij het lezen bijna denkt: "Hé, ikan er nu eens even wat mis gaan? Kan er niet eens ruzie gemaakt worden?" Maar het is nu eenmaal zo, zegt Japin. Al heel lang een gelukkige liefde met Lex, tevens zijn uitgever en in 2000 verliefd geworden op de Amerikaan Ben, die zich inmiddels ook als schrijver ontpopt, en wonder boven wonder, met zijn drieën gelukkig verder. Als je van twee mensen gaat houden, kun je je niet voorstellen dat liefde niet minder wordt, maar juist verdubbeld. Maar het is zo en dat is het wonder.

Uiteindelijk zijn we met z'n drieën een heel gewoon gezin, al zullen de blikken van buiten dat misschien niet zo zien.

Arthur Japin: uur 1

vrijdag 26 december 2008, 14:00 uur

De pioniersvrouw Granny in Texas in de eerste helft van de negentiende eeuw, de dwerg Lemmy in Duitsland in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog, Lucia, de eerste liefde van Casanova, die in het achttiende-eeuwse Amsterdam vanwege haar schitterend gebrek gesluierd door het leven gaat, Snaporaz, een beroemd Italiaans filmer in zijn laatste levensjaren in de jaren '80 van de afgelopen eeuw, en Kwasi, het Afrikaanse prinsje dat in 1837 aan koning Willem I wordt geschonken en in Holland opgroeit. Figuren die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Maar wel allemaal hoofdpersoon zijn in een roman van schrijver Arthur Japin.

De Overgave, De Grote Wereld (het boekenweekgeschenk uit 2006 dat in een recordoplage van 813.000 exemplaren werd gedrukt), Een Schitterend Gebrek (dat de Libris Literatuurprijs kreeg), De Droom van de Leeuw en De Zwarte met het Witte Hart. Romans die binnen en buiten Nederland een zeer groot publiek bereiken en met regelmaat in de literaire prijzen vallen.

Arthur Japin wordt in 1956 in Haarlem geboren, waar hij als enig kind opgroeit. Een eenzaam kind, dat op school gepest wordt en zich een buitenstaander voelt – de positie die in zijn oeuvre ook telkens terugkeert. Een kind dat leert zijn fantasie te gebruiken. Een kind dat met zijn ouders veel het theater bezoekt.

Na het gymnasium besluit Japin van acteren zijn vak te maken. Hij volgt korte tijd een toneelopleiding in Londen, studeert vervolgens twee jaar Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam en stapt dan over naar de Kleinkunstacademie, waar hij in 1982 afstudeert. Hij speelt rollen in het theater, en voor radio, film en televisie. Hij is een tijd een populair soap-acteur in Onderweg naar Morgen.

Eind jaren '80 begint hij meer en meer te schijven – scenario’s, korte verhalen. Hij doet de research voor wat zijn eerste roman zal worden: De Zwarte met het Witte hart. In 1996, als hij veertig is, debuteert hij met Magonische Verhalen, en dat blijkt de start van een succesvolle schrijverscarrière te zijn.

Dit jaar verscheen Zoals Dat Gaat Met Wonderen – een deel in de Privé Domeinreeks van zijn uitgeverij, de Arbeiderspers. Het is een selectie van zijn Dagboeken van 2000 tot 2007.
-----------------------------------

Samenvatting eerste uur:

Het eerste uur begint met de bekentenis dat het gesprek nog voor de kerst is opgenomen, want deze avond brengt de schrijver door met zijn twee partners Lex en Ben in hun buitenhuis in Frankrijk, omringd door wilde zwijnen en herten in het bos. Ondanks de uitnodiging om het gesprek daar, naast het haardvuur te houden, was dat technisch te gecompliceerd. Het gesprek gáát wel meteen over kerst: de betekenis van het kindje Jezuke waar de jonge Arthur mee sprak op de grote zolder van het ouderlijk huis waar hij een klein altaartje had. Maar het vriendje zei nooit iets terug en om eerste communie te doen moest hij biechten, terwijl hij niets fouts gedaan had, en al snel besloot hij een hekel aan religie te hebben. Als God liefde is dan hij wil hij zichzelf wel gelovig noemen – want liefde, daar weet hij alles van.

Hij vond het zwaar, de afgelopen periode, om te spreken over zijn laatste boek, de 'Dagboeken 2000-2007. Zoals Dat Gaat Met Wonderen'. Want nu gaat het om hemzelf – en om het leven met twee partners. Veel mensen reageren met ongeloof, dat dat goed kan gaan – terwijl dat juist het wonder is. En dat ongeloof voelt als een aantasting.

Je tonen en bekeken worden en toch onzichtbaar willen zijn – dat is het essentiële thema waar Veeninga en haar gast al snel op komen. Hij legt uit dat hij van jongs af aan geleden heeft onder de blikken van anderen – het kind dat eenzaam opgroeide en gepest werd door een groepje kinderen dat hem dagelijks een paar zinnen liet herhalen over zijn uiterlijk. Je innerlijk lelijk en bekeken voelen en het liefst nooit meer naar buiten willen – maar om te overleven juist het podium opgaan. Je veel laten interviewen om onzichtbaar te worden. Je een hautaine houding aanmeten, geleerd van de filmsterrenfoto’s, om je verlegenheid te verbergen.

Acuut verlegen wordt hij als hij tijdens het gesprek herinnerd wordt aan de uitreiking van de allereerste literaire prijs die hij won voor een kort verhaal – in een café in Gorichem en waar hij vroegtijdig wegvluchtte. Dat deed hem aan zijn vader denken – het café, de drank. Zijn vader die dronk en wellicht niet ‘knettergek’ was, maar wel een stoornis had, wat hem onberekenbaar agressief maakte. Dat wil zeggen, tegen Arthurs moeder. Twee bange mensen.

Altijd bang voor wat de mensen zouden denken. Altijd schaamte. Waarmee we weer bij de blikken van buiten waren.

Samenvatting tweede uur:

Interviewster Djoeke Veeninga vroeg in het vorige uur nar Japins moeder. Zij, of de moederfiguur, komt eigenlijk niet voor in zijn werk. Kort, dik, lief en warm, een nauwe band, te nauw misschien, ook gedwongen als schild tegen zijn agressieve vader. Toen zijn vader zelfmoord pleegde - Arthur was 12 - zag hij dat als een nieuwe kans voor zijn moeder en hemzelf. Hij heeft precies op tijd plaats gemaakt voor mij, aldus Japin.

En zijn moeder bloeide op. Ze viel af, kocht nieuwe kleren, er kwam een andere vrouw uit haar tevoorschijn. En zij nam de jonge Arthur veelvuldig mee naar Theater en Concert. Dat waren mooie jaren. Maar loslaten kon ze hem niet en dat benauwde Japin.

Toen hij naar Londen ging voor een toneelopleiding, ging ze mee. Toen Arthur op zijn 23e dan toch het huis uitging om samen met zijn partner LEx verder te gaan, stortte ze in. Kwam weer aan, rookte veel, leefde ongezond. In 1995 overleed ze. Maar hij voelt zich niet schuldig. "Ik heb gedaan wat ik kon en kan mij niets verwijten."

Kritiek op zijn boeken, op zijn literaire kwaliteiten, raken hem echt als die te persoonlijk wordt. Recht op kwetsen bestaat niet, aldus Japin. Het langdurig pesten uit zijn jeugd is debet aan zijn overt8iging dat hij ooit zal eindigen op een marktplein verscheurt door de massa.

En toch is hij nu gelukkig, zoals blijkt uit zijn zojuist gepubliceerde dagboeken 'Zoals dat gaat met wonderen'. Zo gelukkig, aldus Veeninga, dat je bij het lezen bijna denkt: "Hé, ikan er nu eens even wat mis gaan? Kan er niet eens ruzie gemaakt worden?" Maar het is nu eenmaal zo, zegt Japin. Al heel lang een gelukkige liefde met Lex, tevens zijn uitgever en in 2000 verliefd geworden op de Amerikaan Ben, die zich inmiddels ook als schrijver ontpopt, en wonder boven wonder, met zijn drieën gelukkig verder. Als je van twee mensen gaat houden, kun je je niet voorstellen dat liefde niet minder wordt, maar juist verdubbeld. Maar het is zo en dat is het wonder.

Uiteindelijk zijn we met z'n drieën een heel gewoon gezin, al zullen de blikken van buiten dat misschien niet zo zien.

VPRO Marathoninterview - Johannes van Dam: uur 1

donderdag 25 december 2008, 14:16 uur

Als jochie besteedde Johannes al zijn spaargeld aan een grondig onderzoek naar de kwaliteit der croquetten van alle banketbakkers in Amsterdam-Zuid. Zo kwam hij tot eten, smaken en proeven als levenswerk. Olaf Oudheusden die zich als kok voorbereidde op zijn journalistieke toekomst sprak met hem op eerste kerstdag in 2008.
++++++++++++++

Op jonge leeftijd heeft hij al door dat over smaak wel degelijk te twisten valt. We hebben het hier over Johannes van Dam, culinair journalist. Hij wordt in 1946 geboren in Amsterdam, waar in huize Van Dam het wekelijkse krokettenfeest ruw verstoord wordt door het ontslag van de huishoudster juffrouw Dijkstra. Zij is tot die tijd verantwoordelijk voor de productie van deze zondagse delicatesse. De kleine Johannes slaat zijn spaarpot kapot en onderwerpt alle banketbakkers in Amsterdam-Zuid aan een grondig krokettenonderzoek. Hij hoopt zo het culinaire gat dat juffrouw Dijkstra heeft achtergelaten opnieuw te vullen. Dat is volgens Johannes van Dam nooit meer gelukt. Wel lijkt vanaf dit moment zijn fascinatie voor eten, smaken en proeven in hem ontwaakt, maar het zal nog enige tijd duren voordat dit zijn levenswerk wordt.

Het gezin Van Dam verhuist op gegeven moment naar Winschoten, waar Johannes op 16-jarige leeftijd zijn vader verliest. Terug in Amsterdam maakt hij het gymnasium af, doet enkele pogingen tot een universitaire studie, en wordt uitbater van een studentensociëteit.
Na een uitstapje naar de Franse Pyreneeën waar hij een tijd woont, komt hij in de journalistiek terecht – als leerling-redacteur bij het dagblad Het Vrije Volk en later bij weekblad de Haagse Post.

Begin jaren '80 opent hij een kookboekhandel in Amsterdam en begint hij te doen wat hij nog steeds doet: het schrijven van culinaire stukken en later komt daar het recenseren van restaurants bij. Dat doet hij nog steeds wekelijks in Het Parool: recensies over veelal een Amsterdams restaurant. Zijn oordeel is stevig en bijna altijd goed onderbouwd, ofschoon zijn cijfers soms wat aan de hoge kant zouden zijn. Feit is dat restaurants die positief beoordeeld zijn maandenlang volgeboekt zijn. En dat degene die slecht beoordeeld is een langdurige nare smaak in de mond houdt.

Naast zijn gastronomische speurwerk heeft Johannes van Dam zich gespecialiseerd in het ontmaskeren van bedrog. En dat beperkt zich niet uitsluitend tot keukengeheimen. Hij wil de wereld verbeteren en in ieder geval een bijdrage leveren aan het culinair opvoeden van ons land. Jarenlang vonden de keurmeesters van het Franse bandenmerk het nauwelijks de moeite hier te komen, getuige het handjevol sterrenzaken eind vorige eeuw. Maar het tij is gekeerd: inmiddels zijn er in Nederland 83 restaurants met een of meer sterren en de opmars lijkt niet te stoppen. De kritische beschouwingen van Johannes van Dam lijken effect te hebben. In ieder geval heeft elke chef de encyclopedie die in 2005 verscheen, de Dikke van Dam onder zijn kussen om voor het slapen gaan nog even na te lezen hoe het werkelijk zit.

De enige VPRO-medewerker die vanwege zijn koksopleiding de culinaire kennis in huis heeft om zich drie uur te meten met Johannes van Dam is Olaf Oudheusden.
-------------------------------------

Samenvatting eerste uur:

Johannes van Dam bracht gerechten mee naar dit speciale kerstdinertje voor twee personen. Een kweeperentaartje en een kippenlevermousse met morilles, geweekt in de port. Want Van Dam doet niet meer aan foie gras, want daarvoor moet je een gans folteren, en waarom zou je? Sommige koks beweren dat er diervriendelijke ganzenlever bestaat, maar dat is onzin, zegt de meester.

Iedere ochtend begint zijn dag in het café aan de overkant, dat dan nog gesloten is, waar hij de ochtendkranten mag nieten en gratis lezen, en dan ontbijt hij met brood en beleg en neemt hij alle medicijnen in die hij nodig heeft – en dat zijn er nogal wat. Verder op de dag eet hij fruit, bijvoorbeeld zes lychees. Er zijn mensen die beweren dat veel fruit eten vroeg op de dag gisting geeft – maar dat wordt als oudevrouwengezeur afgedaan door Van Dam.

Zoet, zuur, zout, bitter; dat zijn de vier klassieke smaken. Maar je kan ook umami noemen – de smaakversterker die zelf geen smaak heeft maar inderdaad: de smaak versterkt. Kan je een smaak proeven zonder te eten, is de vraag? Ja, de smaken die je kent, kun je in je hoofd oproepen, zoals een componist de muziek kan horen in zijn hoofd.
Dan gaat het over de fouten in kookboeken – en dat zijn er veel. Omdat uitgevers te weinig uitgeven aan vertaling van die boeken, waardoor je opeens in een Italiaans recept Engelse cheddar moet stoppen, omdat er onderweg iets fout gegaan is in de vertaling. Of de maat van een theelepel of een koffielepel: dat is in de meeste landen anders en verpest de recepten als je daar niet duidelijk over bent.

Deze week moest hij twee keer naar een restaurant om te recenseren in plaats van de gebruikelijke één keer. Dat vond hij veel. Eén van de twee was een Afghaans restaurant. Ter voorbereiding oriënteert hij zich dan op de keuken. Dan betreedt hij zijn bibliotheek met 60.000 titels en eet matig overdag; je moet een béétje honger hebben. Hij gaat altijd met zijn assistent, Ilja, iemand die ook verstand van culinaire zaken heeft. Hij heeft bijvoorbeeld het deeg van het kweeperentaartje gemaakt dat daar maar onaangeraakt staat tussen de microfoons.

Hij reserveert van te voren, niet onder zijn eigen naam, zelfs niet onder de naam van zijn assistent. Als hij binnenkomt: of ze herkennen hem, of niet, soms hoor je een schreeuw uit de keuken. Hij doet het zorgvuldig – en hij weegt af wat goed is en niet. Soms leidt zijn oordeel tot langdurige vetes: in een blad heeft hij ooit een saus van het driesterrenrestaurant De Librije in Zwolle te zoet genoemd – en daar de chef op gewezen. Sindsdien fulmineren de eigenaren tegen Van Dam als iemand die niet weet wat zoet is omdat hij suikerziekte heeft. Van die hele Michelinmachine is hij overigens niet erg onder de indruk – al weet hij dat zij ook zijn oordelen kennen en lezen. "Ze weten dat ik een klassieke tong heb", zegt hij, "daar kunnen ze op a"f. Hij kent het verschil tussen zoet en zuur en zout en bitter.

Hij eet niet alles op, maar hij proeft wel alles. En terwijl assistent Ilja meer eet dan hij, blijft hij dun. Van Dam móet wel dieet houden om in leven te blijven, zo moet hij zuinig zijn met kalium.

Samenvatting tweede uur:

Kerstfeest in het huisgezin Van Dam, een feest dat niet gevierd werd. Kerst werd door zijn vader gezien als een hypocriet feest, en Johannes is het daar tot op de dag van vandaag van harte mee eens. Vader van Dam was vrijmetselaar en had een bedrijf, Adestic, de beste fabrikant van plastic luierbroekjes, die aan warenhuizen leverde. Het bedrijf werd naar Oude Pekela verplaatst. Na een half jaar zat Johannes, 16 jaar oud, op een zaterdagmorgen met zijn zusje achterin de auto bij zijn vader, toen de auto slipte, op het ijs terechtkwam en daar door heen zakte. Johannes kreeg zijn zusje uit de auto, maar zijn vader verdronk. Meteen de volgende dag gingen de achterblijvers in het gezin terug naar Amsterdam. Johannes ging bij vrienden wonen, dat was beter voor zijn moeder en voor hem, zegt hij cryptisch. En er was in die jaren zestig geen sprake van begeleiding bij een trauma als hij had meegemaakt.

Na een blauwe maandag medicijnenstudie werd hij de uitbater van de Amsterdamse studentensociëteit De Olofspoort. Later wordt hij leerling-redacteur bij Het Vrije Volk – hij vond dat de krant onwaarachtige dingen schreef en hij wilde niet blijven toen zijn proeftijd afliep. Zijn vader had altijd al gezegd dat je tenminste twee kranten moet lezen om enigszins de waarheid te zien en Johannes las na zijn eigen ervaring in de journalistiek uit protest twee jaar geen krant meer. Het rebelse van de provotijd trok hem aan, zoals de actie met de rookbommen op de dag van het huwelijk van Beatrix en Claus. Er is nog een foto van de jonge Johannes die geslagen wordt door twee politiemannen, maar die foto is nooit meer boven water gekomen. Maar in het algemeen, zegt Johannes, vraag me niks over politiek want dat is een heilloos pad.

Toen hij moe werd van de stad, ging hij naar het eenvoudige plattelandsleven in de Pyreneeën waar hij in een soort commune terechtkwam. Hij had last van depressies, hij zonderde zich af en woonde in een klein huisje, waar hij wat vertaalwerk deed.
"Wat voor plek had het eten?" wil Oudheusden weten. Wat voor idiote vraag dat nou weer was! Je eet iedere dag, gewoon. Maar was Frankrijk niet anders dan Nederland? "Ik was ook al anders dan Nederland, mijn vader was ook al anders", zegt hij wat korzelig.

Johannes van Dam: uur 2

donderdag 25 december 2008, 14:15 uur

Als jochie besteedde Johannes al zijn spaargeld aan een grondig onderzoek naar de kwaliteit der croquetten van alle banketbakkers in Amsterdam-Zuid. Zo kwam hij tot eten, smaken en proeven als levenswerk. Olaf Oudheusden die zich als kok voorbereidde op zijn journalistieke toekomst sprak met hem op eerste kerstdag in 2008.
++++++++++++++

Op jonge leeftijd heeft hij al door dat over smaak wel degelijk te twisten valt. We hebben het hier over Johannes van Dam, culinair journalist. Hij wordt in 1946 geboren in Amsterdam, waar in huize Van Dam het wekelijkse krokettenfeest ruw verstoord wordt door het ontslag van de huishoudster juffrouw Dijkstra. Zij is tot die tijd verantwoordelijk voor de productie van deze zondagse delicatesse. De kleine Johannes slaat zijn spaarpot kapot en onderwerpt alle banketbakkers in Amsterdam-Zuid aan een grondig krokettenonderzoek. Hij hoopt zo het culinaire gat dat juffrouw Dijkstra heeft achtergelaten opnieuw te vullen. Dat is volgens Johannes van Dam nooit meer gelukt. Wel lijkt vanaf dit moment zijn fascinatie voor eten, smaken en proeven in hem ontwaakt, maar het zal nog enige tijd duren voordat dit zijn levenswerk wordt.

Het gezin Van Dam verhuist op gegeven moment naar Winschoten, waar Johannes op 16-jarige leeftijd zijn vader verliest. Terug in Amsterdam maakt hij het gymnasium af, doet enkele pogingen tot een universitaire studie, en wordt uitbater van een studentensociëteit.
Na een uitstapje naar de Franse Pyreneeën waar hij een tijd woont, komt hij in de journalistiek terecht – als leerling-redacteur bij het dagblad Het Vrije Volk en later bij weekblad de Haagse Post.

Begin jaren '80 opent hij een kookboekhandel in Amsterdam en begint hij te doen wat hij nog steeds doet: het schrijven van culinaire stukken en later komt daar het recenseren van restaurants bij. Dat doet hij nog steeds wekelijks in Het Parool: recensies over veelal een Amsterdams restaurant. Zijn oordeel is stevig en bijna altijd goed onderbouwd, ofschoon zijn cijfers soms wat aan de hoge kant zouden zijn. Feit is dat restaurants die positief beoordeeld zijn maandenlang volgeboekt zijn. En dat degene die slecht beoordeeld is een langdurige nare smaak in de mond houdt.

Naast zijn gastronomische speurwerk heeft Johannes van Dam zich gespecialiseerd in het ontmaskeren van bedrog. En dat beperkt zich niet uitsluitend tot keukengeheimen. Hij wil de wereld verbeteren en in ieder geval een bijdrage leveren aan het culinair opvoeden van ons land. Jarenlang vonden de keurmeesters van het Franse bandenmerk het nauwelijks de moeite hier te komen, getuige het handjevol sterrenzaken eind vorige eeuw. Maar het tij is gekeerd: inmiddels zijn er in Nederland 83 restaurants met een of meer sterren en de opmars lijkt niet te stoppen. De kritische beschouwingen van Johannes van Dam lijken effect te hebben. In ieder geval heeft elke chef de encyclopedie die in 2005 verscheen, de Dikke van Dam onder zijn kussen om voor het slapen gaan nog even na te lezen hoe het werkelijk zit.

De enige VPRO-medewerker die vanwege zijn koksopleiding de culinaire kennis in huis heeft om zich drie uur te meten met Johannes van Dam is Olaf Oudheusden.
-------------------------------------

Samenvatting eerste uur:

Johannes van Dam bracht gerechten mee naar dit speciale kerstdinertje voor twee personen. Een kweeperentaartje en een kippenlevermousse met morilles, geweekt in de port. Want Van Dam doet niet meer aan foie gras, want daarvoor moet je een gans folteren, en waarom zou je? Sommige koks beweren dat er diervriendelijke ganzenlever bestaat, maar dat is onzin, zegt de meester.

Iedere ochtend begint zijn dag in het café aan de overkant, dat dan nog gesloten is, waar hij de ochtendkranten mag nieten en gratis lezen, en dan ontbijt hij met brood en beleg en neemt hij alle medicijnen in die hij nodig heeft – en dat zijn er nogal wat. Verder op de dag eet hij fruit, bijvoorbeeld zes lychees. Er zijn mensen die beweren dat veel fruit eten vroeg op de dag gisting geeft – maar dat wordt als oudevrouwengezeur afgedaan door Van Dam.

Zoet, zuur, zout, bitter; dat zijn de vier klassieke smaken. Maar je kan ook umami noemen – de smaakversterker die zelf geen smaak heeft maar inderdaad: de smaak versterkt. Kan je een smaak proeven zonder te eten, is de vraag? Ja, de smaken die je kent, kun je in je hoofd oproepen, zoals een componist de muziek kan horen in zijn hoofd.
Dan gaat het over de fouten in kookboeken – en dat zijn er veel. Omdat uitgevers te weinig uitgeven aan vertaling van die boeken, waardoor je opeens in een Italiaans recept Engelse cheddar moet stoppen, omdat er onderweg iets fout gegaan is in de vertaling. Of de maat van een theelepel of een koffielepel: dat is in de meeste landen anders en verpest de recepten als je daar niet duidelijk over bent.

Deze week moest hij twee keer naar een restaurant om te recenseren in plaats van de gebruikelijke één keer. Dat vond hij veel. Eén van de twee was een Afghaans restaurant. Ter voorbereiding oriënteert hij zich dan op de keuken. Dan betreedt hij zijn bibliotheek met 60.000 titels en eet matig overdag; je moet een béétje honger hebben. Hij gaat altijd met zijn assistent, Ilja, iemand die ook verstand van culinaire zaken heeft. Hij heeft bijvoorbeeld het deeg van het kweeperentaartje gemaakt dat daar maar onaangeraakt staat tussen de microfoons.

Hij reserveert van te voren, niet onder zijn eigen naam, zelfs niet onder de naam van zijn assistent. Als hij binnenkomt: of ze herkennen hem, of niet, soms hoor je een schreeuw uit de keuken. Hij doet het zorgvuldig – en hij weegt af wat goed is en niet. Soms leidt zijn oordeel tot langdurige vetes: in een blad heeft hij ooit een saus van het driesterrenrestaurant De Librije in Zwolle te zoet genoemd – en daar de chef op gewezen. Sindsdien fulmineren de eigenaren tegen Van Dam als iemand die niet weet wat zoet is omdat hij suikerziekte heeft. Van die hele Michelinmachine is hij overigens niet erg onder de indruk – al weet hij dat zij ook zijn oordelen kennen en lezen. "Ze weten dat ik een klassieke tong heb", zegt hij, "daar kunnen ze op a"f. Hij kent het verschil tussen zoet en zuur en zout en bitter.

Hij eet niet alles op, maar hij proeft wel alles. En terwijl assistent Ilja meer eet dan hij, blijft hij dun. Van Dam móet wel dieet houden om in leven te blijven, zo moet hij zuinig zijn met kalium.

Samenvatting tweede uur:

Kerstfeest in het huisgezin Van Dam, een feest dat niet gevierd werd. Kerst werd door zijn vader gezien als een hypocriet feest, en Johannes is het daar tot op de dag van vandaag van harte mee eens. Vader van Dam was vrijmetselaar en had een bedrijf, Adestic, de beste fabrikant van plastic luierbroekjes, die aan warenhuizen leverde. Het bedrijf werd naar Oude Pekela verplaatst. Na een half jaar zat Johannes, 16 jaar oud, op een zaterdagmorgen met zijn zusje achterin de auto bij zijn vader, toen de auto slipte, op het ijs terechtkwam en daar door heen zakte. Johannes kreeg zijn zusje uit de auto, maar zijn vader verdronk. Meteen de volgende dag gingen de achterblijvers in het gezin terug naar Amsterdam. Johannes ging bij vrienden wonen, dat was beter voor zijn moeder en voor hem, zegt hij cryptisch. En er was in die jaren zestig geen sprake van begeleiding bij een trauma als hij had meegemaakt.

Na een blauwe maandag medicijnenstudie werd hij de uitbater van de Amsterdamse studentensociëteit De Olofspoort. Later wordt hij leerling-redacteur bij Het Vrije Volk – hij vond dat de krant onwaarachtige dingen schreef en hij wilde niet blijven toen zijn proeftijd afliep. Zijn vader had altijd al gezegd dat je tenminste twee kranten moet lezen om enigszins de waarheid te zien en Johannes las na zijn eigen ervaring in de journalistiek uit protest twee jaar geen krant meer. Het rebelse van de provotijd trok hem aan, zoals de actie met de rookbommen op de dag van het huwelijk van Beatrix en Claus. Er is nog een foto van de jonge Johannes die geslagen wordt door twee politiemannen, maar die foto is nooit meer boven water gekomen. Maar in het algemeen, zegt Johannes, vraag me niks over politiek want dat is een heilloos pad.

Toen hij moe werd van de stad, ging hij naar het eenvoudige plattelandsleven in de Pyreneeën waar hij in een soort commune terechtkwam. Hij had last van depressies, hij zonderde zich af en woonde in een klein huisje, waar hij wat vertaalwerk deed.
"Wat voor plek had het eten?" wil Oudheusden weten. Wat voor idiote vraag dat nou weer was! Je eet iedere dag, gewoon. Maar was Frankrijk niet anders dan Nederland? "Ik was ook al anders dan Nederland, mijn vader was ook al anders", zegt hij wat korzelig.

Johannes van Dam: uur 3

donderdag 25 december 2008, 14:09 uur

Als jochie besteedde Johannes al zijn spaargeld aan een grondig onderzoek naar de kwaliteit der croquetten van alle banketbakkers in Amsterdam-Zuid. Zo kwam hij tot eten, smaken en proeven als levenswerk. Olaf Oudheusden die zich als kok voorbereidde op zijn journalistieke toekomst sprak met hem op eerste kerstdag in 2008.
++++++++++++++

Op jonge leeftijd heeft hij al door dat over smaak wel degelijk te twisten valt. We hebben het hier over Johannes van Dam, culinair journalist. Hij wordt in 1946 geboren in Amsterdam, waar in huize Van Dam het wekelijkse krokettenfeest ruw verstoord wordt door het ontslag van de huishoudster juffrouw Dijkstra. Zij is tot die tijd verantwoordelijk voor de productie van deze zondagse delicatesse. De kleine Johannes slaat zijn spaarpot kapot en onderwerpt alle banketbakkers in Amsterdam-Zuid aan een grondig krokettenonderzoek. Hij hoopt zo het culinaire gat dat juffrouw Dijkstra heeft achtergelaten opnieuw te vullen. Dat is volgens Johannes van Dam nooit meer gelukt. Wel lijkt vanaf dit moment zijn fascinatie voor eten, smaken en proeven in hem ontwaakt, maar het zal nog enige tijd duren voordat dit zijn levenswerk wordt.

Het gezin Van Dam verhuist op gegeven moment naar Winschoten, waar Johannes op 16-jarige leeftijd zijn vader verliest. Terug in Amsterdam maakt hij het gymnasium af, doet enkele pogingen tot een universitaire studie, en wordt uitbater van een studentensociëteit.
Na een uitstapje naar de Franse Pyreneeën waar hij een tijd woont, komt hij in de journalistiek terecht – als leerling-redacteur bij het dagblad Het Vrije Volk en later bij weekblad de Haagse Post.

Begin jaren '80 opent hij een kookboekhandel in Amsterdam en begint hij te doen wat hij nog steeds doet: het schrijven van culinaire stukken en later komt daar het recenseren van restaurants bij. Dat doet hij nog steeds wekelijks in Het Parool: recensies over veelal een Amsterdams restaurant. Zijn oordeel is stevig en bijna altijd goed onderbouwd, ofschoon zijn cijfers soms wat aan de hoge kant zouden zijn. Feit is dat restaurants die positief beoordeeld zijn maandenlang volgeboekt zijn. En dat degene die slecht beoordeeld is een langdurige nare smaak in de mond houdt.

Naast zijn gastronomische speurwerk heeft Johannes van Dam zich gespecialiseerd in het ontmaskeren van bedrog. En dat beperkt zich niet uitsluitend tot keukengeheimen. Hij wil de wereld verbeteren en in ieder geval een bijdrage leveren aan het culinair opvoeden van ons land. Jarenlang vonden de keurmeesters van het Franse bandenmerk het nauwelijks de moeite hier te komen, getuige het handjevol sterrenzaken eind vorige eeuw. Maar het tij is gekeerd: inmiddels zijn er in Nederland 83 restaurants met een of meer sterren en de opmars lijkt niet te stoppen. De kritische beschouwingen van Johannes van Dam lijken effect te hebben. In ieder geval heeft elke chef de encyclopedie die in 2005 verscheen, de Dikke van Dam onder zijn kussen om voor het slapen gaan nog even na te lezen hoe het werkelijk zit.

De enige VPRO-medewerker die vanwege zijn koksopleiding de culinaire kennis in huis heeft om zich drie uur te meten met Johannes van Dam is Olaf Oudheusden.
-------------------------------------

Samenvatting eerste uur:

Johannes van Dam bracht gerechten mee naar dit speciale kerstdinertje voor twee personen. Een kweeperentaartje en een kippenlevermousse met morilles, geweekt in de port. Want Van Dam doet niet meer aan foie gras, want daarvoor moet je een gans folteren, en waarom zou je? Sommige koks beweren dat er diervriendelijke ganzenlever bestaat, maar dat is onzin, zegt de meester.

Iedere ochtend begint zijn dag in het café aan de overkant, dat dan nog gesloten is, waar hij de ochtendkranten mag nieten en gratis lezen, en dan ontbijt hij met brood en beleg en neemt hij alle medicijnen in die hij nodig heeft – en dat zijn er nogal wat. Verder op de dag eet hij fruit, bijvoorbeeld zes lychees. Er zijn mensen die beweren dat veel fruit eten vroeg op de dag gisting geeft – maar dat wordt als oudevrouwengezeur afgedaan door Van Dam.

Zoet, zuur, zout, bitter; dat zijn de vier klassieke smaken. Maar je kan ook umami noemen – de smaakversterker die zelf geen smaak heeft maar inderdaad: de smaak versterkt. Kan je een smaak proeven zonder te eten, is de vraag? Ja, de smaken die je kent, kun je in je hoofd oproepen, zoals een componist de muziek kan horen in zijn hoofd.
Dan gaat het over de fouten in kookboeken – en dat zijn er veel. Omdat uitgevers te weinig uitgeven aan vertaling van die boeken, waardoor je opeens in een Italiaans recept Engelse cheddar moet stoppen, omdat er onderweg iets fout gegaan is in de vertaling. Of de maat van een theelepel of een koffielepel: dat is in de meeste landen anders en verpest de recepten als je daar niet duidelijk over bent.

Deze week moest hij twee keer naar een restaurant om te recenseren in plaats van de gebruikelijke één keer. Dat vond hij veel. Eén van de twee was een Afghaans restaurant. Ter voorbereiding oriënteert hij zich dan op de keuken. Dan betreedt hij zijn bibliotheek met 60.000 titels en eet matig overdag; je moet een béétje honger hebben. Hij gaat altijd met zijn assistent, Ilja, iemand die ook verstand van culinaire zaken heeft. Hij heeft bijvoorbeeld het deeg van het kweeperentaartje gemaakt dat daar maar onaangeraakt staat tussen de microfoons.

Hij reserveert van te voren, niet onder zijn eigen naam, zelfs niet onder de naam van zijn assistent. Als hij binnenkomt: of ze herkennen hem, of niet, soms hoor je een schreeuw uit de keuken. Hij doet het zorgvuldig – en hij weegt af wat goed is en niet. Soms leidt zijn oordeel tot langdurige vetes: in een blad heeft hij ooit een saus van het driesterrenrestaurant De Librije in Zwolle te zoet genoemd – en daar de chef op gewezen. Sindsdien fulmineren de eigenaren tegen Van Dam als iemand die niet weet wat zoet is omdat hij suikerziekte heeft. Van die hele Michelinmachine is hij overigens niet erg onder de indruk – al weet hij dat zij ook zijn oordelen kennen en lezen. "Ze weten dat ik een klassieke tong heb", zegt hij, "daar kunnen ze op a"f. Hij kent het verschil tussen zoet en zuur en zout en bitter.

Hij eet niet alles op, maar hij proeft wel alles. En terwijl assistent Ilja meer eet dan hij, blijft hij dun. Van Dam móet wel dieet houden om in leven te blijven, zo moet hij zuinig zijn met kalium.

Samenvatting tweede uur:

Kerstfeest in het huisgezin Van Dam, een feest dat niet gevierd werd. Kerst werd door zijn vader gezien als een hypocriet feest, en Johannes is het daar tot op de dag van vandaag van harte mee eens. Vader van Dam was vrijmetselaar en had een bedrijf, Adestic, de beste fabrikant van plastic luierbroekjes, die aan warenhuizen leverde. Het bedrijf werd naar Oude Pekela verplaatst. Na een half jaar zat Johannes, 16 jaar oud, op een zaterdagmorgen met zijn zusje achterin de auto bij zijn vader, toen de auto slipte, op het ijs terechtkwam en daar door heen zakte. Johannes kreeg zijn zusje uit de auto, maar zijn vader verdronk. Meteen de volgende dag gingen de achterblijvers in het gezin terug naar Amsterdam. Johannes ging bij vrienden wonen, dat was beter voor zijn moeder en voor hem, zegt hij cryptisch. En er was in die jaren zestig geen sprake van begeleiding bij een trauma als hij had meegemaakt.

Na een blauwe maandag medicijnenstudie werd hij de uitbater van de Amsterdamse studentensociëteit De Olofspoort. Later wordt hij leerling-redacteur bij Het Vrije Volk – hij vond dat de krant onwaarachtige dingen schreef en hij wilde niet blijven toen zijn proeftijd afliep. Zijn vader had altijd al gezegd dat je tenminste twee kranten moet lezen om enigszins de waarheid te zien en Johannes las na zijn eigen ervaring in de journalistiek uit protest twee jaar geen krant meer. Het rebelse van de provotijd trok hem aan, zoals de actie met de rookbommen op de dag van het huwelijk van Beatrix en Claus. Er is nog een foto van de jonge Johannes die geslagen wordt door twee politiemannen, maar die foto is nooit meer boven water gekomen. Maar in het algemeen, zegt Johannes, vraag me niks over politiek want dat is een heilloos pad.

Toen hij moe werd van de stad, ging hij naar het eenvoudige plattelandsleven in de Pyreneeën waar hij in een soort commune terechtkwam. Hij had last van depressies, hij zonderde zich af en woonde in een klein huisje, waar hij wat vertaalwerk deed.
"Wat voor plek had het eten?" wil Oudheusden weten. Wat voor idiote vraag dat nou weer was! Je eet iedere dag, gewoon. Maar was Frankrijk niet anders dan Nederland? "Ik was ook al anders dan Nederland, mijn vader was ook al anders", zegt hij wat korzelig.

Lulu Wang: uur 3

vrijdag 8 augustus 2008, 12:50 uur

De eerste Chinese schrijfster die inburgerde in Nederland kwam naar Maastricht omdat ze had gesolliciteerd als docente aan de universiteit. Met haar debuut “Het Lelietheater” startte zij een nog immer aanhoudende carriere met elk jaar een boek, vertelde zij in 2008 aan Djoeke Veeninga.

Het Verre Oosten in Nederland

Ze werd in 1960 in China geboren en ze kwam in 1986 naar Nederland, waar ze 13 jaar later debuteerde met een roman die ze tot ieders verbazing in het Nederlands had geschreven: ' Het Lelietheater, een jeugd in China' . We hebben het hier over de schrijfster Lulu Wang. Die roman werd een ongekend succes in verkoopcijfers en ieder jaar volgde er een boek: Brief aan mijn lezers, Het tedere kind, Het witte feest, Seringendroom, Het rode feest, Bedwelmd. Haar laatste roman Heldere maan kwam vorig jaar uit.

Kort voor haar komst naar Nederland was ze afgestudeerd aan de universiteit van Peking en had daar een aanstelling als docent gekregen. Maar haar kwam ter ore dat de Hogeschool van Maastricht een docente Chinees zocht. Ze solliciteerde en werd aangenomen en bleef negen jaar doceren in Maastricht. Nu woont de schrijfster in Den Haag.

Lulu Wangs moeder was docente Russisch en haar vader professor aan de militaire academie. Lulu groeit op ten tijde van de Culturele Revolutie, en in 1972 als zij twaalf jaar is, wordt haar moeder als bourgeois opgepakt en in een heropvoedingskamp gezet. Lulu mag zich er later bijvoegen, dat was beter dan alleen in het kinderopvoedingshuis. In 1976 sterft Mao en komen de hervormingen onder Den Xiaoping op gang. Het bourgeois meisje Wang kan studeren.

Over die jeugd gaat het Lelietheater deels. ‘Ik was heel vaak alleen. En ook verdrietig. Ik ging een wereld in mijn hoofd creëren die mooi was. Mijn fantasie is mijn grootste bron van geluk.’ - zo is haar schrijverschap begonnen.
Lulu Wang, die zich zelden in het openbaar over de actuele politieke situatie in China uitlaat, publiceerde in april een open brief: 'Laat mij trots zijn op het Westen', waarin zij het Chinese beleid ten aanzien van Tibet verdedigt en het Westen een ongenuanceerd anti-Chinese houding verwijt.

Lulu Wang: uur 2

vrijdag 8 augustus 2008, 12:49 uur

De eerste Chinese schrijfster die inburgerde in Nederland kwam naar Maastricht omdat ze had gesolliciteerd als docente aan de universiteit. Met haar debuut “Het Lelietheater” startte zij een nog immer aanhoudende carriere met elk jaar een boek, vertelde zij in 2008 aan Djoeke Veeninga.

Het Verre Oosten in Nederland

Ze werd in 1960 in China geboren en ze kwam in 1986 naar Nederland, waar ze 13 jaar later debuteerde met een roman die ze tot ieders verbazing in het Nederlands had geschreven: ' Het Lelietheater, een jeugd in China' . We hebben het hier over de schrijfster Lulu Wang. Die roman werd een ongekend succes in verkoopcijfers en ieder jaar volgde er een boek: Brief aan mijn lezers, Het tedere kind, Het witte feest, Seringendroom, Het rode feest, Bedwelmd. Haar laatste roman Heldere maan kwam vorig jaar uit.

Kort voor haar komst naar Nederland was ze afgestudeerd aan de universiteit van Peking en had daar een aanstelling als docent gekregen. Maar haar kwam ter ore dat de Hogeschool van Maastricht een docente Chinees zocht. Ze solliciteerde en werd aangenomen en bleef negen jaar doceren in Maastricht. Nu woont de schrijfster in Den Haag.

Lulu Wangs moeder was docente Russisch en haar vader professor aan de militaire academie. Lulu groeit op ten tijde van de Culturele Revolutie, en in 1972 als zij twaalf jaar is, wordt haar moeder als bourgeois opgepakt en in een heropvoedingskamp gezet. Lulu mag zich er later bijvoegen, dat was beter dan alleen in het kinderopvoedingshuis. In 1976 sterft Mao en komen de hervormingen onder Den Xiaoping op gang. Het bourgeois meisje Wang kan studeren.

Over die jeugd gaat het Lelietheater deels. ‘Ik was heel vaak alleen. En ook verdrietig. Ik ging een wereld in mijn hoofd creëren die mooi was. Mijn fantasie is mijn grootste bron van geluk.’ - zo is haar schrijverschap begonnen.
Lulu Wang, die zich zelden in het openbaar over de actuele politieke situatie in China uitlaat, publiceerde in april een open brief: 'Laat mij trots zijn op het Westen', waarin zij het Chinese beleid ten aanzien van Tibet verdedigt en het Westen een ongenuanceerd anti-Chinese houding verwijt.

Lulu Wang: uur 1

vrijdag 8 augustus 2008, 12:48 uur

De eerste Chinese schrijfster die inburgerde in Nederland kwam naar Maastricht omdat ze had gesolliciteerd als docente aan de universiteit. Met haar debuut “Het Lelietheater” startte zij een nog immer aanhoudende carriere met elk jaar een boek, vertelde zij in 2008 aan Djoeke Veeninga.

Het Verre Oosten in Nederland

Ze werd in 1960 in China geboren en ze kwam in 1986 naar Nederland, waar ze 13 jaar later debuteerde met een roman die ze tot ieders verbazing in het Nederlands had geschreven: ' Het Lelietheater, een jeugd in China' . We hebben het hier over de schrijfster Lulu Wang. Die roman werd een ongekend succes in verkoopcijfers en ieder jaar volgde er een boek: Brief aan mijn lezers, Het tedere kind, Het witte feest, Seringendroom, Het rode feest, Bedwelmd. Haar laatste roman Heldere maan kwam vorig jaar uit.

Kort voor haar komst naar Nederland was ze afgestudeerd aan de universiteit van Peking en had daar een aanstelling als docent gekregen. Maar haar kwam ter ore dat de Hogeschool van Maastricht een docente Chinees zocht. Ze solliciteerde en werd aangenomen en bleef negen jaar doceren in Maastricht. Nu woont de schrijfster in Den Haag.

Lulu Wangs moeder was docente Russisch en haar vader professor aan de militaire academie. Lulu groeit op ten tijde van de Culturele Revolutie, en in 1972 als zij twaalf jaar is, wordt haar moeder als bourgeois opgepakt en in een heropvoedingskamp gezet. Lulu mag zich er later bijvoegen, dat was beter dan alleen in het kinderopvoedingshuis. In 1976 sterft Mao en komen de hervormingen onder Den Xiaoping op gang. Het bourgeois meisje Wang kan studeren.

Over die jeugd gaat het Lelietheater deels. ‘Ik was heel vaak alleen. En ook verdrietig. Ik ging een wereld in mijn hoofd creëren die mooi was. Mijn fantasie is mijn grootste bron van geluk.’ - zo is haar schrijverschap begonnen.
Lulu Wang, die zich zelden in het openbaar over de actuele politieke situatie in China uitlaat, publiceerde in april een open brief: 'Laat mij trots zijn op het Westen', waarin zij het Chinese beleid ten aanzien van Tibet verdedigt en het Westen een ongenuanceerd anti-Chinese houding verwijt.

Louise Fresco: uur 2

vrijdag 1 augustus 2008, 12:12 uur

Fresco verliet de FAO in 2006. De Guardian publiceerde waarom: “Whatever is done now is too little and too late”. Maar ook buiten het Verenigde Naties platform, blijft ze zich inzetten voor beter wereldvoedsel.
In theorie en praktijk vertelde ze in 2008 aan Rob van Hattem.

Duurzaam ontwikkeld:

Intelligent, een wandelende encyclopedie, analytisch, veelzijdig, bescheiden en elegant. Zo wordt ze beschreven: Louise O. Fresco, landbouwdeskundige, romanschrijfster en columniste.

Even dacht ze erover om na het gymnasium conservatorium te gaan doen, maar de hongersnood in Biafra deed haar besluiten om zich te storten op de wereldvoedselvoorziening. Ze koos voor de Universiteit van Wageningen, een studie Tropische Landbouwkunde en reisde gedurende haar studie en de jaren daarna voor de Verenigde Naties de halve wereld over. Ze stond veelvuldig met de voeten in de modder of tussen de krokodillen en werd een specialist in het uitlepelen van tropische zweren met een theelepeltje.

In 1986 promoveerde ze cum laude op een onderzoek naar cassave-teelt en vier jaar later was ze professor in Wageningen. Hoogleraar Plantaardige Productiesystemen met als specialisatie tropische gebieden. Voedsel, landbouw en de systemen daarachter waren haar grootste passie en kunde.

In 1997 werd ze de hoogste Nederlandse landbouw-ambtenaar in het buitenland; directeur Onderzoek bij de FAO, de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties. Rome werd haar geliefde woonplaats.

Ondertussen bouwt ze aan haar literaire carrière. In 2003 verschijnt haar eerste roman, De Kosmopolieten. Bij de FAO is ze dan inmiddels al opgeklommen tot algemeen onder-directeur, maar in 2006 schrijft ze haar ontslagbrief: ”Alles wat er gedaan wordt, is te weinig en te laat ….”, zo verzuchtte ze in die brief, die tot haar ontzetting in de Britse krant The Observer gepubliceerd werd. Wie hem gelekt heeft, weet ze niet.

Momenteel is Louise Fresco hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met als aandachtsgebied Duurzame Ontwikkeling in Internationaal Perspectief. Maar ze is ook commissaris bij de Rabobank, kroonlid bij de SER – de Sociaal Economische Raad. Bovendien is ze lid van de Deltacommissie die de veiligheid van onze dijken en waterwerken onder de loep neemt en lid van de Commissie die de Bètacanon heeft samengesteld - 50 onderwerpen die u en ik zouden moeten weten op het gebied van wetenschap en technologie.

Ze schrijft columns voor het NRC Handelsblad, schreef nog drie andere boeken. Haar laatste roman, De Utopisten, werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.
-----------------------------------

Samenvattingen

"Ik heb ook wel iets stoers"

Eerste uur

We hebben kennisgemaakt met de jonge juffrouw Fresco, dochter van een vader die filosoof en classicus was – een klassieke jeugd waarin ze al voor de middelbare school ‘het categorisch imperatief’ van Kant had gelezen. Een kind dat vaak ziek was, en leesverslaafd was – alles, encyclopedieën, alles. Een verslaving die gebleven is: toen ze later werkte in Zaire plunderde ze de bibliotheek van de paters en las ook de achterkant van de knipsels uit de Groene Amsterdammer die ze toegestuurd kreeg uit leeshonger.

Een mens moet zijn leven nuttig besteden – dat werd al snel het motto. Het gezin was naar Brussel verhuisd toen Louise negen was, en later zat zij op de internationale europese school.

De eerste hongersnood in Afrika die door de media uitgebreid werd getoond, de Biafra-crisis in Nigeria, maakte veel indruk – en bepaalde mede dat ze na de middelbare school naar de Universiteit Wageningen ging om Tropische Landbouwkunde te studeren. Het was de tijd van de groene revolutie, die, zo roept ze even in de herinnering, door de VS in de Koude Oorlog werd gelanceerd, om te zorgen dat landen als India niet in de communistische invloedssfeer terecht zouden komen – er moest meer mais in Mexico en meer rijst in India komen, dat was het uitgangspunt. En al snel werden spectaculaire resultaten geboekt door een kruising van rassen.

De revolutie kostte ook veel, wat irrigatie betreft en chemicalieën – maar de enorme productieverhoging is essentieel gebleken, benadrukt ze, want je kan zonder intensivering van de landbouw ook de natuur niet beschermen.

Na haar studie heeft ze lang in de Congo en Liberia gezeten. Ze leefde zo'n jaar of acht zonder water en elektriciteit – ja, stoer, als er niks te eten was, ging ze mee op jacht en vliegen kan ze ook, dat wil zeggen opstijgen en koers houden , maar niet landen.
Haar onderzoek naar de cassaveteelt leidde tot haar proefschrift.

Tweede uur

De professor in Wageningen waarbij ze promoveerde op haar onderzoek naar tropische plantenteelt zei bij die gelegenheid: u bent niet getrouwd, u hebt geen kinderen ,u gaat nog ver komen.

Eerst werd ze hoogleraar, die populaire colleges op vrijdagmiddag gaf aan de eerstejaars – die kan je nog pakken, zei ze, daarom is het leuk aan de eerstejaars te doceren. Ze bracht een culturele touch in die technische omgeving. Ze zette veldwerk op. En herinnert zich nog levendig de aardbeving die de groep wetenschappers op expeditie in het oerwoud van Costa Rica meemaakte: onweerstaanbaar, al die naschokken, waarbij de epifieten uit de bomen vielen, de plantjes die op bomen groeien zonder wortels in de grond. Heerlijk om dat proces te bekijken in wetenschappelijke zin.

In 1997 werd ze uitgenodigd om directeur onderzoek bij de FAO te worden – het autonome landbouwagentschap van de VN dat, roept ze in de herinnering, opgericht werd nog tijdens de Tweede Wereldoorlog om het voedselprobleem van Europa aan te pakken. Ze verhuisde naar Rome – de prachtige klassieke stad waar ze ook het arme migrantenjongetje op straat vond waarover ze De Tuin van de Sultan van Rome over schreef.

Het autoritaire en hiërarchische FAO, waar alle vakgebieden onherroepelijk gescheiden waren, maar waar het werk interessant was - geweldige staf, relevante onderwerpen, de hele wereld kwam langs -, al was het de tijd waarin het onderwerp landbouw en voedsel lang verwaarloosd is geweest.

In 2006 schreef ze haar ontslagbrief. Ze vond dat ze een principieel punt moest maken. De directeur-generaal begon aan zijn derde mandaat - terwijl iedereen vond dat het slecht ging qua management. Een voorbeeld van iemand die er zit op politieke keuze, niet op kwaliteit, zoals dat vaak gebeurt bij de VN. Ze vond dat de geloofwaardigheid in het geding was, ze vond dat er vuile handen werden gemaakt door te investeren in landen als Zimbabwe en Venezuela. Ze vond dat de wezenlijke vraag over de functie van de FAO niet aan de orde kwam. De brief met haar kritiek werd gepubliceerd – buiten haar om, maar ze kreeg er wel veel bijval voor.

En toen? De allesvreter, zoals ze zichzelf als kind al omschreef, besloot toen weer docent te worden - ze werd universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met als aandachtsgebied Duurzame Ontwikkeling in Internationaal Perspectief.

Louise Fresco: uur 3

vrijdag 1 augustus 2008, 12:12 uur

Fresco verliet de FAO in 2006. De Guardian publiceerde waarom: “Whatever is done now is too little and too late”. Maar ook buiten het Verenigde Naties platform, blijft ze zich inzetten voor beter wereldvoedsel.
In theorie en praktijk vertelde ze in 2008 aan Rob van Hattem.

Duurzaam ontwikkeld:

Intelligent, een wandelende encyclopedie, analytisch, veelzijdig, bescheiden en elegant. Zo wordt ze beschreven: Louise O. Fresco, landbouwdeskundige, romanschrijfster en columniste.

Even dacht ze erover om na het gymnasium conservatorium te gaan doen, maar de hongersnood in Biafra deed haar besluiten om zich te storten op de wereldvoedselvoorziening. Ze koos voor de Universiteit van Wageningen, een studie Tropische Landbouwkunde en reisde gedurende haar studie en de jaren daarna voor de Verenigde Naties de halve wereld over. Ze stond veelvuldig met de voeten in de modder of tussen de krokodillen en werd een specialist in het uitlepelen van tropische zweren met een theelepeltje.

In 1986 promoveerde ze cum laude op een onderzoek naar cassave-teelt en vier jaar later was ze professor in Wageningen. Hoogleraar Plantaardige Productiesystemen met als specialisatie tropische gebieden. Voedsel, landbouw en de systemen daarachter waren haar grootste passie en kunde.

In 1997 werd ze de hoogste Nederlandse landbouw-ambtenaar in het buitenland; directeur Onderzoek bij de FAO, de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties. Rome werd haar geliefde woonplaats.

Ondertussen bouwt ze aan haar literaire carrière. In 2003 verschijnt haar eerste roman, De Kosmopolieten. Bij de FAO is ze dan inmiddels al opgeklommen tot algemeen onder-directeur, maar in 2006 schrijft ze haar ontslagbrief: ”Alles wat er gedaan wordt, is te weinig en te laat ….”, zo verzuchtte ze in die brief, die tot haar ontzetting in de Britse krant The Observer gepubliceerd werd. Wie hem gelekt heeft, weet ze niet.

Momenteel is Louise Fresco hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met als aandachtsgebied Duurzame Ontwikkeling in Internationaal Perspectief. Maar ze is ook commissaris bij de Rabobank, kroonlid bij de SER – de Sociaal Economische Raad. Bovendien is ze lid van de Deltacommissie die de veiligheid van onze dijken en waterwerken onder de loep neemt en lid van de Commissie die de Bètacanon heeft samengesteld - 50 onderwerpen die u en ik zouden moeten weten op het gebied van wetenschap en technologie.

Ze schrijft columns voor het NRC Handelsblad, schreef nog drie andere boeken. Haar laatste roman, De Utopisten, werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.
-----------------------------------

Samenvattingen

"Ik heb ook wel iets stoers"

Eerste uur

We hebben kennisgemaakt met de jonge juffrouw Fresco, dochter van een vader die filosoof en classicus was – een klassieke jeugd waarin ze al voor de middelbare school ‘het categorisch imperatief’ van Kant had gelezen. Een kind dat vaak ziek was, en leesverslaafd was – alles, encyclopedieën, alles. Een verslaving die gebleven is: toen ze later werkte in Zaire plunderde ze de bibliotheek van de paters en las ook de achterkant van de knipsels uit de Groene Amsterdammer die ze toegestuurd kreeg uit leeshonger.

Een mens moet zijn leven nuttig besteden – dat werd al snel het motto. Het gezin was naar Brussel verhuisd toen Louise negen was, en later zat zij op de internationale europese school.

De eerste hongersnood in Afrika die door de media uitgebreid werd getoond, de Biafra-crisis in Nigeria, maakte veel indruk – en bepaalde mede dat ze na de middelbare school naar de Universiteit Wageningen ging om Tropische Landbouwkunde te studeren. Het was de tijd van de groene revolutie, die, zo roept ze even in de herinnering, door de VS in de Koude Oorlog werd gelanceerd, om te zorgen dat landen als India niet in de communistische invloedssfeer terecht zouden komen – er moest meer mais in Mexico en meer rijst in India komen, dat was het uitgangspunt. En al snel werden spectaculaire resultaten geboekt door een kruising van rassen.

De revolutie kostte ook veel, wat irrigatie betreft en chemicalieën – maar de enorme productieverhoging is essentieel gebleken, benadrukt ze, want je kan zonder intensivering van de landbouw ook de natuur niet beschermen.

Na haar studie heeft ze lang in de Congo en Liberia gezeten. Ze leefde zo'n jaar of acht zonder water en elektriciteit – ja, stoer, als er niks te eten was, ging ze mee op jacht en vliegen kan ze ook, dat wil zeggen opstijgen en koers houden , maar niet landen.
Haar onderzoek naar de cassaveteelt leidde tot haar proefschrift.

Tweede uur

De professor in Wageningen waarbij ze promoveerde op haar onderzoek naar tropische plantenteelt zei bij die gelegenheid: u bent niet getrouwd, u hebt geen kinderen ,u gaat nog ver komen.

Eerst werd ze hoogleraar, die populaire colleges op vrijdagmiddag gaf aan de eerstejaars – die kan je nog pakken, zei ze, daarom is het leuk aan de eerstejaars te doceren. Ze bracht een culturele touch in die technische omgeving. Ze zette veldwerk op. En herinnert zich nog levendig de aardbeving die de groep wetenschappers op expeditie in het oerwoud van Costa Rica meemaakte: onweerstaanbaar, al die naschokken, waarbij de epifieten uit de bomen vielen, de plantjes die op bomen groeien zonder wortels in de grond. Heerlijk om dat proces te bekijken in wetenschappelijke zin.

In 1997 werd ze uitgenodigd om directeur onderzoek bij de FAO te worden – het autonome landbouwagentschap van de VN dat, roept ze in de herinnering, opgericht werd nog tijdens de Tweede Wereldoorlog om het voedselprobleem van Europa aan te pakken. Ze verhuisde naar Rome – de prachtige klassieke stad waar ze ook het arme migrantenjongetje op straat vond waarover ze De Tuin van de Sultan van Rome over schreef.

Het autoritaire en hiërarchische FAO, waar alle vakgebieden onherroepelijk gescheiden waren, maar waar het werk interessant was - geweldige staf, relevante onderwerpen, de hele wereld kwam langs -, al was het de tijd waarin het onderwerp landbouw en voedsel lang verwaarloosd is geweest.

In 2006 schreef ze haar ontslagbrief. Ze vond dat ze een principieel punt moest maken. De directeur-generaal begon aan zijn derde mandaat - terwijl iedereen vond dat het slecht ging qua management. Een voorbeeld van iemand die er zit op politieke keuze, niet op kwaliteit, zoals dat vaak gebeurt bij de VN. Ze vond dat de geloofwaardigheid in het geding was, ze vond dat er vuile handen werden gemaakt door te investeren in landen als Zimbabwe en Venezuela. Ze vond dat de wezenlijke vraag over de functie van de FAO niet aan de orde kwam. De brief met haar kritiek werd gepubliceerd – buiten haar om, maar ze kreeg er wel veel bijval voor.

En toen? De allesvreter, zoals ze zichzelf als kind al omschreef, besloot toen weer docent te worden - ze werd universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met als aandachtsgebied Duurzame Ontwikkeling in Internationaal Perspectief.

Louise Fresco: uur 1

vrijdag 1 augustus 2008, 12:11 uur

Fresco verliet de FAO in 2006. De Guardian publiceerde waarom: “Whatever is done now is too little and too late”. Maar ook buiten het Verenigde Naties platform, blijft ze zich inzetten voor beter wereldvoedsel.
In theorie en praktijk vertelde ze in 2008 aan Rob van Hattem.

Duurzaam ontwikkeld:

Intelligent, een wandelende encyclopedie, analytisch, veelzijdig, bescheiden en elegant. Zo wordt ze beschreven: Louise O. Fresco, landbouwdeskundige, romanschrijfster en columniste.

Even dacht ze erover om na het gymnasium conservatorium te gaan doen, maar de hongersnood in Biafra deed haar besluiten om zich te storten op de wereldvoedselvoorziening. Ze koos voor de Universiteit van Wageningen, een studie Tropische Landbouwkunde en reisde gedurende haar studie en de jaren daarna voor de Verenigde Naties de halve wereld over. Ze stond veelvuldig met de voeten in de modder of tussen de krokodillen en werd een specialist in het uitlepelen van tropische zweren met een theelepeltje.

In 1986 promoveerde ze cum laude op een onderzoek naar cassave-teelt en vier jaar later was ze professor in Wageningen. Hoogleraar Plantaardige Productiesystemen met als specialisatie tropische gebieden. Voedsel, landbouw en de systemen daarachter waren haar grootste passie en kunde.

In 1997 werd ze de hoogste Nederlandse landbouw-ambtenaar in het buitenland; directeur Onderzoek bij de FAO, de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties. Rome werd haar geliefde woonplaats.

Ondertussen bouwt ze aan haar literaire carrière. In 2003 verschijnt haar eerste roman, De Kosmopolieten. Bij de FAO is ze dan inmiddels al opgeklommen tot algemeen onder-directeur, maar in 2006 schrijft ze haar ontslagbrief: ”Alles wat er gedaan wordt, is te weinig en te laat ….”, zo verzuchtte ze in die brief, die tot haar ontzetting in de Britse krant The Observer gepubliceerd werd. Wie hem gelekt heeft, weet ze niet.

Momenteel is Louise Fresco hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met als aandachtsgebied Duurzame Ontwikkeling in Internationaal Perspectief. Maar ze is ook commissaris bij de Rabobank, kroonlid bij de SER – de Sociaal Economische Raad. Bovendien is ze lid van de Deltacommissie die de veiligheid van onze dijken en waterwerken onder de loep neemt en lid van de Commissie die de Bètacanon heeft samengesteld - 50 onderwerpen die u en ik zouden moeten weten op het gebied van wetenschap en technologie.

Ze schrijft columns voor het NRC Handelsblad, schreef nog drie andere boeken. Haar laatste roman, De Utopisten, werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.
-----------------------------------

Samenvattingen

"Ik heb ook wel iets stoers"

Eerste uur

We hebben kennisgemaakt met de jonge juffrouw Fresco, dochter van een vader die filosoof en classicus was – een klassieke jeugd waarin ze al voor de middelbare school ‘het categorisch imperatief’ van Kant had gelezen. Een kind dat vaak ziek was, en leesverslaafd was – alles, encyclopedieën, alles. Een verslaving die gebleven is: toen ze later werkte in Zaire plunderde ze de bibliotheek van de paters en las ook de achterkant van de knipsels uit de Groene Amsterdammer die ze toegestuurd kreeg uit leeshonger.

Een mens moet zijn leven nuttig besteden – dat werd al snel het motto. Het gezin was naar Brussel verhuisd toen Louise negen was, en later zat zij op de internationale europese school.

De eerste hongersnood in Afrika die door de media uitgebreid werd getoond, de Biafra-crisis in Nigeria, maakte veel indruk – en bepaalde mede dat ze na de middelbare school naar de Universiteit Wageningen ging om Tropische Landbouwkunde te studeren. Het was de tijd van de groene revolutie, die, zo roept ze even in de herinnering, door de VS in de Koude Oorlog werd gelanceerd, om te zorgen dat landen als India niet in de communistische invloedssfeer terecht zouden komen – er moest meer mais in Mexico en meer rijst in India komen, dat was het uitgangspunt. En al snel werden spectaculaire resultaten geboekt door een kruising van rassen.

De revolutie kostte ook veel, wat irrigatie betreft en chemicalieën – maar de enorme productieverhoging is essentieel gebleken, benadrukt ze, want je kan zonder intensivering van de landbouw ook de natuur niet beschermen.

Na haar studie heeft ze lang in de Congo en Liberia gezeten. Ze leefde zo'n jaar of acht zonder water en elektriciteit – ja, stoer, als er niks te eten was, ging ze mee op jacht en vliegen kan ze ook, dat wil zeggen opstijgen en koers houden , maar niet landen.
Haar onderzoek naar de cassaveteelt leidde tot haar proefschrift.

Tweede uur

De professor in Wageningen waarbij ze promoveerde op haar onderzoek naar tropische plantenteelt zei bij die gelegenheid: u bent niet getrouwd, u hebt geen kinderen ,u gaat nog ver komen.

Eerst werd ze hoogleraar, die populaire colleges op vrijdagmiddag gaf aan de eerstejaars – die kan je nog pakken, zei ze, daarom is het leuk aan de eerstejaars te doceren. Ze bracht een culturele touch in die technische omgeving. Ze zette veldwerk op. En herinnert zich nog levendig de aardbeving die de groep wetenschappers op expeditie in het oerwoud van Costa Rica meemaakte: onweerstaanbaar, al die naschokken, waarbij de epifieten uit de bomen vielen, de plantjes die op bomen groeien zonder wortels in de grond. Heerlijk om dat proces te bekijken in wetenschappelijke zin.

In 1997 werd ze uitgenodigd om directeur onderzoek bij de FAO te worden – het autonome landbouwagentschap van de VN dat, roept ze in de herinnering, opgericht werd nog tijdens de Tweede Wereldoorlog om het voedselprobleem van Europa aan te pakken. Ze verhuisde naar Rome – de prachtige klassieke stad waar ze ook het arme migrantenjongetje op straat vond waarover ze De Tuin van de Sultan van Rome over schreef.

Het autoritaire en hiërarchische FAO, waar alle vakgebieden onherroepelijk gescheiden waren, maar waar het werk interessant was - geweldige staf, relevante onderwerpen, de hele wereld kwam langs -, al was het de tijd waarin het onderwerp landbouw en voedsel lang verwaarloosd is geweest.

In 2006 schreef ze haar ontslagbrief. Ze vond dat ze een principieel punt moest maken. De directeur-generaal begon aan zijn derde mandaat - terwijl iedereen vond dat het slecht ging qua management. Een voorbeeld van iemand die er zit op politieke keuze, niet op kwaliteit, zoals dat vaak gebeurt bij de VN. Ze vond dat de geloofwaardigheid in het geding was, ze vond dat er vuile handen werden gemaakt door te investeren in landen als Zimbabwe en Venezuela. Ze vond dat de wezenlijke vraag over de functie van de FAO niet aan de orde kwam. De brief met haar kritiek werd gepubliceerd – buiten haar om, maar ze kreeg er wel veel bijval voor.

En toen? De allesvreter, zoals ze zichzelf als kind al omschreef, besloot toen weer docent te worden - ze werd universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met als aandachtsgebied Duurzame Ontwikkeling in Internationaal Perspectief.

Agnes Kant: uur 2

vrijdag 25 juli 2008, 10:30 uur

Voorvechtster

Agnes Kant was, na Marijnissen en voor Roemers, de fractievoorzitster van de SP, de grootste oppositiepartij in de Tweede Kamer. Ze volgde Jan Marijnissen op die binnen de SP al zo’n 30 jaar aan het roer stond. Kant is 41 jaar, ze staat bekend als een autoriteit op het gebied van de gezondheidszorg, ze is een dossiervreter, ze is ooit gekozen tot het meest aantrekkelijke Kamerlid en ze was kampioen 'vragenstellen' in de Tweede Kamer.

Ze gaat vol in het debat met een felheid waarvan ze zelf zegt dat ze ermee op moet passen omdat die zich ook wel eens tegen haar kan keren. Dit jaar vierde ze het feit dat ze tien jaar Kamerlid is, samen met collega’s Harry van Bommel en Jan de Wit. Tien jaar Kamerlid en nog steeds fanatiek. Of is ze altijd fanatiek geweest? In haar jeugd, bij de vele sporten die ze beoefende. In de wetenschap, in de gezondheidskunde, waarin ze promoveerde naast haar fractiewerk voor de SP-Tweede Kamerfractie en een baan als gemeenteraadslid in haar woonplaats Doesburg. Een harde werkster, dat is duidelijk, maar kan ze ook lachen?

Een academica aan het roer bij de socialisten in plaats van de metaalbewerker. Jan Marijnissen de “Brabantse dorpspastoor” wordt vervangen door de “fanatieke opbouwwerkster” uit de Achterhoek, het beeld dat van Agnes Kant wordt geschetst. Wat gaat er met de SP gebeuren onder haar leiding? Blijft Agnes Kant ook 30 jaar aan de macht? Hoe is Kant eigenlijk bij de SP terecht gekomen? En hoe ziet het leven van Agnes Kant eruit als ze niet met politiek bezig is?

Agnes Kant: uur 3

vrijdag 25 juli 2008, 10:30 uur

Voorvechtster

Agnes Kant was, na Marijnissen en voor Roemers, de fractievoorzitster van de SP, de grootste oppositiepartij in de Tweede Kamer. Ze volgde Jan Marijnissen op die binnen de SP al zo’n 30 jaar aan het roer stond. Kant is 41 jaar, ze staat bekend als een autoriteit op het gebied van de gezondheidszorg, ze is een dossiervreter, ze is ooit gekozen tot het meest aantrekkelijke Kamerlid en ze was kampioen 'vragenstellen' in de Tweede Kamer.

Ze gaat vol in het debat met een felheid waarvan ze zelf zegt dat ze ermee op moet passen omdat die zich ook wel eens tegen haar kan keren. Dit jaar vierde ze het feit dat ze tien jaar Kamerlid is, samen met collega’s Harry van Bommel en Jan de Wit. Tien jaar Kamerlid en nog steeds fanatiek. Of is ze altijd fanatiek geweest? In haar jeugd, bij de vele sporten die ze beoefende. In de wetenschap, in de gezondheidskunde, waarin ze promoveerde naast haar fractiewerk voor de SP-Tweede Kamerfractie en een baan als gemeenteraadslid in haar woonplaats Doesburg. Een harde werkster, dat is duidelijk, maar kan ze ook lachen?

Een academica aan het roer bij de socialisten in plaats van de metaalbewerker. Jan Marijnissen de “Brabantse dorpspastoor” wordt vervangen door de “fanatieke opbouwwerkster” uit de Achterhoek, het beeld dat van Agnes Kant wordt geschetst. Wat gaat er met de SP gebeuren onder haar leiding? Blijft Agnes Kant ook 30 jaar aan de macht? Hoe is Kant eigenlijk bij de SP terecht gekomen? En hoe ziet het leven van Agnes Kant eruit als ze niet met politiek bezig is?

Agnes Kant: uur 1

vrijdag 25 juli 2008, 10:29 uur

Voorvechtster

Agnes Kant was, na Marijnissen en voor Roemers, de fractievoorzitster van de SP, de grootste oppositiepartij in de Tweede Kamer. Ze volgde Jan Marijnissen op die binnen de SP al zo’n 30 jaar aan het roer stond. Kant is 41 jaar, ze staat bekend als een autoriteit op het gebied van de gezondheidszorg, ze is een dossiervreter, ze is ooit gekozen tot het meest aantrekkelijke Kamerlid en ze was kampioen 'vragenstellen' in de Tweede Kamer.

Ze gaat vol in het debat met een felheid waarvan ze zelf zegt dat ze ermee op moet passen omdat die zich ook wel eens tegen haar kan keren. Dit jaar vierde ze het feit dat ze tien jaar Kamerlid is, samen met collega’s Harry van Bommel en Jan de Wit. Tien jaar Kamerlid en nog steeds fanatiek. Of is ze altijd fanatiek geweest? In haar jeugd, bij de vele sporten die ze beoefende. In de wetenschap, in de gezondheidskunde, waarin ze promoveerde naast haar fractiewerk voor de SP-Tweede Kamerfractie en een baan als gemeenteraadslid in haar woonplaats Doesburg. Een harde werkster, dat is duidelijk, maar kan ze ook lachen?

Een academica aan het roer bij de socialisten in plaats van de metaalbewerker. Jan Marijnissen de “Brabantse dorpspastoor” wordt vervangen door de “fanatieke opbouwwerkster” uit de Achterhoek, het beeld dat van Agnes Kant wordt geschetst. Wat gaat er met de SP gebeuren onder haar leiding? Blijft Agnes Kant ook 30 jaar aan de macht? Hoe is Kant eigenlijk bij de SP terecht gekomen? En hoe ziet het leven van Agnes Kant eruit als ze niet met politiek bezig is?

Max Drenth voorheen Marjolijn Februari: uur 3

vrijdag 11 juli 2008, 12:46 uur

Over recht en moraal kreeg Pieter van der Wielen in 2008 een driedubbel college, maar ook over bewondering voor Barbara, Audrey Hepburn, Franz Kafka, Prokofjev, Virginia Woolf en Alice in Wonderland. Hollen en stilstaan Max Drent voorheen Marjolijn Februari is bekend van de wekelijkse column in de Volkskrant en de roman De Literaire Kring. In haar columns kijkt Februari met een scherpe en orginele blik naar de actualiteit. Ze stelt zich vaak op als het geweten van de overheid die het goede voorbeeld aan burgers moet geven waar het gaat om de moraal. De moraal van de Nederlandse culturele elite vormt ook het hoofdthema van de roman De Literaire Kring. Het verhaal is geinspireerd op een ware gebeurtenis: het Nederlandse bedrijf Vos B.V. verkocht in 1996 willens en wetens onzuivere glycerine aan een farmaceutisch bedrijf in Haiti. De glycerine werd in hoestdrank gebruikt, en zeker zestig kinderen stierven na inname van het drankje. Tientallen anderen liepen lever- en hersenletsel op. Februari gebruikt de kwestie in het boek om ethische vragen aan de orde te stellen. De filosoof werd 45 jaar geleden geboren als Marjolijn Drenth, later "deed ze de naam von Februar"op. Officieel heette ze dus Marjolijn Drenth von Februar en studeerde filosofie, kunstgeschiedenis en rechten. In 1989 debuteerde ze met de roman De zonen van het Uitzicht. In 2000 werd haar dissertatie Een Pruik van Paardenhaar & Over het Lezen van een Boek gepubliceerd. In 2001 begon ze columns te schrijven voor de Volkskrant die in 2004 bijeengebracht werden in de bundel Park Welgelegen. Naar eigen zeggen "hangt Marjolijn Februari wat rond in de maatschappij" - zij vormt als het ware een eenmansdenktank die zich bezighoudt met uiteenlopende onderwerpen als de veiligheid van de luchtvaart, de canon van de Nederlandse geschiedenis of de verhouding tussen burger en overheid. ------------------------------------------ Samenvattingen Van paarden en konijnen Eerste uur Het drie uur durende interview startte met de identiteit van Marjolijn Drenth, de naam waarmee ze 45 jaar geleden werd geboren. Als wetenschapster (ze studeerde filosofie, kunstgeschiedenis en rechten) ging ze door het leven als Drenth. Toen ze achttien jaar geleden debuteerde als schrijfster deed ze dat onder het pseudoniem Februari. Later verscheen haar dissertatie met twee namen: Drenth von Februar. Nu neemt ze alleen de telefoon nog op met Drenth. Wil de echte Marjolijn hier opstaan? Ze schetst het beeld dat ze in de plattelands-paarden-kringen van haar schoonfamilie opdeed. Als paardenfokkers een paard verkopen aan bijvoorbeeld een sjeik in Saudi Arabie, hoe krijg je het paard daar? Er is een truc voor: ze halen het embryo uit het paard, plaatsen het in een konijn, waarna het uiteindelijk in een draagpaard wordt geplaatst. Haar schrijverschap is het paarden-embryo – daar gaat iets groots uit groeien. Ondertussen moet ze zelf als konijn door het leven. In haar columns combineert ze konijn en paard – tenminste dat probeert ze. Morele kwesties aanroeren in haar columns – en dan tot haar schrik merken dat er eigenlijk niets gebeurt als je een aanklacht schrijft. Neem de zaak Fred Spijkers – de klokkenluider die maar geen genoegdoening van het Ministerie van Defensie krijgt, en die vandaag in het nieuws is omdat Pieter van Vollenhoven als bemiddelaar buiten de deur wordt gehouden. Mensen zonder macht winden ze zich daar over op. Mensen met macht doen er niets aan. Dat verbaast haar, maar ze begrijpt niet veel van macht – zo was het gesprek begonnen; ze had een kogel neergelegd op tafel – om niet te vergeten het over macht te hebben. Het recht, ze is immers ook juriste, biedt bescherming tegen macht en willekeur – maar het geeft ook de verplichting je eraan te houden – dat is de mooie deal – en de worsteling van ethiek en moraal. Tweede uur Aan het begin van het tweede uur hoorden we Barbara ‘Pierre’ zingen, het mooiste liefdeslied aller tijden, volgens de schrijfster, die helemaal IN Barbara is. Ze kan zich een zin herinneren uit een interview waarin Barbara zich een eend noemt die ieder moment kan opvliegen. Op zoek naar dat interview op YouTube zag de schrijfster de zangeres, voor wie het leven afschuwelijk was, aanstellerig zijn – iemand die weinig met zichzelf samenvalt. Toen ze haar eerste Barbara-plaat al had, op haar 19e, kwam ze in een kibboets in Israel terecht. Het was 1982, Israel was in oorlog en was Libanon binnengetrokken. Er was een fabriekje in de kibboets waar van alles gepolijst werd – zo stond ze boven een zuurbad oude kogels te repareren, waarvan ze er nu een bij zich heeft. En dat voor de studente Filosofie die zich theoretisch met ethiek bezighield. In de kibboets ontmoette ze een oudere man – de vakbondsleider Yitzhak Ben-Aharon –met wie ze bevriend is gebleven en die haar geschoold heeft in haar kijk op Israel – hij was voorstander van de teruggave van de bezette gebieden. "Hoe ver ben je nu met schrijven?", wil de interviewer weten. Ze heeft twee romans geschreven – twee heel verschillende boeken. "Als ik er een carriere van zou willen maken", zegt ze – "zou ik moeten kiezen, in genre". Maar net als in haar wetenschappelijke leven wil ze zich niet graag vastleggen op een gebied. Haar proefschrift is heel goed, zegt ze – daar kan ze bij de hemelpoort mee aankomen. "Als ze daar tenminste lezen", zegt de interviewer. "Anders hoef ik ook niet te gaan", zegt ze – overigens zonder geloof in het hiernamaals te hebben. Zij heeft de moraal – dat staat los van het godsbesef. God is hooguit een stoplap in de poging van de mensen de ethiek te legitimeren.

Max Drenth voorheen Marjolijn Februari: uur 2

vrijdag 11 juli 2008, 12:45 uur

Over recht en moraal kreeg Pieter van der Wielen in 2008 een driedubbel college, maar ook over bewondering voor Barbara, Audrey Hepburn, Franz Kafka, Prokofjev, Virginia Woolf en Alice in Wonderland. Hollen en stilstaan Max Drent voorheen Marjolijn Februari is bekend van de wekelijkse column in de Volkskrant en de roman De Literaire Kring. In haar columns kijkt Februari met een scherpe en orginele blik naar de actualiteit. Ze stelt zich vaak op als het geweten van de overheid die het goede voorbeeld aan burgers moet geven waar het gaat om de moraal. De moraal van de Nederlandse culturele elite vormt ook het hoofdthema van de roman De Literaire Kring. Het verhaal is geinspireerd op een ware gebeurtenis: het Nederlandse bedrijf Vos B.V. verkocht in 1996 willens en wetens onzuivere glycerine aan een farmaceutisch bedrijf in Haiti. De glycerine werd in hoestdrank gebruikt, en zeker zestig kinderen stierven na inname van het drankje. Tientallen anderen liepen lever- en hersenletsel op. Februari gebruikt de kwestie in het boek om ethische vragen aan de orde te stellen. De filosoof werd 45 jaar geleden geboren als Marjolijn Drenth, later "deed ze de naam von Februar"op. Officieel heette ze dus Marjolijn Drenth von Februar en studeerde filosofie, kunstgeschiedenis en rechten. In 1989 debuteerde ze met de roman De zonen van het Uitzicht. In 2000 werd haar dissertatie Een Pruik van Paardenhaar & Over het Lezen van een Boek gepubliceerd. In 2001 begon ze columns te schrijven voor de Volkskrant die in 2004 bijeengebracht werden in de bundel Park Welgelegen. Naar eigen zeggen "hangt Marjolijn Februari wat rond in de maatschappij" - zij vormt als het ware een eenmansdenktank die zich bezighoudt met uiteenlopende onderwerpen als de veiligheid van de luchtvaart, de canon van de Nederlandse geschiedenis of de verhouding tussen burger en overheid. ------------------------------------------ Samenvattingen Van paarden en konijnen Eerste uur Het drie uur durende interview startte met de identiteit van Marjolijn Drenth, de naam waarmee ze 45 jaar geleden werd geboren. Als wetenschapster (ze studeerde filosofie, kunstgeschiedenis en rechten) ging ze door het leven als Drenth. Toen ze achttien jaar geleden debuteerde als schrijfster deed ze dat onder het pseudoniem Februari. Later verscheen haar dissertatie met twee namen: Drenth von Februar. Nu neemt ze alleen de telefoon nog op met Drenth. Wil de echte Marjolijn hier opstaan? Ze schetst het beeld dat ze in de plattelands-paarden-kringen van haar schoonfamilie opdeed. Als paardenfokkers een paard verkopen aan bijvoorbeeld een sjeik in Saudi Arabie, hoe krijg je het paard daar? Er is een truc voor: ze halen het embryo uit het paard, plaatsen het in een konijn, waarna het uiteindelijk in een draagpaard wordt geplaatst. Haar schrijverschap is het paarden-embryo – daar gaat iets groots uit groeien. Ondertussen moet ze zelf als konijn door het leven. In haar columns combineert ze konijn en paard – tenminste dat probeert ze. Morele kwesties aanroeren in haar columns – en dan tot haar schrik merken dat er eigenlijk niets gebeurt als je een aanklacht schrijft. Neem de zaak Fred Spijkers – de klokkenluider die maar geen genoegdoening van het Ministerie van Defensie krijgt, en die vandaag in het nieuws is omdat Pieter van Vollenhoven als bemiddelaar buiten de deur wordt gehouden. Mensen zonder macht winden ze zich daar over op. Mensen met macht doen er niets aan. Dat verbaast haar, maar ze begrijpt niet veel van macht – zo was het gesprek begonnen; ze had een kogel neergelegd op tafel – om niet te vergeten het over macht te hebben. Het recht, ze is immers ook juriste, biedt bescherming tegen macht en willekeur – maar het geeft ook de verplichting je eraan te houden – dat is de mooie deal – en de worsteling van ethiek en moraal. Tweede uur Aan het begin van het tweede uur hoorden we Barbara ‘Pierre’ zingen, het mooiste liefdeslied aller tijden, volgens de schrijfster, die helemaal IN Barbara is. Ze kan zich een zin herinneren uit een interview waarin Barbara zich een eend noemt die ieder moment kan opvliegen. Op zoek naar dat interview op YouTube zag de schrijfster de zangeres, voor wie het leven afschuwelijk was, aanstellerig zijn – iemand die weinig met zichzelf samenvalt. Toen ze haar eerste Barbara-plaat al had, op haar 19e, kwam ze in een kibboets in Israel terecht. Het was 1982, Israel was in oorlog en was Libanon binnengetrokken. Er was een fabriekje in de kibboets waar van alles gepolijst werd – zo stond ze boven een zuurbad oude kogels te repareren, waarvan ze er nu een bij zich heeft. En dat voor de studente Filosofie die zich theoretisch met ethiek bezighield. In de kibboets ontmoette ze een oudere man – de vakbondsleider Yitzhak Ben-Aharon –met wie ze bevriend is gebleven en die haar geschoold heeft in haar kijk op Israel – hij was voorstander van de teruggave van de bezette gebieden. "Hoe ver ben je nu met schrijven?", wil de interviewer weten. Ze heeft twee romans geschreven – twee heel verschillende boeken. "Als ik er een carriere van zou willen maken", zegt ze – "zou ik moeten kiezen, in genre". Maar net als in haar wetenschappelijke leven wil ze zich niet graag vastleggen op een gebied. Haar proefschrift is heel goed, zegt ze – daar kan ze bij de hemelpoort mee aankomen. "Als ze daar tenminste lezen", zegt de interviewer. "Anders hoef ik ook niet te gaan", zegt ze – overigens zonder geloof in het hiernamaals te hebben. Zij heeft de moraal – dat staat los van het godsbesef. God is hooguit een stoplap in de poging van de mensen de ethiek te legitimeren.

Max Drenth voorheen Marjolijn Februari: uur 1

vrijdag 11 juli 2008, 12:44 uur

Over recht en moraal kreeg Pieter van der Wielen in 2008 een driedubbel college, maar ook over bewondering voor Barbara, Audrey Hepburn, Franz Kafka, Prokofjev, Virginia Woolf en Alice in Wonderland. Hollen en stilstaan Max Drent voorheen Marjolijn Februari is bekend van de wekelijkse column in de Volkskrant en de roman De Literaire Kring. In haar columns kijkt Februari met een scherpe en orginele blik naar de actualiteit. Ze stelt zich vaak op als het geweten van de overheid die het goede voorbeeld aan burgers moet geven waar het gaat om de moraal. De moraal van de Nederlandse culturele elite vormt ook het hoofdthema van de roman De Literaire Kring. Het verhaal is geinspireerd op een ware gebeurtenis: het Nederlandse bedrijf Vos B.V. verkocht in 1996 willens en wetens onzuivere glycerine aan een farmaceutisch bedrijf in Haiti. De glycerine werd in hoestdrank gebruikt, en zeker zestig kinderen stierven na inname van het drankje. Tientallen anderen liepen lever- en hersenletsel op. Februari gebruikt de kwestie in het boek om ethische vragen aan de orde te stellen. De filosoof werd 45 jaar geleden geboren als Marjolijn Drenth, later "deed ze de naam von Februar"op. Officieel heette ze dus Marjolijn Drenth von Februar en studeerde filosofie, kunstgeschiedenis en rechten. In 1989 debuteerde ze met de roman De zonen van het Uitzicht. In 2000 werd haar dissertatie Een Pruik van Paardenhaar & Over het Lezen van een Boek gepubliceerd. In 2001 begon ze columns te schrijven voor de Volkskrant die in 2004 bijeengebracht werden in de bundel Park Welgelegen. Naar eigen zeggen "hangt Marjolijn Februari wat rond in de maatschappij" - zij vormt als het ware een eenmansdenktank die zich bezighoudt met uiteenlopende onderwerpen als de veiligheid van de luchtvaart, de canon van de Nederlandse geschiedenis of de verhouding tussen burger en overheid. ------------------------------------------ Samenvattingen Van paarden en konijnen Eerste uur Het drie uur durende interview startte met de identiteit van Marjolijn Drenth, de naam waarmee ze 45 jaar geleden werd geboren. Als wetenschapster (ze studeerde filosofie, kunstgeschiedenis en rechten) ging ze door het leven als Drenth. Toen ze achttien jaar geleden debuteerde als schrijfster deed ze dat onder het pseudoniem Februari. Later verscheen haar dissertatie met twee namen: Drenth von Februar. Nu neemt ze alleen de telefoon nog op met Drenth. Wil de echte Marjolijn hier opstaan? Ze schetst het beeld dat ze in de plattelands-paarden-kringen van haar schoonfamilie opdeed. Als paardenfokkers een paard verkopen aan bijvoorbeeld een sjeik in Saudi Arabie, hoe krijg je het paard daar? Er is een truc voor: ze halen het embryo uit het paard, plaatsen het in een konijn, waarna het uiteindelijk in een draagpaard wordt geplaatst. Haar schrijverschap is het paarden-embryo – daar gaat iets groots uit groeien. Ondertussen moet ze zelf als konijn door het leven. In haar columns combineert ze konijn en paard – tenminste dat probeert ze. Morele kwesties aanroeren in haar columns – en dan tot haar schrik merken dat er eigenlijk niets gebeurt als je een aanklacht schrijft. Neem de zaak Fred Spijkers – de klokkenluider die maar geen genoegdoening van het Ministerie van Defensie krijgt, en die vandaag in het nieuws is omdat Pieter van Vollenhoven als bemiddelaar buiten de deur wordt gehouden. Mensen zonder macht winden ze zich daar over op. Mensen met macht doen er niets aan. Dat verbaast haar, maar ze begrijpt niet veel van macht – zo was het gesprek begonnen; ze had een kogel neergelegd op tafel – om niet te vergeten het over macht te hebben. Het recht, ze is immers ook juriste, biedt bescherming tegen macht en willekeur – maar het geeft ook de verplichting je eraan te houden – dat is de mooie deal – en de worsteling van ethiek en moraal. Tweede uur Aan het begin van het tweede uur hoorden we Barbara ‘Pierre’ zingen, het mooiste liefdeslied aller tijden, volgens de schrijfster, die helemaal IN Barbara is. Ze kan zich een zin herinneren uit een interview waarin Barbara zich een eend noemt die ieder moment kan opvliegen. Op zoek naar dat interview op YouTube zag de schrijfster de zangeres, voor wie het leven afschuwelijk was, aanstellerig zijn – iemand die weinig met zichzelf samenvalt. Toen ze haar eerste Barbara-plaat al had, op haar 19e, kwam ze in een kibboets in Israel terecht. Het was 1982, Israel was in oorlog en was Libanon binnengetrokken. Er was een fabriekje in de kibboets waar van alles gepolijst werd – zo stond ze boven een zuurbad oude kogels te repareren, waarvan ze er nu een bij zich heeft. En dat voor de studente Filosofie die zich theoretisch met ethiek bezighield. In de kibboets ontmoette ze een oudere man – de vakbondsleider Yitzhak Ben-Aharon –met wie ze bevriend is gebleven en die haar geschoold heeft in haar kijk op Israel – hij was voorstander van de teruggave van de bezette gebieden. "Hoe ver ben je nu met schrijven?", wil de interviewer weten. Ze heeft twee romans geschreven – twee heel verschillende boeken. "Als ik er een carriere van zou willen maken", zegt ze – "zou ik moeten kiezen, in genre". Maar net als in haar wetenschappelijke leven wil ze zich niet graag vastleggen op een gebied. Haar proefschrift is heel goed, zegt ze – daar kan ze bij de hemelpoort mee aankomen. "Als ze daar tenminste lezen", zegt de interviewer. "Anders hoef ik ook niet te gaan", zegt ze – overigens zonder geloof in het hiernamaals te hebben. Zij heeft de moraal – dat staat los van het godsbesef. God is hooguit een stoplap in de poging van de mensen de ethiek te legitimeren.

Agnes Jongerius: uur 1

vrijdag 4 juli 2008, 12:58 uur

Powervrouw

Ze heeft een paar bijzondere bijnamen: juffertje Stampvoet en Moeder Teresa. Die wijzen niet direct op een eenduidig karakter, maar ze kloppen allebei wel: naast een groot gevoel voor sociale rechten en gelijkheid kan ze een grote woede bij zichzelf oproepen als ze haar zin niet krijgt. Althans, als haar tegenstander in het debat niet wil inzien dat hij ongelijk heeft.

Agnes Jongerius, voorzitter van de FNV. Ze bestuurt zo’n 1.200.000 leden. De eerste vrouwelijke voorzitter in het ruim honderdjarig bestaan van de bond, en die verworvenheid buit ze met verve uit. Met rode hoed en jurk op Prinsjesdag, met charme als dat de slimste strategie lijkt, als one of the boys als ze daarmee de beste resultaten kan boeken.

Ze werd in 1960 geboren in De Meern. Haar vader was tuinder en net begonnen bij de Utrechtse plantsoenendienst; haar moeder was onderwijzeres, maar moest ontslag nemen toen ze trouwde.

Agnes is het jongste kind van acht. Aan die achtergrond ontleent ze veel. Ambitie en doorzettingsvermogen heeft ze van haar moeder, sociaal gevoel van haar vader, en debatteren van haar oudere broers en zusjes. Aan de grote tafel thuis volgde ze ademloos hun gesprekken en discussies.

Thuis waren ze katholiek. Agnes werd lid van de katholieke padvinderij en turnvereniging, maar ook nog katholiek leren dansen ging haar te ver, dat wilde ze niet. Katholiek, dat was de cultuur, de rituelen, de sfeer. Met geloof had het voor Agnes minder te maken. Ze had wel graag misdienaar willen worden, maar dat was in haar tijd niet voor meisjes weggelegd. Toen het later wel mocht, was het voor haar te laat. Trouwens, wie wilde er nou een ‘misdinette’ zijn, zoals zo’n meisje in de kerk ging heten.

Na de studie sociale geschiedenis in Utrecht ging ze werken bij de Vervoersbond in de Rotterdamse haven en concentreerde zich op het beroepsgoederenvervoer en de binnenscheepvaart. Ze had nog nooit op een schip gevaren en een truck van binnen gezien, maar die achterstand was snel ingehaald. Het vakbondswerk bleek haar te liggen, ze bleef niet op kantoor zitten, maar ging met de mannen na een dag hard werken de kroeg in en voerde acties. En toen een werkgever haar bij zo’n actie een dreun in haar gezicht gaf, wist ze van verbouwereerdheid niets te zeggen. Maar ze hoorde er toen wel helemaal bij.

In Rotterdam werd ze regiobestuurder, ze klom steeds hoger op binnen de bond, werd lid van het Federatiebestuur en vice-voorzitter. Toen Lodewijk de Waal zijn vertrek als voorzitter in 2005 aankondigde, zei ze dat ze hem wilde opvolgen. Ze wachtte niet, zoals zoveel vrouwen doen, bescheiden tot ze eventueel, misschien, gevraagd zou worden. Ze stak haar vinger op en kreeg alle bonden achter zich. Zo doe je dat
----------------------------------------

Samenvattingen
"Opgelaten? Nee!"
Eerste uur

Hoe zou Nederland eruit zien als er geen vakbond is? De interviewer wil meteen maar bij de kern komen. Dan zou Nederland eruit zien als China of delen van Amerika, waar sociale zekerheid niet vanzelfsprekend is. Dan ziet Jongerius delen van de wereld voor zich waar ze wel eens komt en waar geen recht op collectieve onderhandelingen is, Geen verenigingen, geen Inspraak van werknemers. Vrijheid en vakbeweging, die hebben sterk met elkaar te maken – zo ziet ze dat.

De bond kwam in haar leven tijdens haar studietijd. Ze studeerde sociaal-economische geschiedenis. Het was de toptijd van democratisering op de universiteit. Ze vond het enig: bezetten en de vloer netjes achterlaten. Maar de studentenstrijd was al gestreden, tweevijfde van de beslissingsmacht was in handen van studenten en dat vond iedereen heel normaal. Nu denkt ze dat dat misschien wat overdreven was.

Als 22-jarige woordvoerder van de faculteit praatte ze mee over de begroting van de nieuwe bibliotheek. Rekenen had ze geleerd op het gymnasium, beta deed ze.
Tijdens die studietijd kwam ze erachter dat ze geen geschiedenisleraar wilde worden, zoals ze eerst dacht: leraar, dat leek haar een eenzaam beroep. Ze solliciteerde bij de vervoersbond en werd aangenomen.

De aantrekkingskracht voor de vakbeweging was volgens Jongerius het feit dat die club een belangrijke rol in de geschiedenis en in de levens van mensen speelt. Dat het een progressieve voorhoede was. Ze kwam in een roerige tijd van acties in de haven terecht. Holtrop wilde weten of ze zich nooit opgelaten voelde als ze met die mannen in te krappe actieshirts en petjes op stond te schreeuwen op het Binnenhof. Dan valt ze even stil. Opgelaten? Nee, er gebeurde wat, daar is ze dol op. Als kind voreg ze zich altijd al af of ze wel op het goede feestje was. Of ze niet iets miste. Dat gevoel is er nog. Dat kan ook aan een onderhandelingstafel zijn.

Ze vertelde het historische verhaal van de eerste en ook de laatste klap die ze in haar leven kreeg – de uithaal van de werkgever van een vervoersbedrijf die haar recht in het gezicht raakte. Hoezeer staat de vakbeweging, en zij dus ook, nog in de traditie van oprichter Henri Polak en het verleden? Ja, het werk zit in een lijn, van het verleden naar de toekomst – dat is de opdracht om de club niet alleen goed te onderhouden voor nu maar goed over te kunnen dragen aan haar opvolger.

Tweede uur

In het vorige uur werd de katholieke traditie besproken. Eerst die traditie binnen de FNV, die immers uit een fusie tussen de socialistische NVV en de katholieke NKV voortkwam. De typisch katholieke invloed bij de vervoersbond, waar zij werkte, was bijvoorbeeld dat er meer aandacht voor de vrouwen van de chauffeurs was en voor het feestelijke van het leven.

Ze had een warm hart voor NKV-voorzitter Wim Spit, omdat zijn handtekening op het diploma van haar vader stond. Haar vader die eerst tuinder was en toen bij de plantsoenendienst werkte – waardoor Agnes, als ze door de stad Utrecht fietste, dacht: al die bomen zijn van mijn vader. Grenzeloos trots was ze op hem.

Ze groeide op in de Meern, als jongste van 8 kinderen. Dat gaf haar meteen een vaste plek in het gezin – naast haar moeder aan tafel, in het benedenbed onder haar zus. Altijd herrie in het gezin – als een zus alleen rijtjes kon leren door ze hardop te lezen en de ander juist in stilte, dan was er wel eens gedoe.

Haar vaste rol was: het verwende jongste kind – tenminste in de ogen van de andere zeven. Zij zelf denkt: ik ben degene die observeert en z’n mond houdt. Dat kan ze nog steeds goed.

Toen ging het over het standsverschil in het leven. De ervaring om niet verder dan de keuken te komen bij de katholieke chic. Wat ze raar vond, dat het zo niet hoort. Het arbeiderskind kwam uiteindelijk letterlijk aan de tafel van de koningin terecht.

Het uur eindigde met een bespiegeling over de ziekte en de dood van haar ouders en haar ervaringen met het verpleeghuis. Zelf heeft ze daar een praktische opvatting over: je gezondheid heb je niet in de hand – dan kan je je maar beter bezighouden met dingen die je wel in de hand hebt. Tja, je bent voorzitter van een vakbeweging of niet.

Agnes Jongerius: uur 3

vrijdag 4 juli 2008, 12:28 uur

Powervrouw

Ze heeft een paar bijzondere bijnamen: juffertje Stampvoet en Moeder Teresa. Die wijzen niet direct op een eenduidig karakter, maar ze kloppen allebei wel: naast een groot gevoel voor sociale rechten en gelijkheid kan ze een grote woede bij zichzelf oproepen als ze haar zin niet krijgt. Althans, als haar tegenstander in het debat niet wil inzien dat hij ongelijk heeft.

Agnes Jongerius, voorzitter van de FNV. Ze bestuurt zo’n 1.200.000 leden. De eerste vrouwelijke voorzitter in het ruim honderdjarig bestaan van de bond, en die verworvenheid buit ze met verve uit. Met rode hoed en jurk op Prinsjesdag, met charme als dat de slimste strategie lijkt, als one of the boys als ze daarmee de beste resultaten kan boeken.

Ze werd in 1960 geboren in De Meern. Haar vader was tuinder en net begonnen bij de Utrechtse plantsoenendienst; haar moeder was onderwijzeres, maar moest ontslag nemen toen ze trouwde.

Agnes is het jongste kind van acht. Aan die achtergrond ontleent ze veel. Ambitie en doorzettingsvermogen heeft ze van haar moeder, sociaal gevoel van haar vader, en debatteren van haar oudere broers en zusjes. Aan de grote tafel thuis volgde ze ademloos hun gesprekken en discussies.

Thuis waren ze katholiek. Agnes werd lid van de katholieke padvinderij en turnvereniging, maar ook nog katholiek leren dansen ging haar te ver, dat wilde ze niet. Katholiek, dat was de cultuur, de rituelen, de sfeer. Met geloof had het voor Agnes minder te maken. Ze had wel graag misdienaar willen worden, maar dat was in haar tijd niet voor meisjes weggelegd. Toen het later wel mocht, was het voor haar te laat. Trouwens, wie wilde er nou een ‘misdinette’ zijn, zoals zo’n meisje in de kerk ging heten.

Na de studie sociale geschiedenis in Utrecht ging ze werken bij de Vervoersbond in de Rotterdamse haven en concentreerde zich op het beroepsgoederenvervoer en de binnenscheepvaart. Ze had nog nooit op een schip gevaren en een truck van binnen gezien, maar die achterstand was snel ingehaald. Het vakbondswerk bleek haar te liggen, ze bleef niet op kantoor zitten, maar ging met de mannen na een dag hard werken de kroeg in en voerde acties. En toen een werkgever haar bij zo’n actie een dreun in haar gezicht gaf, wist ze van verbouwereerdheid niets te zeggen. Maar ze hoorde er toen wel helemaal bij.

In Rotterdam werd ze regiobestuurder, ze klom steeds hoger op binnen de bond, werd lid van het Federatiebestuur en vice-voorzitter. Toen Lodewijk de Waal zijn vertrek als voorzitter in 2005 aankondigde, zei ze dat ze hem wilde opvolgen. Ze wachtte niet, zoals zoveel vrouwen doen, bescheiden tot ze eventueel, misschien, gevraagd zou worden. Ze stak haar vinger op en kreeg alle bonden achter zich. Zo doe je dat
----------------------------------------

Samenvattingen
"Opgelaten? Nee!"
Eerste uur

Hoe zou Nederland eruit zien als er geen vakbond is? De interviewer wil meteen maar bij de kern komen. Dan zou Nederland eruit zien als China of delen van Amerika, waar sociale zekerheid niet vanzelfsprekend is. Dan ziet Jongerius delen van de wereld voor zich waar ze wel eens komt en waar geen recht op collectieve onderhandelingen is, Geen verenigingen, geen Inspraak van werknemers. Vrijheid en vakbeweging, die hebben sterk met elkaar te maken – zo ziet ze dat.

De bond kwam in haar leven tijdens haar studietijd. Ze studeerde sociaal-economische geschiedenis. Het was de toptijd van democratisering op de universiteit. Ze vond het enig: bezetten en de vloer netjes achterlaten. Maar de studentenstrijd was al gestreden, tweevijfde van de beslissingsmacht was in handen van studenten en dat vond iedereen heel normaal. Nu denkt ze dat dat misschien wat overdreven was.

Als 22-jarige woordvoerder van de faculteit praatte ze mee over de begroting van de nieuwe bibliotheek. Rekenen had ze geleerd op het gymnasium, beta deed ze.
Tijdens die studietijd kwam ze erachter dat ze geen geschiedenisleraar wilde worden, zoals ze eerst dacht: leraar, dat leek haar een eenzaam beroep. Ze solliciteerde bij de vervoersbond en werd aangenomen.

De aantrekkingskracht voor de vakbeweging was volgens Jongerius het feit dat die club een belangrijke rol in de geschiedenis en in de levens van mensen speelt. Dat het een progressieve voorhoede was. Ze kwam in een roerige tijd van acties in de haven terecht. Holtrop wilde weten of ze zich nooit opgelaten voelde als ze met die mannen in te krappe actieshirts en petjes op stond te schreeuwen op het Binnenhof. Dan valt ze even stil. Opgelaten? Nee, er gebeurde wat, daar is ze dol op. Als kind voreg ze zich altijd al af of ze wel op het goede feestje was. Of ze niet iets miste. Dat gevoel is er nog. Dat kan ook aan een onderhandelingstafel zijn.

Ze vertelde het historische verhaal van de eerste en ook de laatste klap die ze in haar leven kreeg – de uithaal van de werkgever van een vervoersbedrijf die haar recht in het gezicht raakte. Hoezeer staat de vakbeweging, en zij dus ook, nog in de traditie van oprichter Henri Polak en het verleden? Ja, het werk zit in een lijn, van het verleden naar de toekomst – dat is de opdracht om de club niet alleen goed te onderhouden voor nu maar goed over te kunnen dragen aan haar opvolger.

Tweede uur

In het vorige uur werd de katholieke traditie besproken. Eerst die traditie binnen de FNV, die immers uit een fusie tussen de socialistische NVV en de katholieke NKV voortkwam. De typisch katholieke invloed bij de vervoersbond, waar zij werkte, was bijvoorbeeld dat er meer aandacht voor de vrouwen van de chauffeurs was en voor het feestelijke van het leven.

Ze had een warm hart voor NKV-voorzitter Wim Spit, omdat zijn handtekening op het diploma van haar vader stond. Haar vader die eerst tuinder was en toen bij de plantsoenendienst werkte – waardoor Agnes, als ze door de stad Utrecht fietste, dacht: al die bomen zijn van mijn vader. Grenzeloos trots was ze op hem.

Ze groeide op in de Meern, als jongste van 8 kinderen. Dat gaf haar meteen een vaste plek in het gezin – naast haar moeder aan tafel, in het benedenbed onder haar zus. Altijd herrie in het gezin – als een zus alleen rijtjes kon leren door ze hardop te lezen en de ander juist in stilte, dan was er wel eens gedoe.

Haar vaste rol was: het verwende jongste kind – tenminste in de ogen van de andere zeven. Zij zelf denkt: ik ben degene die observeert en z’n mond houdt. Dat kan ze nog steeds goed.

Toen ging het over het standsverschil in het leven. De ervaring om niet verder dan de keuken te komen bij de katholieke chic. Wat ze raar vond, dat het zo niet hoort. Het arbeiderskind kwam uiteindelijk letterlijk aan de tafel van de koningin terecht.

Het uur eindigde met een bespiegeling over de ziekte en de dood van haar ouders en haar ervaringen met het verpleeghuis. Zelf heeft ze daar een praktische opvatting over: je gezondheid heb je niet in de hand – dan kan je je maar beter bezighouden met dingen die je wel in de hand hebt. Tja, je bent voorzitter van een vakbeweging of niet.

Agnes Jongerius: uur 2

vrijdag 4 juli 2008, 12:26 uur

Powervrouw

Ze heeft een paar bijzondere bijnamen: juffertje Stampvoet en Moeder Teresa. Die wijzen niet direct op een eenduidig karakter, maar ze kloppen allebei wel: naast een groot gevoel voor sociale rechten en gelijkheid kan ze een grote woede bij zichzelf oproepen als ze haar zin niet krijgt. Althans, als haar tegenstander in het debat niet wil inzien dat hij ongelijk heeft.

Agnes Jongerius, voorzitter van de FNV. Ze bestuurt zo’n 1.200.000 leden. De eerste vrouwelijke voorzitter in het ruim honderdjarig bestaan van de bond, en die verworvenheid buit ze met verve uit. Met rode hoed en jurk op Prinsjesdag, met charme als dat de slimste strategie lijkt, als one of the boys als ze daarmee de beste resultaten kan boeken.

Ze werd in 1960 geboren in De Meern. Haar vader was tuinder en net begonnen bij de Utrechtse plantsoenendienst; haar moeder was onderwijzeres, maar moest ontslag nemen toen ze trouwde.

Agnes is het jongste kind van acht. Aan die achtergrond ontleent ze veel. Ambitie en doorzettingsvermogen heeft ze van haar moeder, sociaal gevoel van haar vader, en debatteren van haar oudere broers en zusjes. Aan de grote tafel thuis volgde ze ademloos hun gesprekken en discussies.

Thuis waren ze katholiek. Agnes werd lid van de katholieke padvinderij en turnvereniging, maar ook nog katholiek leren dansen ging haar te ver, dat wilde ze niet. Katholiek, dat was de cultuur, de rituelen, de sfeer. Met geloof had het voor Agnes minder te maken. Ze had wel graag misdienaar willen worden, maar dat was in haar tijd niet voor meisjes weggelegd. Toen het later wel mocht, was het voor haar te laat. Trouwens, wie wilde er nou een ‘misdinette’ zijn, zoals zo’n meisje in de kerk ging heten.

Na de studie sociale geschiedenis in Utrecht ging ze werken bij de Vervoersbond in de Rotterdamse haven en concentreerde zich op het beroepsgoederenvervoer en de binnenscheepvaart. Ze had nog nooit op een schip gevaren en een truck van binnen gezien, maar die achterstand was snel ingehaald. Het vakbondswerk bleek haar te liggen, ze bleef niet op kantoor zitten, maar ging met de mannen na een dag hard werken de kroeg in en voerde acties. En toen een werkgever haar bij zo’n actie een dreun in haar gezicht gaf, wist ze van verbouwereerdheid niets te zeggen. Maar ze hoorde er toen wel helemaal bij.

In Rotterdam werd ze regiobestuurder, ze klom steeds hoger op binnen de bond, werd lid van het Federatiebestuur en vice-voorzitter. Toen Lodewijk de Waal zijn vertrek als voorzitter in 2005 aankondigde, zei ze dat ze hem wilde opvolgen. Ze wachtte niet, zoals zoveel vrouwen doen, bescheiden tot ze eventueel, misschien, gevraagd zou worden. Ze stak haar vinger op en kreeg alle bonden achter zich. Zo doe je dat
----------------------------------------

Samenvattingen
"Opgelaten? Nee!"
Eerste uur

Hoe zou Nederland eruit zien als er geen vakbond is? De interviewer wil meteen maar bij de kern komen. Dan zou Nederland eruit zien als China of delen van Amerika, waar sociale zekerheid niet vanzelfsprekend is. Dan ziet Jongerius delen van de wereld voor zich waar ze wel eens komt en waar geen recht op collectieve onderhandelingen is, Geen verenigingen, geen Inspraak van werknemers. Vrijheid en vakbeweging, die hebben sterk met elkaar te maken – zo ziet ze dat.

De bond kwam in haar leven tijdens haar studietijd. Ze studeerde sociaal-economische geschiedenis. Het was de toptijd van democratisering op de universiteit. Ze vond het enig: bezetten en de vloer netjes achterlaten. Maar de studentenstrijd was al gestreden, tweevijfde van de beslissingsmacht was in handen van studenten en dat vond iedereen heel normaal. Nu denkt ze dat dat misschien wat overdreven was.

Als 22-jarige woordvoerder van de faculteit praatte ze mee over de begroting van de nieuwe bibliotheek. Rekenen had ze geleerd op het gymnasium, beta deed ze.
Tijdens die studietijd kwam ze erachter dat ze geen geschiedenisleraar wilde worden, zoals ze eerst dacht: leraar, dat leek haar een eenzaam beroep. Ze solliciteerde bij de vervoersbond en werd aangenomen.

De aantrekkingskracht voor de vakbeweging was volgens Jongerius het feit dat die club een belangrijke rol in de geschiedenis en in de levens van mensen speelt. Dat het een progressieve voorhoede was. Ze kwam in een roerige tijd van acties in de haven terecht. Holtrop wilde weten of ze zich nooit opgelaten voelde als ze met die mannen in te krappe actieshirts en petjes op stond te schreeuwen op het Binnenhof. Dan valt ze even stil. Opgelaten? Nee, er gebeurde wat, daar is ze dol op. Als kind voreg ze zich altijd al af of ze wel op het goede feestje was. Of ze niet iets miste. Dat gevoel is er nog. Dat kan ook aan een onderhandelingstafel zijn.

Ze vertelde het historische verhaal van de eerste en ook de laatste klap die ze in haar leven kreeg – de uithaal van de werkgever van een vervoersbedrijf die haar recht in het gezicht raakte. Hoezeer staat de vakbeweging, en zij dus ook, nog in de traditie van oprichter Henri Polak en het verleden? Ja, het werk zit in een lijn, van het verleden naar de toekomst – dat is de opdracht om de club niet alleen goed te onderhouden voor nu maar goed over te kunnen dragen aan haar opvolger.

Tweede uur

In het vorige uur werd de katholieke traditie besproken. Eerst die traditie binnen de FNV, die immers uit een fusie tussen de socialistische NVV en de katholieke NKV voortkwam. De typisch katholieke invloed bij de vervoersbond, waar zij werkte, was bijvoorbeeld dat er meer aandacht voor de vrouwen van de chauffeurs was en voor het feestelijke van het leven.

Ze had een warm hart voor NKV-voorzitter Wim Spit, omdat zijn handtekening op het diploma van haar vader stond. Haar vader die eerst tuinder was en toen bij de plantsoenendienst werkte – waardoor Agnes, als ze door de stad Utrecht fietste, dacht: al die bomen zijn van mijn vader. Grenzeloos trots was ze op hem.

Ze groeide op in de Meern, als jongste van 8 kinderen. Dat gaf haar meteen een vaste plek in het gezin – naast haar moeder aan tafel, in het benedenbed onder haar zus. Altijd herrie in het gezin – als een zus alleen rijtjes kon leren door ze hardop te lezen en de ander juist in stilte, dan was er wel eens gedoe.

Haar vaste rol was: het verwende jongste kind – tenminste in de ogen van de andere zeven. Zij zelf denkt: ik ben degene die observeert en z’n mond houdt. Dat kan ze nog steeds goed.

Toen ging het over het standsverschil in het leven. De ervaring om niet verder dan de keuken te komen bij de katholieke chic. Wat ze raar vond, dat het zo niet hoort. Het arbeiderskind kwam uiteindelijk letterlijk aan de tafel van de koningin terecht.

Het uur eindigde met een bespiegeling over de ziekte en de dood van haar ouders en haar ervaringen met het verpleeghuis. Zelf heeft ze daar een praktische opvatting over: je gezondheid heb je niet in de hand – dan kan je je maar beter bezighouden met dingen die je wel in de hand hebt. Tja, je bent voorzitter van een vakbeweging of niet.

Bertus Hendriks: uur 3

vrijdag 4 januari 2008, 12:44 uur

Man met een verrassend verleden
Eén van Neerlands bekendste deskundigen bereikte in december 2007 de pensioensgerechtigde leeftijd. En of je nou wilt of niet: in Nederland moet je er dan 'uit'. Maar wat als je dé deskundige bent? Bertus Hendriks, Midden-Oostendeskundige van de Wereldomroep, tevens veelvuldig geraadpleegd door NOVA, het NOS Journaal en Met Het Oog op Morgen, wil van geen wijken weten. Als mensen hem nog steeds willen hebben, is hij beschikbaar om de situatie in het Midden-Oosten te duiden.

Zolang Hendriks zich met die regio van de wereld bezighoudt, valt er elke dag wel iets nieuws over te zeggen. Daarom is het zo fijn dat Hendriks heeft toegezegd om zich drie uur lang te laten interviewen. Over Israel, Palestina en de Arabische 'buurlanden' zal het gaan. Maar ook over de vele andere functies die Hendriks in zijn leven heeft bekleed. Zo was hij een jaar lang voorzitter van de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam (ASVA) in het roerigste jaar van haar bestaan: het collegejaar 1966/1967 en was hij voorzitter van het Palestina Komitee in een tijd (1970-1978) waarin je in Nederland niet eens partij te kiezen had: wij waren één met Israël. Via een wetenschappelijke carrière bij de Universiteit van Amsterdam kwam Hendriks bij de Wereldomroep terecht, waar hij uitgroeide tot vraagbaak over het Midden-Oosten. Niet slecht voor een kermisklant.
----------------------------------------------

Biografie Bertus Hendriks, geb. 16 december 1942 te Apeldoorn

Het leven als deskundige

Dit mag geen afscheidsinterview heten. Want ook na zijn pensionering wenst Bertus Hendriks actief te blijven als Midden-Oostendeskundige. Dat is zoals u hem kent: Midden-Oostenspecialist van de Wereldomroep, die bij NOVA of het NOS Journaal aanschuift om de zoveelste ontwikkeling te duiden. Niet als Albertus Antonius Hendriks, die op 16 december 1942 werd geboren in Apeldoorn in een milieu van kermisexploitanten, of als de studentenleider, die betrokken was bij de Maagdenhuisbezetting. Of als één van de medeoprichters van de Studenten Vakbeweging. Als voorzitter van de ASVA, de algemene studenten vereniging Amsterdam, raakte hij min of meer toevallig betrokken bij wat later zijn loopbaan heeft getekend: het Midden-Oosten of meer specifiek het Palestijns-Israëlisch conflict. Want toen de ASVA in 1967 een genuanceerde verklaring uitbracht over de zesdaagse oorlog tussen Israël en haar Arabische buurlanden brak de pleuris uit, want het was de tijd dat Nederland als één man achter Israël stond. Daarom ging Bertus Hendriks zich in het conflict verdiepen.

In 1969 kreeg hij de gelegenheid om met een delegatie Israël en de Arabische buurlanden te bezoeken. Nog tijdens die reis brak er opnieuw commotie los over de verklaring die de delegatie na afloop naar buiten zou brengen.

In 1970 werd Bertus Hendriks voorzitter van het Palestina Komitee en alleen al het gebruik van het woord Palestina was not done in Nederland. Er bestond helemaal geen Palestina. Bertus Hendriks zou tot 1978 voorzitter en woordvoerder van het Komitee blijven. Een rumoerige tijd, die door de voortdurende vliegtuigkapingen en de moord op elf Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München van 1972, getekend werd.

Inmiddels was Bertus Hendriks een wetenschappelijke carrière aan de Universiteit van Amsterdam begonnen. En ook daar hield hij zich bezig met het Midden-Oosten: politieke antropologie van de Arabische en Islamitische wereld.

In 1989 stapte hij over van de wetenschap naar de journalistiek. Maar het Midden-Oosten bleef de constante: hij werd hoofd van de Arabische afdeling van de Wereldomroep en trad steeds vaker op als deskundige in NOVA, het NOS Journaal en ander radio- en televisieprogramma’s. Wat na 16 december jongstleden - de dag dat hij 65 werd - steeds minder vaak zal voorkomen, want hij moet met pensioen.
------------------------------------------------

Samenvattingen
"Jezus, Bertus, heb je daar nou zo lang voor gestudeerd?"
Eerste uur

Het begint met de enige ontbindende voorwaarde die Hendriks had bedongen voor het gesprek: dat ‘ie niet zou komen als vandaag de Elfstedentocht verreden zou worden. Hij reed hem in 1986, kwam toen een kwartier te laat binnen, en realiseerde zich dat hij het uithoudingsvermogen wel had, maar niet goed genoeg kon schaatsen. Toen ging hij op een schaatsclub en in 1997 toen hij opnieuw meedeed, kwam hij twee uur eerder binnen – terwijl hij ook nog live verslag gedaan had voor de Wereldomroep. Zo fanatiek als hij ‘s winters schaatst, zo fietst hij in de zomer. De marmot – dan weten de kenners wel wat hij bedoelt – heeft hij tien keer gefietst. Afzien in je eentje en na afloop heel groot plezier hebben, zo is het eigenlijk.

Hendriks groeide op direct na de oorlog in Apeldoorn. Zijn vader was kermisreiziger – een kleine ondernemer die een draaimolen, snoepkraam en balletjesspel exploiteerde. Bertus moest helpen bij der verkoop van het snoep van 5 cent. Het klinkt romantisch, zegt hij, maar het was armoe troef – het katholieke gezin met negen kinderen moest leven van wat die handel in de zomer opbracht en dan moest ook het inschrijfgeld voor de nieuwe kermis verdiend worden. Zo kwam je op steeds kleinere kermissen terecht.

Zijn jongere broer heeft het overgenomen en verdient nu met zijn racebaan voor kinderen een goede boterham. Toen Bertus al wetenschappelijk medewerker was en in zijn acht jaar oude Volkswagen aankwam, zei hij: Jezus, Bertus, heb je daar nou al die jaren voor gestudeerd?

Want Bertus, de tweede jongen in het gezin, was het beste jongetje van de klas, mocht uiteindelijk naar de mulo en studeerde zich zo omhoog naar de Universiteit van Nijmegen. Daar schudde hij het katholieke geloof van zich af.

Later ging hij naar Amsterdam, studie Antropologie, en Bertus werd voorzitter van de ASVA. Het was de tijd van solidariteit met de Derde wereld, Vietnam natuurlijk, maar ook Griekenland, Spanje: aan de dictatuur daar moest ook iets gedaan worden. Hij had ook wel wat illusies over de Culturele Revolutie in China, moet hij bekennen: in zijn geliefde Le Monde las hij dat Mao niet de kant van Stalin op ging.

In juni 1967 komt dan de Zesdaagse oorlog – Israel in strijd met de omringende Arabische landen. Ook daarover kwam een verklaring: als die nu zou uitkomen zou je toegejuicht worden, zo gebalanceerd was hij. Maar Het Parool schreef: FOUT! Alsof je fout was in de oorlog door genuanceerd aandacht voor de positie van de Palestijnen te vragen.

Hendriks schrok van die heftige kritiek – en toen kwam er een eye opener. Wat die was, daar waren we gebleven.


Tweede uur

We zijn in 1968. Eerst een klein uitstapje in het kader van Beroemde Mensen Die Mij Totaal Vergeten Zijn: hij was in Washington om als voorzitter van de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam te spreken over de Amerikaanse politiek in Vietnam, en daar was ene William Clinton die de lezingen organiseerde. Heel charmant maar een beetje rechts, en meer oog voor zijn vrouwelijke beeldschone ASVA-collega, maar toch wel jammer dat hij hem niet beter in zijn netwerk heeft gehouden.

Maar omdat het bij ons zo is dat als je ergens een tussenlanding maakt je al specialist van dat land bent, was hij na zijn bemoeienissen met de Zesdaagse Oorlog Midden-Oostendeskundige geworden,

In 1969 maakte hij zijn eerste reis naar de regio, en ook naar Israël, waar iedereen in de overwinningsroes was. De houding was: er zijn geen Palestijnen. Dus Bertus Hendriks voelde zich geroepen iets aan dat eenzijdige beeld te doen – het was toevallig op zijn pad gekomen, maar iemand moest toch zeggen dat het niet deugde. Als voorzitter van het Palestina Komitee wist hij dat hij zwaar aangevallen zou worden en dat gebeurde ook. Soms dacht hij wel: Jezus, hoe leggen we dit nou weer uit, vooral als er Palestijnse aanslagen in Israël waren, maar dan bleef hij benadrukken: dit geweld is een symptoom. Voor een probleem dat opgelost moet worden.

Hij herinnert zich een tv-interview waarin interviewer Fons van Westerloo hem maar het woord ‘veroordeling’ wilde laten zeggen. Maar Hendriks hield vol, want op die manier werd toch ook niet het geweld van andere vrijheidsstrijders op de wereld veroordeeld – in Algerije gebeurden ook vreselijke dingen.

Arafat heeft hij meerdere keren ontmoet. Voorzichtig formulerend zegt Hendriks dat het jammer is dat hij niet iemand als Mandela was – de zaak had een betere leider verdiend. Onderdeel van zijn personage was het gedoe om hem heen – dat je dan om drie uur ‘s nachts uit je bed werd gebeld om hem heimelijk te ontmoeten.

Een tragische figuur die de Palestijnen op de kaart heeft gezet, zo zal hij de geschiedenis ingaan. Het mislukken van Camp David kan hem niet aangerekend worden, maar wel heeft hij de fout gemaakt meteen met de gewapende strijd te beginnen bij de tweede Intifada. Tragische figuur, met veel verzachtende omstandigheden.

Bertus Hendriks: uur 2

vrijdag 4 januari 2008, 12:19 uur

Man met een verrassend verleden
Eén van Neerlands bekendste deskundigen bereikte in december 2007 de pensioensgerechtigde leeftijd. En of je nou wilt of niet: in Nederland moet je er dan 'uit'. Maar wat als je dé deskundige bent? Bertus Hendriks, Midden-Oostendeskundige van de Wereldomroep, tevens veelvuldig geraadpleegd door NOVA, het NOS Journaal en Met Het Oog op Morgen, wil van geen wijken weten. Als mensen hem nog steeds willen hebben, is hij beschikbaar om de situatie in het Midden-Oosten te duiden.

Zolang Hendriks zich met die regio van de wereld bezighoudt, valt er elke dag wel iets nieuws over te zeggen. Daarom is het zo fijn dat Hendriks heeft toegezegd om zich drie uur lang te laten interviewen. Over Israel, Palestina en de Arabische 'buurlanden' zal het gaan. Maar ook over de vele andere functies die Hendriks in zijn leven heeft bekleed. Zo was hij een jaar lang voorzitter van de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam (ASVA) in het roerigste jaar van haar bestaan: het collegejaar 1966/1967 en was hij voorzitter van het Palestina Komitee in een tijd (1970-1978) waarin je in Nederland niet eens partij te kiezen had: wij waren één met Israël. Via een wetenschappelijke carrière bij de Universiteit van Amsterdam kwam Hendriks bij de Wereldomroep terecht, waar hij uitgroeide tot vraagbaak over het Midden-Oosten. Niet slecht voor een kermisklant.
----------------------------------------------

Biografie Bertus Hendriks, geb. 16 december 1942 te Apeldoorn

Het leven als deskundige

Dit mag geen afscheidsinterview heten. Want ook na zijn pensionering wenst Bertus Hendriks actief te blijven als Midden-Oostendeskundige. Dat is zoals u hem kent: Midden-Oostenspecialist van de Wereldomroep, die bij NOVA of het NOS Journaal aanschuift om de zoveelste ontwikkeling te duiden. Niet als Albertus Antonius Hendriks, die op 16 december 1942 werd geboren in Apeldoorn in een milieu van kermisexploitanten, of als de studentenleider, die betrokken was bij de Maagdenhuisbezetting. Of als één van de medeoprichters van de Studenten Vakbeweging. Als voorzitter van de ASVA, de algemene studenten vereniging Amsterdam, raakte hij min of meer toevallig betrokken bij wat later zijn loopbaan heeft getekend: het Midden-Oosten of meer specifiek het Palestijns-Israëlisch conflict. Want toen de ASVA in 1967 een genuanceerde verklaring uitbracht over de zesdaagse oorlog tussen Israël en haar Arabische buurlanden brak de pleuris uit, want het was de tijd dat Nederland als één man achter Israël stond. Daarom ging Bertus Hendriks zich in het conflict verdiepen.

In 1969 kreeg hij de gelegenheid om met een delegatie Israël en de Arabische buurlanden te bezoeken. Nog tijdens die reis brak er opnieuw commotie los over de verklaring die de delegatie na afloop naar buiten zou brengen.

In 1970 werd Bertus Hendriks voorzitter van het Palestina Komitee en alleen al het gebruik van het woord Palestina was not done in Nederland. Er bestond helemaal geen Palestina. Bertus Hendriks zou tot 1978 voorzitter en woordvoerder van het Komitee blijven. Een rumoerige tijd, die door de voortdurende vliegtuigkapingen en de moord op elf Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München van 1972, getekend werd.

Inmiddels was Bertus Hendriks een wetenschappelijke carrière aan de Universiteit van Amsterdam begonnen. En ook daar hield hij zich bezig met het Midden-Oosten: politieke antropologie van de Arabische en Islamitische wereld.

In 1989 stapte hij over van de wetenschap naar de journalistiek. Maar het Midden-Oosten bleef de constante: hij werd hoofd van de Arabische afdeling van de Wereldomroep en trad steeds vaker op als deskundige in NOVA, het NOS Journaal en ander radio- en televisieprogramma’s. Wat na 16 december jongstleden - de dag dat hij 65 werd - steeds minder vaak zal voorkomen, want hij moet met pensioen.
------------------------------------------------

Samenvattingen
"Jezus, Bertus, heb je daar nou zo lang voor gestudeerd?"
Eerste uur

Het begint met de enige ontbindende voorwaarde die Hendriks had bedongen voor het gesprek: dat ‘ie niet zou komen als vandaag de Elfstedentocht verreden zou worden. Hij reed hem in 1986, kwam toen een kwartier te laat binnen, en realiseerde zich dat hij het uithoudingsvermogen wel had, maar niet goed genoeg kon schaatsen. Toen ging hij op een schaatsclub en in 1997 toen hij opnieuw meedeed, kwam hij twee uur eerder binnen – terwijl hij ook nog live verslag gedaan had voor de Wereldomroep. Zo fanatiek als hij ‘s winters schaatst, zo fietst hij in de zomer. De marmot – dan weten de kenners wel wat hij bedoelt – heeft hij tien keer gefietst. Afzien in je eentje en na afloop heel groot plezier hebben, zo is het eigenlijk.

Hendriks groeide op direct na de oorlog in Apeldoorn. Zijn vader was kermisreiziger – een kleine ondernemer die een draaimolen, snoepkraam en balletjesspel exploiteerde. Bertus moest helpen bij der verkoop van het snoep van 5 cent. Het klinkt romantisch, zegt hij, maar het was armoe troef – het katholieke gezin met negen kinderen moest leven van wat die handel in de zomer opbracht en dan moest ook het inschrijfgeld voor de nieuwe kermis verdiend worden. Zo kwam je op steeds kleinere kermissen terecht.

Zijn jongere broer heeft het overgenomen en verdient nu met zijn racebaan voor kinderen een goede boterham. Toen Bertus al wetenschappelijk medewerker was en in zijn acht jaar oude Volkswagen aankwam, zei hij: Jezus, Bertus, heb je daar nou al die jaren voor gestudeerd?

Want Bertus, de tweede jongen in het gezin, was het beste jongetje van de klas, mocht uiteindelijk naar de mulo en studeerde zich zo omhoog naar de Universiteit van Nijmegen. Daar schudde hij het katholieke geloof van zich af.

Later ging hij naar Amsterdam, studie Antropologie, en Bertus werd voorzitter van de ASVA. Het was de tijd van solidariteit met de Derde wereld, Vietnam natuurlijk, maar ook Griekenland, Spanje: aan de dictatuur daar moest ook iets gedaan worden. Hij had ook wel wat illusies over de Culturele Revolutie in China, moet hij bekennen: in zijn geliefde Le Monde las hij dat Mao niet de kant van Stalin op ging.

In juni 1967 komt dan de Zesdaagse oorlog – Israel in strijd met de omringende Arabische landen. Ook daarover kwam een verklaring: als die nu zou uitkomen zou je toegejuicht worden, zo gebalanceerd was hij. Maar Het Parool schreef: FOUT! Alsof je fout was in de oorlog door genuanceerd aandacht voor de positie van de Palestijnen te vragen.

Hendriks schrok van die heftige kritiek – en toen kwam er een eye opener. Wat die was, daar waren we gebleven.


Tweede uur

We zijn in 1968. Eerst een klein uitstapje in het kader van Beroemde Mensen Die Mij Totaal Vergeten Zijn: hij was in Washington om als voorzitter van de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam te spreken over de Amerikaanse politiek in Vietnam, en daar was ene William Clinton die de lezingen organiseerde. Heel charmant maar een beetje rechts, en meer oog voor zijn vrouwelijke beeldschone ASVA-collega, maar toch wel jammer dat hij hem niet beter in zijn netwerk heeft gehouden.

Maar omdat het bij ons zo is dat als je ergens een tussenlanding maakt je al specialist van dat land bent, was hij na zijn bemoeienissen met de Zesdaagse Oorlog Midden-Oostendeskundige geworden,

In 1969 maakte hij zijn eerste reis naar de regio, en ook naar Israël, waar iedereen in de overwinningsroes was. De houding was: er zijn geen Palestijnen. Dus Bertus Hendriks voelde zich geroepen iets aan dat eenzijdige beeld te doen – het was toevallig op zijn pad gekomen, maar iemand moest toch zeggen dat het niet deugde. Als voorzitter van het Palestina Komitee wist hij dat hij zwaar aangevallen zou worden en dat gebeurde ook. Soms dacht hij wel: Jezus, hoe leggen we dit nou weer uit, vooral als er Palestijnse aanslagen in Israël waren, maar dan bleef hij benadrukken: dit geweld is een symptoom. Voor een probleem dat opgelost moet worden.

Hij herinnert zich een tv-interview waarin interviewer Fons van Westerloo hem maar het woord ‘veroordeling’ wilde laten zeggen. Maar Hendriks hield vol, want op die manier werd toch ook niet het geweld van andere vrijheidsstrijders op de wereld veroordeeld – in Algerije gebeurden ook vreselijke dingen.

Arafat heeft hij meerdere keren ontmoet. Voorzichtig formulerend zegt Hendriks dat het jammer is dat hij niet iemand als Mandela was – de zaak had een betere leider verdiend. Onderdeel van zijn personage was het gedoe om hem heen – dat je dan om drie uur ‘s nachts uit je bed werd gebeld om hem heimelijk te ontmoeten.

Een tragische figuur die de Palestijnen op de kaart heeft gezet, zo zal hij de geschiedenis ingaan. Het mislukken van Camp David kan hem niet aangerekend worden, maar wel heeft hij de fout gemaakt meteen met de gewapende strijd te beginnen bij de tweede Intifada. Tragische figuur, met veel verzachtende omstandigheden.

Bertus Hendriks: uur 1

vrijdag 4 januari 2008, 12:18 uur

Man met een verrassend verleden
Eén van Neerlands bekendste deskundigen bereikte in december 2007 de pensioensgerechtigde leeftijd. En of je nou wilt of niet: in Nederland moet je er dan 'uit'. Maar wat als je dé deskundige bent? Bertus Hendriks, Midden-Oostendeskundige van de Wereldomroep, tevens veelvuldig geraadpleegd door NOVA, het NOS Journaal en Met Het Oog op Morgen, wil van geen wijken weten. Als mensen hem nog steeds willen hebben, is hij beschikbaar om de situatie in het Midden-Oosten te duiden.

Zolang Hendriks zich met die regio van de wereld bezighoudt, valt er elke dag wel iets nieuws over te zeggen. Daarom is het zo fijn dat Hendriks heeft toegezegd om zich drie uur lang te laten interviewen. Over Israel, Palestina en de Arabische 'buurlanden' zal het gaan. Maar ook over de vele andere functies die Hendriks in zijn leven heeft bekleed. Zo was hij een jaar lang voorzitter van de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam (ASVA) in het roerigste jaar van haar bestaan: het collegejaar 1966/1967 en was hij voorzitter van het Palestina Komitee in een tijd (1970-1978) waarin je in Nederland niet eens partij te kiezen had: wij waren één met Israël. Via een wetenschappelijke carrière bij de Universiteit van Amsterdam kwam Hendriks bij de Wereldomroep terecht, waar hij uitgroeide tot vraagbaak over het Midden-Oosten. Niet slecht voor een kermisklant.
----------------------------------------------

Biografie Bertus Hendriks, geb. 16 december 1942 te Apeldoorn

Het leven als deskundige

Dit mag geen afscheidsinterview heten. Want ook na zijn pensionering wenst Bertus Hendriks actief te blijven als Midden-Oostendeskundige. Dat is zoals u hem kent: Midden-Oostenspecialist van de Wereldomroep, die bij NOVA of het NOS Journaal aanschuift om de zoveelste ontwikkeling te duiden. Niet als Albertus Antonius Hendriks, die op 16 december 1942 werd geboren in Apeldoorn in een milieu van kermisexploitanten, of als de studentenleider, die betrokken was bij de Maagdenhuisbezetting. Of als één van de medeoprichters van de Studenten Vakbeweging. Als voorzitter van de ASVA, de algemene studenten vereniging Amsterdam, raakte hij min of meer toevallig betrokken bij wat later zijn loopbaan heeft getekend: het Midden-Oosten of meer specifiek het Palestijns-Israëlisch conflict. Want toen de ASVA in 1967 een genuanceerde verklaring uitbracht over de zesdaagse oorlog tussen Israël en haar Arabische buurlanden brak de pleuris uit, want het was de tijd dat Nederland als één man achter Israël stond. Daarom ging Bertus Hendriks zich in het conflict verdiepen.

In 1969 kreeg hij de gelegenheid om met een delegatie Israël en de Arabische buurlanden te bezoeken. Nog tijdens die reis brak er opnieuw commotie los over de verklaring die de delegatie na afloop naar buiten zou brengen.

In 1970 werd Bertus Hendriks voorzitter van het Palestina Komitee en alleen al het gebruik van het woord Palestina was not done in Nederland. Er bestond helemaal geen Palestina. Bertus Hendriks zou tot 1978 voorzitter en woordvoerder van het Komitee blijven. Een rumoerige tijd, die door de voortdurende vliegtuigkapingen en de moord op elf Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München van 1972, getekend werd.

Inmiddels was Bertus Hendriks een wetenschappelijke carrière aan de Universiteit van Amsterdam begonnen. En ook daar hield hij zich bezig met het Midden-Oosten: politieke antropologie van de Arabische en Islamitische wereld.

In 1989 stapte hij over van de wetenschap naar de journalistiek. Maar het Midden-Oosten bleef de constante: hij werd hoofd van de Arabische afdeling van de Wereldomroep en trad steeds vaker op als deskundige in NOVA, het NOS Journaal en ander radio- en televisieprogramma’s. Wat na 16 december jongstleden - de dag dat hij 65 werd - steeds minder vaak zal voorkomen, want hij moet met pensioen.
------------------------------------------------

Samenvattingen
"Jezus, Bertus, heb je daar nou zo lang voor gestudeerd?"
Eerste uur

Het begint met de enige ontbindende voorwaarde die Hendriks had bedongen voor het gesprek: dat ‘ie niet zou komen als vandaag de Elfstedentocht verreden zou worden. Hij reed hem in 1986, kwam toen een kwartier te laat binnen, en realiseerde zich dat hij het uithoudingsvermogen wel had, maar niet goed genoeg kon schaatsen. Toen ging hij op een schaatsclub en in 1997 toen hij opnieuw meedeed, kwam hij twee uur eerder binnen – terwijl hij ook nog live verslag gedaan had voor de Wereldomroep. Zo fanatiek als hij ‘s winters schaatst, zo fietst hij in de zomer. De marmot – dan weten de kenners wel wat hij bedoelt – heeft hij tien keer gefietst. Afzien in je eentje en na afloop heel groot plezier hebben, zo is het eigenlijk.

Hendriks groeide op direct na de oorlog in Apeldoorn. Zijn vader was kermisreiziger – een kleine ondernemer die een draaimolen, snoepkraam en balletjesspel exploiteerde. Bertus moest helpen bij der verkoop van het snoep van 5 cent. Het klinkt romantisch, zegt hij, maar het was armoe troef – het katholieke gezin met negen kinderen moest leven van wat die handel in de zomer opbracht en dan moest ook het inschrijfgeld voor de nieuwe kermis verdiend worden. Zo kwam je op steeds kleinere kermissen terecht.

Zijn jongere broer heeft het overgenomen en verdient nu met zijn racebaan voor kinderen een goede boterham. Toen Bertus al wetenschappelijk medewerker was en in zijn acht jaar oude Volkswagen aankwam, zei hij: Jezus, Bertus, heb je daar nou al die jaren voor gestudeerd?

Want Bertus, de tweede jongen in het gezin, was het beste jongetje van de klas, mocht uiteindelijk naar de mulo en studeerde zich zo omhoog naar de Universiteit van Nijmegen. Daar schudde hij het katholieke geloof van zich af.

Later ging hij naar Amsterdam, studie Antropologie, en Bertus werd voorzitter van de ASVA. Het was de tijd van solidariteit met de Derde wereld, Vietnam natuurlijk, maar ook Griekenland, Spanje: aan de dictatuur daar moest ook iets gedaan worden. Hij had ook wel wat illusies over de Culturele Revolutie in China, moet hij bekennen: in zijn geliefde Le Monde las hij dat Mao niet de kant van Stalin op ging.

In juni 1967 komt dan de Zesdaagse oorlog – Israel in strijd met de omringende Arabische landen. Ook daarover kwam een verklaring: als die nu zou uitkomen zou je toegejuicht worden, zo gebalanceerd was hij. Maar Het Parool schreef: FOUT! Alsof je fout was in de oorlog door genuanceerd aandacht voor de positie van de Palestijnen te vragen.

Hendriks schrok van die heftige kritiek – en toen kwam er een eye opener. Wat die was, daar waren we gebleven.


Tweede uur

We zijn in 1968. Eerst een klein uitstapje in het kader van Beroemde Mensen Die Mij Totaal Vergeten Zijn: hij was in Washington om als voorzitter van de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam te spreken over de Amerikaanse politiek in Vietnam, en daar was ene William Clinton die de lezingen organiseerde. Heel charmant maar een beetje rechts, en meer oog voor zijn vrouwelijke beeldschone ASVA-collega, maar toch wel jammer dat hij hem niet beter in zijn netwerk heeft gehouden.

Maar omdat het bij ons zo is dat als je ergens een tussenlanding maakt je al specialist van dat land bent, was hij na zijn bemoeienissen met de Zesdaagse Oorlog Midden-Oostendeskundige geworden,

In 1969 maakte hij zijn eerste reis naar de regio, en ook naar Israël, waar iedereen in de overwinningsroes was. De houding was: er zijn geen Palestijnen. Dus Bertus Hendriks voelde zich geroepen iets aan dat eenzijdige beeld te doen – het was toevallig op zijn pad gekomen, maar iemand moest toch zeggen dat het niet deugde. Als voorzitter van het Palestina Komitee wist hij dat hij zwaar aangevallen zou worden en dat gebeurde ook. Soms dacht hij wel: Jezus, hoe leggen we dit nou weer uit, vooral als er Palestijnse aanslagen in Israël waren, maar dan bleef hij benadrukken: dit geweld is een symptoom. Voor een probleem dat opgelost moet worden.

Hij herinnert zich een tv-interview waarin interviewer Fons van Westerloo hem maar het woord ‘veroordeling’ wilde laten zeggen. Maar Hendriks hield vol, want op die manier werd toch ook niet het geweld van andere vrijheidsstrijders op de wereld veroordeeld – in Algerije gebeurden ook vreselijke dingen.

Arafat heeft hij meerdere keren ontmoet. Voorzichtig formulerend zegt Hendriks dat het jammer is dat hij niet iemand als Mandela was – de zaak had een betere leider verdiend. Onderdeel van zijn personage was het gedoe om hem heen – dat je dan om drie uur ‘s nachts uit je bed werd gebeld om hem heimelijk te ontmoeten.

Een tragische figuur die de Palestijnen op de kaart heeft gezet, zo zal hij de geschiedenis ingaan. Het mislukken van Camp David kan hem niet aangerekend worden, maar wel heeft hij de fout gemaakt meteen met de gewapende strijd te beginnen bij de tweede Intifada. Tragische figuur, met veel verzachtende omstandigheden.

Maarten van Rossem: uur 2

dinsdag 1 januari 2008, 16:51 uur

Maarten van Rossems kinderdroom is uitgekomen. Hij wilde als kleine jongen professioneel krantenlezer worden en met kranten lezen vult hij al geruime tijd zijn leven. De hoogleraar Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht is al jaren graag geziene gast in nieuws- en actualiteitenprogramma's om over zijn specialisme, de Verenigde Staten, te praten. Al daalde zijn populariteit na 11 september 2001, toen ze in Hilversum en op de burelen van de landelijke dagbladen even geen zin meer hadden in zijn relativeringen en nuances. Maar inmiddels is het tij gekeerd en is hij weer in te huren voor feesten en partijen. Want naast zijn scherpe analyses van de slangenkuil die Washington D.C. is, staat hij ook bekend om zijn cabareteske uitspraken. Met Maarten van Rossem hoef je je nooit te vervelen. Dat zult u op deze eerste ochtend van het nieuwe jaar dan ook zeker niet doen. Djoeke Veeninga praat drie uur lang met de man in het zwart.
-----------------------------------

Biografie Maarten van Rossem, geb. 24 oktober 1943 te Zeist

De 'aanschuifdeskundige' schuift aan

"In het algemeen geloven journalisten absoluut niet dat je het gewoon leuk vindt om op tv te praten over dingen waar je iets van afweet. Dat daarbij het gevoel hoort dat je iets verstandigs zegt in een baaierd van onwetendheid."

Het is de eenvoudige verklaring van de historicus en 'aanschuifdeskundige' Maarten van Rossem over zijn veelvuldige media presence. En natuurlijk zijn het die journalisten zelf die hem zo regelmatig uitnodigen omdat het altijd fijn is hem erbij te hebben. Altijd wel een onverwacht nuchtere kijk op de zaken, altijd wel een geestige oneliner, or two or three, want als hij eenmaal het woord heeft, houdt hij het graag, en dan zien we hem mopperen op het oppervlakkige medium televisie dat ongeschikt is voor diepgang, op presentatoren die hem onderbreken als hij net op stoom is.

Maarten van Rossem wordt in 1943 geboren, hij groeit op in Wageningen, studeert geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht en schrijft zijn doctoraalscriptie over de Amerikaanse rol in de Koude Oorlog. Aan diezelfde universiteit wordt hij hoofddocent en promoveert hij. Het grote publiek leert hem kennen als Amerika-deskundige.

Dr. Prof. Van Rossem: briljant, eigenzinnig, nieuwsgierig - maar toch wordt hij geen hoogleraar. Pas tien jaar geleden krijgt hij een bijzondere leerstoel - de Nederlandse Geschiedenis vanaf 1945 in Internationale Context.
Hij schrijft boeken: Amerika Voor en Tegen, Heeft Geschiedenis Nut?, De Wereld volgens Maarten van Rossem, bundels columns en artikelen.

Onlangs verscheen van zijn hand Drie Oorlogen, Een kleine geschiedenis van de 20e eeuw. Bovendien kan iedereen tegenwoordig in de aangename positie van student van de historicus zijn, want zijn hoorcolleges worden uitgegeven op CD. Amerika. Koude Oorlog. Hitler. Geschiedenis in het groot. Uren achtereen vertelt zijn kenmerkende stem ons de geschiedenis - met " humor als de omsingelende beweging voor de dingen die er echt toe doen", zoals hij het zelf ooit omschreef.
-----------------------------------

Samenvattingen

Achteraf het grootste gelijk van de wereld

Eerste uur

Eerst was er de bekentenis dat het gesprek – tegen de gewoonte in – van tevoren is opgenomen, op de valreep van het oude jaar. Niet vanwege Oud en Nieuw, maar omdat vroeg opstaan een ernstige verstoring zou betekenen van het bioritme van Maarten van Rossem. Er zou ook geen verstandig woord uit zijn gekomen, zegt hij zelf. Hij gaat immers laat naar bed om te lezen, samen met zijn vrouw. Of om naar CNN te kijken, een verslaving waar hij sinds de Golfoorlog aan lijdt. De ochtend slaat hij over, waardoor zijn studenten ook nooit voor 12 uur uit bed hoeven te komen.

Sinds kort is Van Rossem opa, een titel waar hij maar niet aan kan wennen, al is hij blij met de kwieke baby en hoopt hij dat zijn kinderen zich fluks blijven voortplanten. Zorgen over zijn kroost heeft hij zich nooit gemaakt. De opvoeding ging haast vanzelf, omdat de kinderen zich keurig gedroegen. Wellicht uit protest tegen hun vader, die ze aanmoedigde om vooral een roze hanekam te nemen.

Van Rossems laatste boek gaat over de grote oorlogen van de twintigste eeuw: de twee wereldoorlogen en de Koude Oorlog. Een samenhang zit er wel tussen, al die oorlogen, maar dat betekent niet dat ze allemaal onvermijdelijk waren. Uiteindelijk hangt alles immers van toeval aan elkaar. “Stel je voor dat de jonge Hitler op zijn driewieler onder de bus was gekomen? Dan was de geschiedenis toch wel iets anders verlopen. Hoewel… Had je toen eigenlijk wel driewielers in Braunau?” De zijpaden, waar van Rossems hoorcolleges om bekend staan, ze worden vrolijk ingeslagen.

Zijn drijfveer om over de Tweede Wereldoorlog te gaan schrijven, was dat hij zelf wel wilde weten hoe het allemaal precies is gelopen. Zelf denkt van Rossem dat de verloren slag van Duitsland tegen de Sovjet Unie het beslissende moment is geweest in de Tweede Wereldoorlog. Daarna kon Duitsland niet meer winnen. Dat D-Day die doorslaggevende rol zou hebben gespeeld, dat is de grootst mogelijke onzin.

Geschiedenis wordt in hoge mate bepaald door toeval. Dat is het terugkerende thema in het gesprek. En het toeval speelde ook een grote rol in Van Rossems eigen leven. Drie keer ontsnapte hij aan de dood: als baby in de kinderwagen tijdens het bombardement op Wageningen in september ‘44, en veel later toen hij dankzij de wonderen der medische wetenschap een zware hartaandoening overleefde. Die derde medische redding bleef onbesproken.

Wie dacht dat Van Rossem door zijn fantastische relativeringsvermogen vrij is van angst en zorgen: in elk geval niet in zijn dromen, die altijd heftig zijn geweest. Jarenlang had hij nachtmerries over een nucleaire ramp, compleet met paddestoelwolken. Het was dan ook Koude Oorlog, de periode waar Van Rossem zijn doctoraalscriptie aan wijdde. Niemand had daar uiteindelijk schuld aan: noch de Russen, noch de Amerikanen. Zeker als hij er nu op terugkijkt was het een onvermijdelijk conflict. “Dat is het mooie van historicus worden” zegt Van Rossem. “Achteraf heb je altijd het grootste gelijk van de wereld”.

Tweede uur

Zonder dat je het weet, ben je een product van de tijd waarin je leeft. Alle kritische ideeën die je vroeger had, blijken later on-origineel of volslagen lachwekkend te zijn. Sinds Van Rossem dat bij zichzelf ontdekte, probeert hij gepaste afstand te houden van wat zich in de wereld afspeelt. Die afstand en de bijbehorende ironie zijn dus een keuze, zegt Van Rossem. Al weet hij dat hij er ook in kan doorschieten, omdat het ook een vlucht kan zijn, zoveel ironie.

Maar meestal gaat het helemaal vanzelf, dat gevoel van afstand. Bijvoorbeeld bij de begrafenis van Lady Diana, de dood van prins Bernard en de moord op Theo van Gogh. Het zijn momenten waarop de wereld in zijn ogen “stapelkrankzinnig” werd.

En van krankzinnige toestanden komen we als vanzelf bij de oorlog tegen het terrorisme: een kapitale mislukking, zoals Van Rossem het noemt. Een beetje relativering probeerde hij de mensen bij te brengen, bij het begin van die oorlog. Maar het werd hem niet in dank afgenomen. Niet na 11 september en niet bij de inval in Irak. Hij kreeg hatemail, wat pas ophield toen stilaan duidelijk werd dat hij echt gelijk had. Maar al die deskundigen, die volledig opgingen in de oorlogshysterie, die zich op sleeptouw lieten nemen door de schandelijke leugens van de Verenigde Staten; ze hebben nooit hun excuses aangeboden. Nooit gezegd dat ze er faliekant naast zaten.


Van de hysterie belanden we terug in eigen land, bij Geert Wilders en de discussie over de Nederlandse identiteit. Die bestaat écht niet, al vindt Wilders dat reuze jammer. Hoogst zonderling overigens, vindt Van Rossem, dat juist iemand uit Venlo zich zo druk maakt over de Nederlandse identiteit. Zonder ondertiteling kan geen Nederlander de lokale bevolking van Venlo verstaan.

Ook hoogleraar Paul Scheffer krijgt ervan langs, met zijn kritiek op prinses Maxima, die de Nederlandse identiteit niet kon vinden. Scheffer is volgens Van Rossem gevangene geworden van zijn eigen neoconservatieve boodschap. En dat dikke boek van hem, Land van Aankomst, dat schreef hij alleen om zich te rechtvaardigen en van vage schuldgevoelens af te komen.

Maarten van Rossem was niet de eerste deskundige van de familie die ooit op televisie kwam. Vader Van Rossem, een insectenspecialist, mocht ooit figureren in een programma over de invasie van de tapijtkever, een kever die verzot was op de toen populaire Heugaveld-tapijttegels. Een afstandelijk man, zijn vader. En altijd maar praten. Inderdaad, net als hijzelf. En zijn zuster. En zijn broer. En nee, dat was niet bepaald makkelijk voor zijn moeder, “die voortlullende chaos” thuis. Pas na de scheiding trad de rust in.

Op school leerde Van Rossem zijn medemens wantrouwen. Want de lynchende menigte kan altijd overal opstaan. Maarten was de buitenstaander. De nerd die goed kon leren, maar niet sportief was. Het jongetje dat sneeuwballen in zijn nek kreeg en in elkaar werd geslagen. Die tijd bracht hem een belangrijke levensles: de vrede waarin we nu leven is niet de regel, maar de uitzondering. Maar al zijn mensen net apen, in de apenwereld had van Rossem het niet gered. Want hij kon tenminste vluchten in zijn studie.

Maarten van Rossem: uur 1

dinsdag 1 januari 2008, 16:51 uur

Maarten van Rossems kinderdroom is uitgekomen. Hij wilde als kleine jongen professioneel krantenlezer worden en met kranten lezen vult hij al geruime tijd zijn leven. De hoogleraar Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht is al jaren graag geziene gast in nieuws- en actualiteitenprogramma's om over zijn specialisme, de Verenigde Staten, te praten. Al daalde zijn populariteit na 11 september 2001, toen ze in Hilversum en op de burelen van de landelijke dagbladen even geen zin meer hadden in zijn relativeringen en nuances. Maar inmiddels is het tij gekeerd en is hij weer in te huren voor feesten en partijen. Want naast zijn scherpe analyses van de slangenkuil die Washington D.C. is, staat hij ook bekend om zijn cabareteske uitspraken. Met Maarten van Rossem hoef je je nooit te vervelen. Dat zult u op deze eerste ochtend van het nieuwe jaar dan ook zeker niet doen. Djoeke Veeninga praat drie uur lang met de man in het zwart.
-----------------------------------

Biografie Maarten van Rossem, geb. 24 oktober 1943 te Zeist

De 'aanschuifdeskundige' schuift aan

"In het algemeen geloven journalisten absoluut niet dat je het gewoon leuk vindt om op tv te praten over dingen waar je iets van afweet. Dat daarbij het gevoel hoort dat je iets verstandigs zegt in een baaierd van onwetendheid."

Het is de eenvoudige verklaring van de historicus en 'aanschuifdeskundige' Maarten van Rossem over zijn veelvuldige media presence. En natuurlijk zijn het die journalisten zelf die hem zo regelmatig uitnodigen omdat het altijd fijn is hem erbij te hebben. Altijd wel een onverwacht nuchtere kijk op de zaken, altijd wel een geestige oneliner, or two or three, want als hij eenmaal het woord heeft, houdt hij het graag, en dan zien we hem mopperen op het oppervlakkige medium televisie dat ongeschikt is voor diepgang, op presentatoren die hem onderbreken als hij net op stoom is.

Maarten van Rossem wordt in 1943 geboren, hij groeit op in Wageningen, studeert geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht en schrijft zijn doctoraalscriptie over de Amerikaanse rol in de Koude Oorlog. Aan diezelfde universiteit wordt hij hoofddocent en promoveert hij. Het grote publiek leert hem kennen als Amerika-deskundige.

Dr. Prof. Van Rossem: briljant, eigenzinnig, nieuwsgierig - maar toch wordt hij geen hoogleraar. Pas tien jaar geleden krijgt hij een bijzondere leerstoel - de Nederlandse Geschiedenis vanaf 1945 in Internationale Context.
Hij schrijft boeken: Amerika Voor en Tegen, Heeft Geschiedenis Nut?, De Wereld volgens Maarten van Rossem, bundels columns en artikelen.

Onlangs verscheen van zijn hand Drie Oorlogen, Een kleine geschiedenis van de 20e eeuw. Bovendien kan iedereen tegenwoordig in de aangename positie van student van de historicus zijn, want zijn hoorcolleges worden uitgegeven op CD. Amerika. Koude Oorlog. Hitler. Geschiedenis in het groot. Uren achtereen vertelt zijn kenmerkende stem ons de geschiedenis - met " humor als de omsingelende beweging voor de dingen die er echt toe doen", zoals hij het zelf ooit omschreef.
-----------------------------------

Samenvattingen

Achteraf het grootste gelijk van de wereld

Eerste uur

Eerst was er de bekentenis dat het gesprek – tegen de gewoonte in – van tevoren is opgenomen, op de valreep van het oude jaar. Niet vanwege Oud en Nieuw, maar omdat vroeg opstaan een ernstige verstoring zou betekenen van het bioritme van Maarten van Rossem. Er zou ook geen verstandig woord uit zijn gekomen, zegt hij zelf. Hij gaat immers laat naar bed om te lezen, samen met zijn vrouw. Of om naar CNN te kijken, een verslaving waar hij sinds de Golfoorlog aan lijdt. De ochtend slaat hij over, waardoor zijn studenten ook nooit voor 12 uur uit bed hoeven te komen.

Sinds kort is Van Rossem opa, een titel waar hij maar niet aan kan wennen, al is hij blij met de kwieke baby en hoopt hij dat zijn kinderen zich fluks blijven voortplanten. Zorgen over zijn kroost heeft hij zich nooit gemaakt. De opvoeding ging haast vanzelf, omdat de kinderen zich keurig gedroegen. Wellicht uit protest tegen hun vader, die ze aanmoedigde om vooral een roze hanekam te nemen.

Van Rossems laatste boek gaat over de grote oorlogen van de twintigste eeuw: de twee wereldoorlogen en de Koude Oorlog. Een samenhang zit er wel tussen, al die oorlogen, maar dat betekent niet dat ze allemaal onvermijdelijk waren. Uiteindelijk hangt alles immers van toeval aan elkaar. “Stel je voor dat de jonge Hitler op zijn driewieler onder de bus was gekomen? Dan was de geschiedenis toch wel iets anders verlopen. Hoewel… Had je toen eigenlijk wel driewielers in Braunau?” De zijpaden, waar van Rossems hoorcolleges om bekend staan, ze worden vrolijk ingeslagen.

Zijn drijfveer om over de Tweede Wereldoorlog te gaan schrijven, was dat hij zelf wel wilde weten hoe het allemaal precies is gelopen. Zelf denkt van Rossem dat de verloren slag van Duitsland tegen de Sovjet Unie het beslissende moment is geweest in de Tweede Wereldoorlog. Daarna kon Duitsland niet meer winnen. Dat D-Day die doorslaggevende rol zou hebben gespeeld, dat is de grootst mogelijke onzin.

Geschiedenis wordt in hoge mate bepaald door toeval. Dat is het terugkerende thema in het gesprek. En het toeval speelde ook een grote rol in Van Rossems eigen leven. Drie keer ontsnapte hij aan de dood: als baby in de kinderwagen tijdens het bombardement op Wageningen in september ‘44, en veel later toen hij dankzij de wonderen der medische wetenschap een zware hartaandoening overleefde. Die derde medische redding bleef onbesproken.

Wie dacht dat Van Rossem door zijn fantastische relativeringsvermogen vrij is van angst en zorgen: in elk geval niet in zijn dromen, die altijd heftig zijn geweest. Jarenlang had hij nachtmerries over een nucleaire ramp, compleet met paddestoelwolken. Het was dan ook Koude Oorlog, de periode waar Van Rossem zijn doctoraalscriptie aan wijdde. Niemand had daar uiteindelijk schuld aan: noch de Russen, noch de Amerikanen. Zeker als hij er nu op terugkijkt was het een onvermijdelijk conflict. “Dat is het mooie van historicus worden” zegt Van Rossem. “Achteraf heb je altijd het grootste gelijk van de wereld”.

Tweede uur

Zonder dat je het weet, ben je een product van de tijd waarin je leeft. Alle kritische ideeën die je vroeger had, blijken later on-origineel of volslagen lachwekkend te zijn. Sinds Van Rossem dat bij zichzelf ontdekte, probeert hij gepaste afstand te houden van wat zich in de wereld afspeelt. Die afstand en de bijbehorende ironie zijn dus een keuze, zegt Van Rossem. Al weet hij dat hij er ook in kan doorschieten, omdat het ook een vlucht kan zijn, zoveel ironie.

Maar meestal gaat het helemaal vanzelf, dat gevoel van afstand. Bijvoorbeeld bij de begrafenis van Lady Diana, de dood van prins Bernard en de moord op Theo van Gogh. Het zijn momenten waarop de wereld in zijn ogen “stapelkrankzinnig” werd.

En van krankzinnige toestanden komen we als vanzelf bij de oorlog tegen het terrorisme: een kapitale mislukking, zoals Van Rossem het noemt. Een beetje relativering probeerde hij de mensen bij te brengen, bij het begin van die oorlog. Maar het werd hem niet in dank afgenomen. Niet na 11 september en niet bij de inval in Irak. Hij kreeg hatemail, wat pas ophield toen stilaan duidelijk werd dat hij echt gelijk had. Maar al die deskundigen, die volledig opgingen in de oorlogshysterie, die zich op sleeptouw lieten nemen door de schandelijke leugens van de Verenigde Staten; ze hebben nooit hun excuses aangeboden. Nooit gezegd dat ze er faliekant naast zaten.


Van de hysterie belanden we terug in eigen land, bij Geert Wilders en de discussie over de Nederlandse identiteit. Die bestaat écht niet, al vindt Wilders dat reuze jammer. Hoogst zonderling overigens, vindt Van Rossem, dat juist iemand uit Venlo zich zo druk maakt over de Nederlandse identiteit. Zonder ondertiteling kan geen Nederlander de lokale bevolking van Venlo verstaan.

Ook hoogleraar Paul Scheffer krijgt ervan langs, met zijn kritiek op prinses Maxima, die de Nederlandse identiteit niet kon vinden. Scheffer is volgens Van Rossem gevangene geworden van zijn eigen neoconservatieve boodschap. En dat dikke boek van hem, Land van Aankomst, dat schreef hij alleen om zich te rechtvaardigen en van vage schuldgevoelens af te komen.

Maarten van Rossem was niet de eerste deskundige van de familie die ooit op televisie kwam. Vader Van Rossem, een insectenspecialist, mocht ooit figureren in een programma over de invasie van de tapijtkever, een kever die verzot was op de toen populaire Heugaveld-tapijttegels. Een afstandelijk man, zijn vader. En altijd maar praten. Inderdaad, net als hijzelf. En zijn zuster. En zijn broer. En nee, dat was niet bepaald makkelijk voor zijn moeder, “die voortlullende chaos” thuis. Pas na de scheiding trad de rust in.

Op school leerde Van Rossem zijn medemens wantrouwen. Want de lynchende menigte kan altijd overal opstaan. Maarten was de buitenstaander. De nerd die goed kon leren, maar niet sportief was. Het jongetje dat sneeuwballen in zijn nek kreeg en in elkaar werd geslagen. Die tijd bracht hem een belangrijke levensles: de vrede waarin we nu leven is niet de regel, maar de uitzondering. Maar al zijn mensen net apen, in de apenwereld had van Rossem het niet gered. Want hij kon tenminste vluchten in zijn studie.

Maarten van Rossem: uur 3

dinsdag 1 januari 2008, 16:50 uur

Maarten van Rossems kinderdroom is uitgekomen. Hij wilde als kleine jongen professioneel krantenlezer worden en met kranten lezen vult hij al geruime tijd zijn leven. De hoogleraar Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht is al jaren graag geziene gast in nieuws- en actualiteitenprogramma's om over zijn specialisme, de Verenigde Staten, te praten. Al daalde zijn populariteit na 11 september 2001, toen ze in Hilversum en op de burelen van de landelijke dagbladen even geen zin meer hadden in zijn relativeringen en nuances. Maar inmiddels is het tij gekeerd en is hij weer in te huren voor feesten en partijen. Want naast zijn scherpe analyses van de slangenkuil die Washington D.C. is, staat hij ook bekend om zijn cabareteske uitspraken. Met Maarten van Rossem hoef je je nooit te vervelen. Dat zult u op deze eerste ochtend van het nieuwe jaar dan ook zeker niet doen. Djoeke Veeninga praat drie uur lang met de man in het zwart.
-----------------------------------

Biografie Maarten van Rossem, geb. 24 oktober 1943 te Zeist

De 'aanschuifdeskundige' schuift aan

"In het algemeen geloven journalisten absoluut niet dat je het gewoon leuk vindt om op tv te praten over dingen waar je iets van afweet. Dat daarbij het gevoel hoort dat je iets verstandigs zegt in een baaierd van onwetendheid."

Het is de eenvoudige verklaring van de historicus en 'aanschuifdeskundige' Maarten van Rossem over zijn veelvuldige media presence. En natuurlijk zijn het die journalisten zelf die hem zo regelmatig uitnodigen omdat het altijd fijn is hem erbij te hebben. Altijd wel een onverwacht nuchtere kijk op de zaken, altijd wel een geestige oneliner, or two or three, want als hij eenmaal het woord heeft, houdt hij het graag, en dan zien we hem mopperen op het oppervlakkige medium televisie dat ongeschikt is voor diepgang, op presentatoren die hem onderbreken als hij net op stoom is.

Maarten van Rossem wordt in 1943 geboren, hij groeit op in Wageningen, studeert geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht en schrijft zijn doctoraalscriptie over de Amerikaanse rol in de Koude Oorlog. Aan diezelfde universiteit wordt hij hoofddocent en promoveert hij. Het grote publiek leert hem kennen als Amerika-deskundige.

Dr. Prof. Van Rossem: briljant, eigenzinnig, nieuwsgierig - maar toch wordt hij geen hoogleraar. Pas tien jaar geleden krijgt hij een bijzondere leerstoel - de Nederlandse Geschiedenis vanaf 1945 in Internationale Context.
Hij schrijft boeken: Amerika Voor en Tegen, Heeft Geschiedenis Nut?, De Wereld volgens Maarten van Rossem, bundels columns en artikelen.

Onlangs verscheen van zijn hand Drie Oorlogen, Een kleine geschiedenis van de 20e eeuw. Bovendien kan iedereen tegenwoordig in de aangename positie van student van de historicus zijn, want zijn hoorcolleges worden uitgegeven op CD. Amerika. Koude Oorlog. Hitler. Geschiedenis in het groot. Uren achtereen vertelt zijn kenmerkende stem ons de geschiedenis - met " humor als de omsingelende beweging voor de dingen die er echt toe doen", zoals hij het zelf ooit omschreef.
-----------------------------------

Samenvattingen

Achteraf het grootste gelijk van de wereld

Eerste uur

Eerst was er de bekentenis dat het gesprek – tegen de gewoonte in – van tevoren is opgenomen, op de valreep van het oude jaar. Niet vanwege Oud en Nieuw, maar omdat vroeg opstaan een ernstige verstoring zou betekenen van het bioritme van Maarten van Rossem. Er zou ook geen verstandig woord uit zijn gekomen, zegt hij zelf. Hij gaat immers laat naar bed om te lezen, samen met zijn vrouw. Of om naar CNN te kijken, een verslaving waar hij sinds de Golfoorlog aan lijdt. De ochtend slaat hij over, waardoor zijn studenten ook nooit voor 12 uur uit bed hoeven te komen.

Sinds kort is Van Rossem opa, een titel waar hij maar niet aan kan wennen, al is hij blij met de kwieke baby en hoopt hij dat zijn kinderen zich fluks blijven voortplanten. Zorgen over zijn kroost heeft hij zich nooit gemaakt. De opvoeding ging haast vanzelf, omdat de kinderen zich keurig gedroegen. Wellicht uit protest tegen hun vader, die ze aanmoedigde om vooral een roze hanekam te nemen.

Van Rossems laatste boek gaat over de grote oorlogen van de twintigste eeuw: de twee wereldoorlogen en de Koude Oorlog. Een samenhang zit er wel tussen, al die oorlogen, maar dat betekent niet dat ze allemaal onvermijdelijk waren. Uiteindelijk hangt alles immers van toeval aan elkaar. “Stel je voor dat de jonge Hitler op zijn driewieler onder de bus was gekomen? Dan was de geschiedenis toch wel iets anders verlopen. Hoewel… Had je toen eigenlijk wel driewielers in Braunau?” De zijpaden, waar van Rossems hoorcolleges om bekend staan, ze worden vrolijk ingeslagen.

Zijn drijfveer om over de Tweede Wereldoorlog te gaan schrijven, was dat hij zelf wel wilde weten hoe het allemaal precies is gelopen. Zelf denkt van Rossem dat de verloren slag van Duitsland tegen de Sovjet Unie het beslissende moment is geweest in de Tweede Wereldoorlog. Daarna kon Duitsland niet meer winnen. Dat D-Day die doorslaggevende rol zou hebben gespeeld, dat is de grootst mogelijke onzin.

Geschiedenis wordt in hoge mate bepaald door toeval. Dat is het terugkerende thema in het gesprek. En het toeval speelde ook een grote rol in Van Rossems eigen leven. Drie keer ontsnapte hij aan de dood: als baby in de kinderwagen tijdens het bombardement op Wageningen in september ‘44, en veel later toen hij dankzij de wonderen der medische wetenschap een zware hartaandoening overleefde. Die derde medische redding bleef onbesproken.

Wie dacht dat Van Rossem door zijn fantastische relativeringsvermogen vrij is van angst en zorgen: in elk geval niet in zijn dromen, die altijd heftig zijn geweest. Jarenlang had hij nachtmerries over een nucleaire ramp, compleet met paddestoelwolken. Het was dan ook Koude Oorlog, de periode waar Van Rossem zijn doctoraalscriptie aan wijdde. Niemand had daar uiteindelijk schuld aan: noch de Russen, noch de Amerikanen. Zeker als hij er nu op terugkijkt was het een onvermijdelijk conflict. “Dat is het mooie van historicus worden” zegt Van Rossem. “Achteraf heb je altijd het grootste gelijk van de wereld”.

Tweede uur

Zonder dat je het weet, ben je een product van de tijd waarin je leeft. Alle kritische ideeën die je vroeger had, blijken later on-origineel of volslagen lachwekkend te zijn. Sinds Van Rossem dat bij zichzelf ontdekte, probeert hij gepaste afstand te houden van wat zich in de wereld afspeelt. Die afstand en de bijbehorende ironie zijn dus een keuze, zegt Van Rossem. Al weet hij dat hij er ook in kan doorschieten, omdat het ook een vlucht kan zijn, zoveel ironie.

Maar meestal gaat het helemaal vanzelf, dat gevoel van afstand. Bijvoorbeeld bij de begrafenis van Lady Diana, de dood van prins Bernard en de moord op Theo van Gogh. Het zijn momenten waarop de wereld in zijn ogen “stapelkrankzinnig” werd.

En van krankzinnige toestanden komen we als vanzelf bij de oorlog tegen het terrorisme: een kapitale mislukking, zoals Van Rossem het noemt. Een beetje relativering probeerde hij de mensen bij te brengen, bij het begin van die oorlog. Maar het werd hem niet in dank afgenomen. Niet na 11 september en niet bij de inval in Irak. Hij kreeg hatemail, wat pas ophield toen stilaan duidelijk werd dat hij echt gelijk had. Maar al die deskundigen, die volledig opgingen in de oorlogshysterie, die zich op sleeptouw lieten nemen door de schandelijke leugens van de Verenigde Staten; ze hebben nooit hun excuses aangeboden. Nooit gezegd dat ze er faliekant naast zaten.


Van de hysterie belanden we terug in eigen land, bij Geert Wilders en de discussie over de Nederlandse identiteit. Die bestaat écht niet, al vindt Wilders dat reuze jammer. Hoogst zonderling overigens, vindt Van Rossem, dat juist iemand uit Venlo zich zo druk maakt over de Nederlandse identiteit. Zonder ondertiteling kan geen Nederlander de lokale bevolking van Venlo verstaan.

Ook hoogleraar Paul Scheffer krijgt ervan langs, met zijn kritiek op prinses Maxima, die de Nederlandse identiteit niet kon vinden. Scheffer is volgens Van Rossem gevangene geworden van zijn eigen neoconservatieve boodschap. En dat dikke boek van hem, Land van Aankomst, dat schreef hij alleen om zich te rechtvaardigen en van vage schuldgevoelens af te komen.

Maarten van Rossem was niet de eerste deskundige van de familie die ooit op televisie kwam. Vader Van Rossem, een insectenspecialist, mocht ooit figureren in een programma over de invasie van de tapijtkever, een kever die verzot was op de toen populaire Heugaveld-tapijttegels. Een afstandelijk man, zijn vader. En altijd maar praten. Inderdaad, net als hijzelf. En zijn zuster. En zijn broer. En nee, dat was niet bepaald makkelijk voor zijn moeder, “die voortlullende chaos” thuis. Pas na de scheiding trad de rust in.

Op school leerde Van Rossem zijn medemens wantrouwen. Want de lynchende menigte kan altijd overal opstaan. Maarten was de buitenstaander. De nerd die goed kon leren, maar niet sportief was. Het jongetje dat sneeuwballen in zijn nek kreeg en in elkaar werd geslagen. Die tijd bracht hem een belangrijke levensles: de vrede waarin we nu leven is niet de regel, maar de uitzondering. Maar al zijn mensen net apen, in de apenwereld had van Rossem het niet gered. Want hij kon tenminste vluchten in zijn studie.

Ruud Lubbers: uur 3

vrijdag 28 december 2007, 14:41 uur

Het is bijna 2008....
Ruud Lubbers, oud-premier van Nederland en oud-Hoge Commissaris voor de Vluchtilingen van de Verenigde Naties heeft een nieuw stokpaardje: duurzaamheid. We kunnen hem niet van het meeliften op de groene hype beschuldigen, want al sinds juni 2005 draait Lubbers' bestaan om het behoud van de aarde. Op festival Lowlands maakte hij in datzelfde jaar samen met Wubbo Ockels zijn opwachting om met de massaal toegestroomde jongeren - die hem luid verwelkomden door "Ruud-juh, Ruud-juh!" te scanderen - over duurzaamheid te discussiëren. Hij heeft de politieke wind wel mee, en dat zal hem niet onwelgevallig zijn. De vluchtelingen is hij echter ook nog niet vergeten. In juli 2006 werd hij bestuursvoorzitter van de Stichting voor Vluchteling Studenten. Hij noemde in zijn eerste lezing in die hoedanigheid het Nederlandse asielbeleid, op dat moment nog in de ijzeren greep van minister Rita Verdonk, "verkrampt". Met een groeiende behoefte aan 'kenniswerkers' in Nederland is het onverantwoord om het talent onder vluchtelingen niet te benutten. Kortom, de inmiddels 67-jarige, op één na beste premier van Nederland (na Willem Drees, volgens Elsevier in 2005) is nog lang niet toe aan zijn pensioen. Met Chris Kijne bespreekt hij zijn toekomstplannen.
----------------------------------

Biografie Ruud Lubbers, geb. 7 mei 1939 te Rotterdam

Niet zo goed in afscheid nemen

Niet alleen omdat hij de langstzittende premier van Nederland was, maar om tal van andere redenen lijkt Rudolphus Franciscus Marie Lubbers, roepnaam Ruud, de verpersoonlijking van de Nederlandse politiek. Hij regeerde in de jaren tachtig en negentig over links en over rechts en onderstreepte daarmee de eeuwige kracht van het Nederlandse midden. Hij was de jongste minister in het rode kabinet Den Uyl in de jaren zeventig, maar ook de eerste fractievoorzitter van het CDA en als premier met de VVD de grote saneerder van de jaren tachtig. En illustreerde zodoende dat Nederlandse politiek altijd compromissenpolitiek is en vooral meer pragmatisch dan ideologisch.

Maar tegelijkertijd is hij, zowel met de Europese collega’s waarmee hij in de jaren tachtig het Europese project weer vlot trekt, als de laatste jaren met zijn intense pleidooien voor duurzaamheid, tolerantie en wereldburgerschap, typisch zo’n vertegenwoordiger van ‘Nederland gidsland’. Nooit te beroerd om, toen hij begin deze eeuw Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen was bij de Verenigde Naties, de Amerikaanse president voor de laatste keer te waarschuwen waar het Irak betrof. Of te kapittelen om het asielbeleid.

Dat laatste deed hij overigens ook ten opzichte van, meer dan wie ook, minister Rita Verdonk van Vreemdelingenzaken, toen deze regeerde met zijn eigen partij. Het werd tijd, zei Ruud Lubbers toen – niet in de laatste plaats vanwege zijn ervaringen als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen – om Nederland te ‘ontverdonken’ en uit zijn kramp ten opzichte van ‘de vreemdeling’ te krijgen. En hij blijft het zeggen, onlangs nog in de brochure De Vrees Voorbij, die niet geheel toevallig verscheen ten tijde van de eerste Algemene Beschouwingen van het kabinet-Balkenende IV.

Bovendien brengt Lubbers die woorden in praktijk als voorzitter van de UAF, de organisatie voor vluchtelingstudenten. Zoals hij ook zijn pleidooien voor duurzame ontwikkeling kracht bij zet als voorzitter van de International Advisory Board verbonden aan het Rotterdam Climate Initiative en als voorzitter van de Raad van Toezicht van het Energie Centrum Nederland in Petten. Allemaal activiteiten die weer voortkomen uit zijn betrokkenheid, begin jaren negentig, bij het opstellen van het ‘Handvest voor de Aarde’, op initiatief van Michael Gorbatsjov.

En daarbij is Ruud Lubbers, als katholieke ondernemerszoon en voormalig directeur van het familiebedrijf, ook zo’n typisch Nederlandse ondernemer. Even katholiek namelijk als calvinistisch, niet geïnteresseerd in grote rijkdom en uiterlijk vertoon en erg gericht op de samenwerking tussen arbeid en kapitaal. Niet voor niets is bij het aantreden van zijn eerste regering het Poldermodel geboren.

Achtenenzestig is Ruud Lubbers nu, maar afscheid nemen, ho maar. Zeker niet sinds hij de laatste jaren bijna als een popidool onthaald wordt door de MTV-generatie bij optredens op Lowlands en in De Melkweg. En afscheid nemen, daar was hij toch al niet zo goed in. Twee keer was de econoom Lubbers van plan de politiek weer vaarwel te zeggen voor de wetenschap, twee keer kwam het er niet van. De derde keer, in 1994, gebeurde het wel maar met een desastreuze slotklap ten koste van beoogd opvolger Elco Brinkman en de zetels van het CDA.

En ook zijn afscheid van de VN, na – volgens eigen zeggen – vóórtdurende berichtgeving over een klacht wegens seksuele intimidatie die zijn functioneren onmogelijk maakte, zal hem niet met het verschijnsel verzoend hebben. Misschien wel daarom is Ruud Lubbers nog steeds nadrukkelijk aanwezig in het publieke debat.
----------------------------------------

Samenvattingen
Functioneel verhullend taalgebruik

Eerste uur

Eerst verbleven we even in kerstsfeer in het Lubbers-familiehuis. Drie kinderen, negen kleinkinderen, en opa Lubbers die schaakt met zijn tienjarige kleinzoon.

De kersttoespraak van de koningin heeft hij niet gehoord, en zeker niet gelezen: ook als premier las hij die nooit van te voren. Hij heeft de koningin altijd gestimuleerd om kleur te bekennen, en niet muizig te zijn. Bij Alexander en Maxima ook, dan denkt hij: laat ze in hemelsnaam wat zeggen. Over de reactie van Wilders op die toespraak, daar wil hij verder geen woord aan kwijt, maar de reactie daarop weer van Balkenende vindt hij wel een voorbeeld dat die steviger worden, duidelijker opkomend voor de positie van migranten – waar Lubbers eerder dit jaar in het pamflet De vrees Voorbij voor pleitte.

Voor het objectieve probleem van de aanwezigheid van zoveel mensen uit een andere cultuur ziet hij vooral praktische oplossingen. Laat mensen participeren, werken, dingen doen – dat is de beste manier van integreren.

Neem de 300 afgestudeerde vluchtelingenstudenten, die hij als voorzitter van de UAF meemaakte, geef ze een status, dacht hij, maar dan was het antwoord van Verdonk: nee dat kan niet, regels zijn regels. Dat leidde tot zijn ontglipte hartekreet dat het tijd werd Nederland te ‘ontverdonken’. Vluchtelingen zijn sterke mensen: als je ze uitdaagt, dan gaan ze vechten.

Die kracht zag hij in de vluchtelingenkampen , toen hij Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN was. En daarom vindt hij de opstelling van de sociaaldemocraat Paul Scheffer, die er goed aan deed het integratievraagstuk te benoemen – hij ontdekte dat het niet goed zat toen het CDA dat al wist –, te eenzijdig: die eenzijdige opsomming dat migratie alleen afzien is voor alle partijen.

Dan die andere hartstocht: de aarde! Duurzaam produceren, energiebewust zijn – dat is begonnen in Kralingen in Rotterdam waar hij opgroeide, toen er nog kikvorsen waren, die er niet meer waren toen zijn kinderen daar opgroeiden. Met het leefklimaat Rotterdam begon het, er zijn jaren geweest in zijn actieve politieke leven dat hij er niet zo mee bezig was, geeft hij toe, maar nu is er dan het Rotterdam Climate Initiative , dat de CO2 problematiek technisch wil aanpakken – ook een goed exportmiddel.

Tweede uur

Het begin van zijn politieke loopbaan: als ondernemer en KVP-er werd hij gevraagd toe te treden tot het kabinet-Den Uyl als minister van Economische Zaken. Boeiende jaren, een levendig kabinet, maar hij moet er moeite voor doen om er positief over te zijn – omdat hij het heeft afgebroken en mentaal afscheid heeft genomen van Den Uyl, die hij te verstard in zijn opvattingen vond. Hij liep wel eens emotioneel weg. Functioneel, hoor – je kiest om boos te worden en weg te lopen, je gaat in die hogere versnelling om duidelijk te maken dat je het echt niet eens bent, bijvoorbeeld rond het minimumjeugdloon.

Na de val van Aantjes ging hij de CDA-fractie leiden in het kabinet Van Agt-Wiegel. De interviewer laat hem zo’n typische Lubber- tekst van toen voorlezen – één grote verbale mist. Dat verhullende taalgebruik, zegt hij nu, was ook functioneel, want hij moest door een voortdurend mijnenveld wandelen met die fractie die maar deels het kabinet steunde. Politieke taal is altijd functioneel, dat is de kern, ook het verhullende taalgebruik, die hij gebruikte om crisissen te overwinnen.

Dan die twee kabinetten-Lubbers, met de VVD: het harde saneren zoals Thatcher het in Engeland deed. Voelt hij zich verantwoordelijk voor de problemen in achterstandwijken en in het onderwijs vanwege de bezuinigingen van toen? “Nee, dat geloof ik niet”, is het duidelijke antwoord – in de achterstandwijken moeten we de mensen erbij betrekken, laten participeren, dwingen de handen uit de mouwen te steken, en in het onderwijs moet de aandacht weer naar de leraar in plaats van naar al de structuurwijzigingen.

Na de armoede is het onderwerp veiligheid. Terug in de tijd, het manoeuvreren tussen onze NAVO-trouw en de meerderheid van de bevolking die geen kruisraketten wilde. Hoe hij dat intelligent oploste door te zeggen: we plaatsen niet als de Russen ook tot stilstand komen. Het was een gedachte die hij kreeg tijdens de oorlogsherdenking. Er was contact met Gorbatsjov, en die kreeg overeenstemming met de Amerikanen zodat Lubbers tevreden kan terugkijken over hoe dat afliep.

De wereld was toen onveilig, omdat er altijd de zenuwen waren van de Koude Oorlog dat het fout zou kunnen lopen. Nu is er het weggevallen vertrouwen van Amerika in de VN dat die het nucleaire evenwicht kunnen waarborgen, waardoor ze het zelf gingen aanpakken, wat de ellende in Irak heeft opgeleverd – want een vriend van de huidige Amerikaanse politiek is Lubbers uitgesproken niet.

Vergeleken met van Agt kiest hij geen partij in het MiddenOosten. Een doorvoelde vrede als het gemeenschappelijk doel, zo wil hij het omschrijven.

Ruud Lubbers: uur 2

vrijdag 28 december 2007, 14:40 uur

Het is bijna 2008....
Ruud Lubbers, oud-premier van Nederland en oud-Hoge Commissaris voor de Vluchtilingen van de Verenigde Naties heeft een nieuw stokpaardje: duurzaamheid. We kunnen hem niet van het meeliften op de groene hype beschuldigen, want al sinds juni 2005 draait Lubbers' bestaan om het behoud van de aarde. Op festival Lowlands maakte hij in datzelfde jaar samen met Wubbo Ockels zijn opwachting om met de massaal toegestroomde jongeren - die hem luid verwelkomden door "Ruud-juh, Ruud-juh!" te scanderen - over duurzaamheid te discussiëren. Hij heeft de politieke wind wel mee, en dat zal hem niet onwelgevallig zijn. De vluchtelingen is hij echter ook nog niet vergeten. In juli 2006 werd hij bestuursvoorzitter van de Stichting voor Vluchteling Studenten. Hij noemde in zijn eerste lezing in die hoedanigheid het Nederlandse asielbeleid, op dat moment nog in de ijzeren greep van minister Rita Verdonk, "verkrampt". Met een groeiende behoefte aan 'kenniswerkers' in Nederland is het onverantwoord om het talent onder vluchtelingen niet te benutten. Kortom, de inmiddels 67-jarige, op één na beste premier van Nederland (na Willem Drees, volgens Elsevier in 2005) is nog lang niet toe aan zijn pensioen. Met Chris Kijne bespreekt hij zijn toekomstplannen.
----------------------------------

Biografie Ruud Lubbers, geb. 7 mei 1939 te Rotterdam

Niet zo goed in afscheid nemen

Niet alleen omdat hij de langstzittende premier van Nederland was, maar om tal van andere redenen lijkt Rudolphus Franciscus Marie Lubbers, roepnaam Ruud, de verpersoonlijking van de Nederlandse politiek. Hij regeerde in de jaren tachtig en negentig over links en over rechts en onderstreepte daarmee de eeuwige kracht van het Nederlandse midden. Hij was de jongste minister in het rode kabinet Den Uyl in de jaren zeventig, maar ook de eerste fractievoorzitter van het CDA en als premier met de VVD de grote saneerder van de jaren tachtig. En illustreerde zodoende dat Nederlandse politiek altijd compromissenpolitiek is en vooral meer pragmatisch dan ideologisch.

Maar tegelijkertijd is hij, zowel met de Europese collega’s waarmee hij in de jaren tachtig het Europese project weer vlot trekt, als de laatste jaren met zijn intense pleidooien voor duurzaamheid, tolerantie en wereldburgerschap, typisch zo’n vertegenwoordiger van ‘Nederland gidsland’. Nooit te beroerd om, toen hij begin deze eeuw Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen was bij de Verenigde Naties, de Amerikaanse president voor de laatste keer te waarschuwen waar het Irak betrof. Of te kapittelen om het asielbeleid.

Dat laatste deed hij overigens ook ten opzichte van, meer dan wie ook, minister Rita Verdonk van Vreemdelingenzaken, toen deze regeerde met zijn eigen partij. Het werd tijd, zei Ruud Lubbers toen – niet in de laatste plaats vanwege zijn ervaringen als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen – om Nederland te ‘ontverdonken’ en uit zijn kramp ten opzichte van ‘de vreemdeling’ te krijgen. En hij blijft het zeggen, onlangs nog in de brochure De Vrees Voorbij, die niet geheel toevallig verscheen ten tijde van de eerste Algemene Beschouwingen van het kabinet-Balkenende IV.

Bovendien brengt Lubbers die woorden in praktijk als voorzitter van de UAF, de organisatie voor vluchtelingstudenten. Zoals hij ook zijn pleidooien voor duurzame ontwikkeling kracht bij zet als voorzitter van de International Advisory Board verbonden aan het Rotterdam Climate Initiative en als voorzitter van de Raad van Toezicht van het Energie Centrum Nederland in Petten. Allemaal activiteiten die weer voortkomen uit zijn betrokkenheid, begin jaren negentig, bij het opstellen van het ‘Handvest voor de Aarde’, op initiatief van Michael Gorbatsjov.

En daarbij is Ruud Lubbers, als katholieke ondernemerszoon en voormalig directeur van het familiebedrijf, ook zo’n typisch Nederlandse ondernemer. Even katholiek namelijk als calvinistisch, niet geïnteresseerd in grote rijkdom en uiterlijk vertoon en erg gericht op de samenwerking tussen arbeid en kapitaal. Niet voor niets is bij het aantreden van zijn eerste regering het Poldermodel geboren.

Achtenenzestig is Ruud Lubbers nu, maar afscheid nemen, ho maar. Zeker niet sinds hij de laatste jaren bijna als een popidool onthaald wordt door de MTV-generatie bij optredens op Lowlands en in De Melkweg. En afscheid nemen, daar was hij toch al niet zo goed in. Twee keer was de econoom Lubbers van plan de politiek weer vaarwel te zeggen voor de wetenschap, twee keer kwam het er niet van. De derde keer, in 1994, gebeurde het wel maar met een desastreuze slotklap ten koste van beoogd opvolger Elco Brinkman en de zetels van het CDA.

En ook zijn afscheid van de VN, na – volgens eigen zeggen – vóórtdurende berichtgeving over een klacht wegens seksuele intimidatie die zijn functioneren onmogelijk maakte, zal hem niet met het verschijnsel verzoend hebben. Misschien wel daarom is Ruud Lubbers nog steeds nadrukkelijk aanwezig in het publieke debat.
----------------------------------------

Samenvattingen
Functioneel verhullend taalgebruik

Eerste uur

Eerst verbleven we even in kerstsfeer in het Lubbers-familiehuis. Drie kinderen, negen kleinkinderen, en opa Lubbers die schaakt met zijn tienjarige kleinzoon.

De kersttoespraak van de koningin heeft hij niet gehoord, en zeker niet gelezen: ook als premier las hij die nooit van te voren. Hij heeft de koningin altijd gestimuleerd om kleur te bekennen, en niet muizig te zijn. Bij Alexander en Maxima ook, dan denkt hij: laat ze in hemelsnaam wat zeggen. Over de reactie van Wilders op die toespraak, daar wil hij verder geen woord aan kwijt, maar de reactie daarop weer van Balkenende vindt hij wel een voorbeeld dat die steviger worden, duidelijker opkomend voor de positie van migranten – waar Lubbers eerder dit jaar in het pamflet De vrees Voorbij voor pleitte.

Voor het objectieve probleem van de aanwezigheid van zoveel mensen uit een andere cultuur ziet hij vooral praktische oplossingen. Laat mensen participeren, werken, dingen doen – dat is de beste manier van integreren.

Neem de 300 afgestudeerde vluchtelingenstudenten, die hij als voorzitter van de UAF meemaakte, geef ze een status, dacht hij, maar dan was het antwoord van Verdonk: nee dat kan niet, regels zijn regels. Dat leidde tot zijn ontglipte hartekreet dat het tijd werd Nederland te ‘ontverdonken’. Vluchtelingen zijn sterke mensen: als je ze uitdaagt, dan gaan ze vechten.

Die kracht zag hij in de vluchtelingenkampen , toen hij Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN was. En daarom vindt hij de opstelling van de sociaaldemocraat Paul Scheffer, die er goed aan deed het integratievraagstuk te benoemen – hij ontdekte dat het niet goed zat toen het CDA dat al wist –, te eenzijdig: die eenzijdige opsomming dat migratie alleen afzien is voor alle partijen.

Dan die andere hartstocht: de aarde! Duurzaam produceren, energiebewust zijn – dat is begonnen in Kralingen in Rotterdam waar hij opgroeide, toen er nog kikvorsen waren, die er niet meer waren toen zijn kinderen daar opgroeiden. Met het leefklimaat Rotterdam begon het, er zijn jaren geweest in zijn actieve politieke leven dat hij er niet zo mee bezig was, geeft hij toe, maar nu is er dan het Rotterdam Climate Initiative , dat de CO2 problematiek technisch wil aanpakken – ook een goed exportmiddel.

Tweede uur

Het begin van zijn politieke loopbaan: als ondernemer en KVP-er werd hij gevraagd toe te treden tot het kabinet-Den Uyl als minister van Economische Zaken. Boeiende jaren, een levendig kabinet, maar hij moet er moeite voor doen om er positief over te zijn – omdat hij het heeft afgebroken en mentaal afscheid heeft genomen van Den Uyl, die hij te verstard in zijn opvattingen vond. Hij liep wel eens emotioneel weg. Functioneel, hoor – je kiest om boos te worden en weg te lopen, je gaat in die hogere versnelling om duidelijk te maken dat je het echt niet eens bent, bijvoorbeeld rond het minimumjeugdloon.

Na de val van Aantjes ging hij de CDA-fractie leiden in het kabinet Van Agt-Wiegel. De interviewer laat hem zo’n typische Lubber- tekst van toen voorlezen – één grote verbale mist. Dat verhullende taalgebruik, zegt hij nu, was ook functioneel, want hij moest door een voortdurend mijnenveld wandelen met die fractie die maar deels het kabinet steunde. Politieke taal is altijd functioneel, dat is de kern, ook het verhullende taalgebruik, die hij gebruikte om crisissen te overwinnen.

Dan die twee kabinetten-Lubbers, met de VVD: het harde saneren zoals Thatcher het in Engeland deed. Voelt hij zich verantwoordelijk voor de problemen in achterstandwijken en in het onderwijs vanwege de bezuinigingen van toen? “Nee, dat geloof ik niet”, is het duidelijke antwoord – in de achterstandwijken moeten we de mensen erbij betrekken, laten participeren, dwingen de handen uit de mouwen te steken, en in het onderwijs moet de aandacht weer naar de leraar in plaats van naar al de structuurwijzigingen.

Na de armoede is het onderwerp veiligheid. Terug in de tijd, het manoeuvreren tussen onze NAVO-trouw en de meerderheid van de bevolking die geen kruisraketten wilde. Hoe hij dat intelligent oploste door te zeggen: we plaatsen niet als de Russen ook tot stilstand komen. Het was een gedachte die hij kreeg tijdens de oorlogsherdenking. Er was contact met Gorbatsjov, en die kreeg overeenstemming met de Amerikanen zodat Lubbers tevreden kan terugkijken over hoe dat afliep.

De wereld was toen onveilig, omdat er altijd de zenuwen waren van de Koude Oorlog dat het fout zou kunnen lopen. Nu is er het weggevallen vertrouwen van Amerika in de VN dat die het nucleaire evenwicht kunnen waarborgen, waardoor ze het zelf gingen aanpakken, wat de ellende in Irak heeft opgeleverd – want een vriend van de huidige Amerikaanse politiek is Lubbers uitgesproken niet.

Vergeleken met van Agt kiest hij geen partij in het MiddenOosten. Een doorvoelde vrede als het gemeenschappelijk doel, zo wil hij het omschrijven.

Ruud Lubbers: uur 1

vrijdag 28 december 2007, 14:20 uur

Het is bijna 2008....
Ruud Lubbers, oud-premier van Nederland en oud-Hoge Commissaris voor de Vluchtilingen van de Verenigde Naties heeft een nieuw stokpaardje: duurzaamheid. We kunnen hem niet van het meeliften op de groene hype beschuldigen, want al sinds juni 2005 draait Lubbers' bestaan om het behoud van de aarde. Op festival Lowlands maakte hij in datzelfde jaar samen met Wubbo Ockels zijn opwachting om met de massaal toegestroomde jongeren - die hem luid verwelkomden door "Ruud-juh, Ruud-juh!" te scanderen - over duurzaamheid te discussiëren. Hij heeft de politieke wind wel mee, en dat zal hem niet onwelgevallig zijn. De vluchtelingen is hij echter ook nog niet vergeten. In juli 2006 werd hij bestuursvoorzitter van de Stichting voor Vluchteling Studenten. Hij noemde in zijn eerste lezing in die hoedanigheid het Nederlandse asielbeleid, op dat moment nog in de ijzeren greep van minister Rita Verdonk, "verkrampt". Met een groeiende behoefte aan 'kenniswerkers' in Nederland is het onverantwoord om het talent onder vluchtelingen niet te benutten. Kortom, de inmiddels 67-jarige, op één na beste premier van Nederland (na Willem Drees, volgens Elsevier in 2005) is nog lang niet toe aan zijn pensioen. Met Chris Kijne bespreekt hij zijn toekomstplannen.
----------------------------------

Biografie Ruud Lubbers, geb. 7 mei 1939 te Rotterdam

Niet zo goed in afscheid nemen

Niet alleen omdat hij de langstzittende premier van Nederland was, maar om tal van andere redenen lijkt Rudolphus Franciscus Marie Lubbers, roepnaam Ruud, de verpersoonlijking van de Nederlandse politiek. Hij regeerde in de jaren tachtig en negentig over links en over rechts en onderstreepte daarmee de eeuwige kracht van het Nederlandse midden. Hij was de jongste minister in het rode kabinet Den Uyl in de jaren zeventig, maar ook de eerste fractievoorzitter van het CDA en als premier met de VVD de grote saneerder van de jaren tachtig. En illustreerde zodoende dat Nederlandse politiek altijd compromissenpolitiek is en vooral meer pragmatisch dan ideologisch.

Maar tegelijkertijd is hij, zowel met de Europese collega’s waarmee hij in de jaren tachtig het Europese project weer vlot trekt, als de laatste jaren met zijn intense pleidooien voor duurzaamheid, tolerantie en wereldburgerschap, typisch zo’n vertegenwoordiger van ‘Nederland gidsland’. Nooit te beroerd om, toen hij begin deze eeuw Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen was bij de Verenigde Naties, de Amerikaanse president voor de laatste keer te waarschuwen waar het Irak betrof. Of te kapittelen om het asielbeleid.

Dat laatste deed hij overigens ook ten opzichte van, meer dan wie ook, minister Rita Verdonk van Vreemdelingenzaken, toen deze regeerde met zijn eigen partij. Het werd tijd, zei Ruud Lubbers toen – niet in de laatste plaats vanwege zijn ervaringen als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen – om Nederland te ‘ontverdonken’ en uit zijn kramp ten opzichte van ‘de vreemdeling’ te krijgen. En hij blijft het zeggen, onlangs nog in de brochure De Vrees Voorbij, die niet geheel toevallig verscheen ten tijde van de eerste Algemene Beschouwingen van het kabinet-Balkenende IV.

Bovendien brengt Lubbers die woorden in praktijk als voorzitter van de UAF, de organisatie voor vluchtelingstudenten. Zoals hij ook zijn pleidooien voor duurzame ontwikkeling kracht bij zet als voorzitter van de International Advisory Board verbonden aan het Rotterdam Climate Initiative en als voorzitter van de Raad van Toezicht van het Energie Centrum Nederland in Petten. Allemaal activiteiten die weer voortkomen uit zijn betrokkenheid, begin jaren negentig, bij het opstellen van het ‘Handvest voor de Aarde’, op initiatief van Michael Gorbatsjov.

En daarbij is Ruud Lubbers, als katholieke ondernemerszoon en voormalig directeur van het familiebedrijf, ook zo’n typisch Nederlandse ondernemer. Even katholiek namelijk als calvinistisch, niet geïnteresseerd in grote rijkdom en uiterlijk vertoon en erg gericht op de samenwerking tussen arbeid en kapitaal. Niet voor niets is bij het aantreden van zijn eerste regering het Poldermodel geboren.

Achtenenzestig is Ruud Lubbers nu, maar afscheid nemen, ho maar. Zeker niet sinds hij de laatste jaren bijna als een popidool onthaald wordt door de MTV-generatie bij optredens op Lowlands en in De Melkweg. En afscheid nemen, daar was hij toch al niet zo goed in. Twee keer was de econoom Lubbers van plan de politiek weer vaarwel te zeggen voor de wetenschap, twee keer kwam het er niet van. De derde keer, in 1994, gebeurde het wel maar met een desastreuze slotklap ten koste van beoogd opvolger Elco Brinkman en de zetels van het CDA.

En ook zijn afscheid van de VN, na – volgens eigen zeggen – vóórtdurende berichtgeving over een klacht wegens seksuele intimidatie die zijn functioneren onmogelijk maakte, zal hem niet met het verschijnsel verzoend hebben. Misschien wel daarom is Ruud Lubbers nog steeds nadrukkelijk aanwezig in het publieke debat.
----------------------------------------

Samenvattingen
Functioneel verhullend taalgebruik

Eerste uur

Eerst verbleven we even in kerstsfeer in het Lubbers-familiehuis. Drie kinderen, negen kleinkinderen, en opa Lubbers die schaakt met zijn tienjarige kleinzoon.

De kersttoespraak van de koningin heeft hij niet gehoord, en zeker niet gelezen: ook als premier las hij die nooit van te voren. Hij heeft de koningin altijd gestimuleerd om kleur te bekennen, en niet muizig te zijn. Bij Alexander en Maxima ook, dan denkt hij: laat ze in hemelsnaam wat zeggen. Over de reactie van Wilders op die toespraak, daar wil hij verder geen woord aan kwijt, maar de reactie daarop weer van Balkenende vindt hij wel een voorbeeld dat die steviger worden, duidelijker opkomend voor de positie van migranten – waar Lubbers eerder dit jaar in het pamflet De vrees Voorbij voor pleitte.

Voor het objectieve probleem van de aanwezigheid van zoveel mensen uit een andere cultuur ziet hij vooral praktische oplossingen. Laat mensen participeren, werken, dingen doen – dat is de beste manier van integreren.

Neem de 300 afgestudeerde vluchtelingenstudenten, die hij als voorzitter van de UAF meemaakte, geef ze een status, dacht hij, maar dan was het antwoord van Verdonk: nee dat kan niet, regels zijn regels. Dat leidde tot zijn ontglipte hartekreet dat het tijd werd Nederland te ‘ontverdonken’. Vluchtelingen zijn sterke mensen: als je ze uitdaagt, dan gaan ze vechten.

Die kracht zag hij in de vluchtelingenkampen , toen hij Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN was. En daarom vindt hij de opstelling van de sociaaldemocraat Paul Scheffer, die er goed aan deed het integratievraagstuk te benoemen – hij ontdekte dat het niet goed zat toen het CDA dat al wist –, te eenzijdig: die eenzijdige opsomming dat migratie alleen afzien is voor alle partijen.

Dan die andere hartstocht: de aarde! Duurzaam produceren, energiebewust zijn – dat is begonnen in Kralingen in Rotterdam waar hij opgroeide, toen er nog kikvorsen waren, die er niet meer waren toen zijn kinderen daar opgroeiden. Met het leefklimaat Rotterdam begon het, er zijn jaren geweest in zijn actieve politieke leven dat hij er niet zo mee bezig was, geeft hij toe, maar nu is er dan het Rotterdam Climate Initiative , dat de CO2 problematiek technisch wil aanpakken – ook een goed exportmiddel.

Tweede uur

Het begin van zijn politieke loopbaan: als ondernemer en KVP-er werd hij gevraagd toe te treden tot het kabinet-Den Uyl als minister van Economische Zaken. Boeiende jaren, een levendig kabinet, maar hij moet er moeite voor doen om er positief over te zijn – omdat hij het heeft afgebroken en mentaal afscheid heeft genomen van Den Uyl, die hij te verstard in zijn opvattingen vond. Hij liep wel eens emotioneel weg. Functioneel, hoor – je kiest om boos te worden en weg te lopen, je gaat in die hogere versnelling om duidelijk te maken dat je het echt niet eens bent, bijvoorbeeld rond het minimumjeugdloon.

Na de val van Aantjes ging hij de CDA-fractie leiden in het kabinet Van Agt-Wiegel. De interviewer laat hem zo’n typische Lubber- tekst van toen voorlezen – één grote verbale mist. Dat verhullende taalgebruik, zegt hij nu, was ook functioneel, want hij moest door een voortdurend mijnenveld wandelen met die fractie die maar deels het kabinet steunde. Politieke taal is altijd functioneel, dat is de kern, ook het verhullende taalgebruik, die hij gebruikte om crisissen te overwinnen.

Dan die twee kabinetten-Lubbers, met de VVD: het harde saneren zoals Thatcher het in Engeland deed. Voelt hij zich verantwoordelijk voor de problemen in achterstandwijken en in het onderwijs vanwege de bezuinigingen van toen? “Nee, dat geloof ik niet”, is het duidelijke antwoord – in de achterstandwijken moeten we de mensen erbij betrekken, laten participeren, dwingen de handen uit de mouwen te steken, en in het onderwijs moet de aandacht weer naar de leraar in plaats van naar al de structuurwijzigingen.

Na de armoede is het onderwerp veiligheid. Terug in de tijd, het manoeuvreren tussen onze NAVO-trouw en de meerderheid van de bevolking die geen kruisraketten wilde. Hoe hij dat intelligent oploste door te zeggen: we plaatsen niet als de Russen ook tot stilstand komen. Het was een gedachte die hij kreeg tijdens de oorlogsherdenking. Er was contact met Gorbatsjov, en die kreeg overeenstemming met de Amerikanen zodat Lubbers tevreden kan terugkijken over hoe dat afliep.

De wereld was toen onveilig, omdat er altijd de zenuwen waren van de Koude Oorlog dat het fout zou kunnen lopen. Nu is er het weggevallen vertrouwen van Amerika in de VN dat die het nucleaire evenwicht kunnen waarborgen, waardoor ze het zelf gingen aanpakken, wat de ellende in Irak heeft opgeleverd – want een vriend van de huidige Amerikaanse politiek is Lubbers uitgesproken niet.

Vergeleken met van Agt kiest hij geen partij in het MiddenOosten. Een doorvoelde vrede als het gemeenschappelijk doel, zo wil hij het omschrijven.

Marita Mathijsen: uur 3

dinsdag 25 december 2007, 14:14 uur

Neerlandica en columniste

Marita Mathijsen is een vrouwelijke hoogleraar in Nederland. Helaas maakt dat haar, tot haar grote spijt, behoorlijk bijzonder. Nederland scoort nog altijd laag als het gaat om de hoeveelheid vrouwelijk topacademici. Maar Mathijsen is dwars door het 'glazen plafond' gebroken. Als hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde deed ze vooral onderzoek naar haar geliefde 19e eeuw, ze promoveerde op de ongepubliceerde brieven van humorist Gerrit van de Linde en publiceerde in een opmerkelijke reeks interviews met prominente schrijvers uit de 19e eeuw, zoals Jacob van Lennep - waar ze binnenkort een biografie over wil schrijven -, François Haverschmidt en Willem Bilderdijk. Die gesprekken werden in 1991 gebundeld in De Geest van de Dichter, waarvoor ze de Multatuliprijs kreeg. Wat allemaal niet wil zeggen dat Mathijsen in het verleden leeft. Harry Mulisch heeft ook haar warme belangstelling, maar dat is dan ook een 19e-eeuws schrijver, aldus de neerlandica. Die liefde voor de 19e eeuw komt misschien uit het feit dat Mathijsen in Limburg werd geboren, waar het rijke roomse leven zo alomtegenwoordig was en sterk aan vervlogen tijden deed denken. Ger Jochems, wil er alles over weten.
------------------------------------------

Biografie Marita Mathijsen
geb. 18 augustus 1944 te Belfeld

De 19e-eeuwse litaratuur van de motteballen ontdaan
"En plotseling was er het succes", schreef het dagblad de Gooi en Eemlander op donderdag 25 april 1991. Dat jaar kreeg Marita Mathijsen-Verkooijen de Multatuli-prijs voor haar boek De Geest van de Dichter. Zij ontmoet daarin 19e-eeuwse schrijvers als Geertruida Bosboom-Toussaint, die er op staat zelf thee voor haar te zetten, de gigant Willem Bilderdijk ("Ik bezwijk onder het geweld van mijn eigen geest"), bezoekt in Londen Gerrit van de Linde, alias De Schoolmeester. En zij wandelt met Peter de Genestet door de Haarlemmerhout.

Tot dan toe had de huidige hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam wel gepubliceerd, maar niet eerder had zij daar zoveel lof voor gekregen. In 1998 krijgt zij voor haar werk de Prijs voor de Geesteswetenschappen van het Prins Bernard Cultuurfonds.

Marita Theodora Catharina Verkooijen wordt geboren in Belfeld op 18 augustus 1944. Het Roomsch Katholieke Limburgse dorp, beschermd door de Heilige Urbanus, bevond zich nog grotendeels in de 19e eeuw. De ouderen gingen onveranderd in het zwart gekleed en de grote arbeidersgezinnen waren nog altijd arm. Ze groeit op in een gezin met acht broers en zusters, vader is psycholoog en richt de plaatselijke parochiebibliotheek op. Die had Marita snel uitgelezen, dus ging ze met haar broers op de fiets naar de gemeente bibliotheek van Tegelen. Na het St. Ursula Lyceum in Roermond volgt ze op een namiddag een opleiding voor bibliothecaresse (YUK), en slaagt voor MO-A Nederlands.

In 1966 mag ze eindelijk naar Amsterdam, naar de vrijheid. Een vlucht noemt ze dat later. Ze studeert Nederlands aan wat toen nog de Gemeentelijke Universiteit heette, trouwt in 1970 met musicus Hub Mathijsen. Uit dit huwelijk wordt in 1984 dochter Alma geboren.

Marita Mathijsen promoveert in 1987 op de uitgave van de brieven van Gerrit van de Linde, alias De Schoolmeester. Er volgen nog vele publicaties, waaronder De Gemaskerde Eeuw, een cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis van de 19e eeuw. Haar beste boek vindt zij zelf. In 1994 overlijdt haar man Hub.

Mathijsen wordt in 1999 benoemd tot hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde. Daarnaast doet zij heel veel meer, waaronder het schrijven van een column in NRC-Handelsblad. Marita Mathijsen heeft de literatuur van de 19e eeuw uit de mottenballen gehaald, opgepoetst en voor een groot publiek aantrekkelijk gemaakt.
-----------------------------------------

Samenvattingen
Schoonschrijfster van de wetenschap
Eerste uur

Bij haar naam komt meteen de term De Gemaskerde Eeuw op – de titel van wat zij zelf haar beste boek vindt en dat dé term voor de negentiende eeuw geworden is. De eeuw waarvan ons altijd geleerd is dat het de eeuw zonder spiritualiteit is, zonder dat er iets gebeurde. Dat beeld heeft Mathijsen ontmaskerd door de souplesse van de taal van de domineesdichters te ‘ontstoffen’. Je moet de juiste beelden leren kennen – als een vrouw paardrijdt dan masturbeert ze, zo brutaal durft ze wel te zijn als degene die de teksten interpreteert.

Ze promoveerde op de brieven van de Schoolmeester, Gerrit van de Linde, de vrolijke Rotterdammer met zijn actieve seksleven, die zo de vrouw van zijn hoogleraar had bezwangerd waardoor hij naar Engeland vluchtte, waarvandaan hij zijn prachtige brieven aan zijn vriend Jacob van Lennep schreef – ze leest er één met veel plezier voor.

Kwaad kan ze worden als mensen zeggen: “tja, ze schrijft wel goed, maar is het wetenschappelijk verantwoord?” Soms heeft ze bewust géén noten toegepast, maar dat wil niet zeggen dat het niet goed wetenschappelijk gefundeerd was. Wie mooi schrijft, is verdacht in wetenschappelijke kringen, is de voorlopige conclusie, waar wellicht nog op teruggekomen wordt.

Dan haar jeugd in Belfeld in Limburg: het katholieke leven van als bruidje in processies meelopen, van het bewaarschoolkind dat bang is voor de verhalen over de duivel die daar verteld worden, het schoolkind dat alle nonnen als homoseksueel zag en het daarom ook niet vreemd vond toen haar zusje dat bleek te zijn. Een klein leven, bescheiden, al was het gezin Verkooijen, haar vader was psycholoog, relatief well to do en liberaal. De kleine maatschappij die zo goed mogelijk voor zichzelf zorgt maar niet de grote verbanden aangaat – dat was nog echt negentiende eeuws in die jaren vijftig.

Op de middelbare school in Roermond bleef ze over, en dat was een gouden tijd want er was een bibliotheek en daar ging ze Jacob van Lennep en Geertruide Bosboom-Toussaint lezen – toen al! Al zat er misschien Bomans tussen als intermediair tussen de negentiende eeuw en de moderne taal. De verboden literatuur van bijvoorbeeld Hugo Claus las je stiekem onder tafel, want de nonnen zagen toch ook niet alles met die kappen op.

In het grote gezin – Marita is de oudste van 5 meisjes, met 2 oudere broers daarboven – had ze vooral een coalitie met een vier jaar jonger zusje en haar broers. Daar lag de coalitie, en die had je nodig om de moderniteit te bevechten in het traditionele gezin, en om uit huishoudelijke klusjes uit te komen.

Tweede uur

Het tweede uur startte met de constatering van Mathijsen dat zij sensibel is. Ze kan met tranen in de ogen in de archieven zitten als ze leest over de dood van de kinderen van de Schoolmeester en ze schiet vol als ze de plaatsen bezoekt waar Van Lennep gelopen heeft. Natuurlijk moet je bij dat inleven niet het overzicht verliezen en de infrastructuur van de tijd erbij betrekken. Wetenschappelijk verantwoord, daar komt het begrip weer langs zoals dat in het eerste uur ook al kwam, maar ze wil toch ook graag ontroeren. Laten zien dat de geschiedenis van ons is. Dat het onze voorouders, onze genen zijn. Neem de tien zogenaamde gesprekken met negentiende eeuwse schrijvers, één van haar boeken – ze heeft het allemaal nagezocht, de woorden van de mensen zelf gezocht en toegepast. Maar zo’n boek mag dan niet op je wetenschappelijke lijst, dat komt in de categorie ‘populariserend’.

Het onderscheid tussen zichzelf als intellectuele ziel en de boerenpummels om haar heen op het Limburgse platteland heeft ze van jongs af aan gevoeld, en als Jochems vraagt of ze dat onderscheid nog steeds zo scherp maakt, komt ze op haar heel lieve werkster, die eens met een barbiepop voor haar dochter aankwam, die minzaam werd geaccepteerd. Die bleek tegen de verwachting in toch nog een leuk stuk speelgoed op te leveren.

Op zoek naar intellectuele geestverwanten kwam ze in Amsterdam terecht en daar ontmoette ze al snel haar toekomstige man Hub Mathijsen. Een rebel, die zowel in de lijn als tegen de lijn van zijn vader in, musicus werd, maar dan wel een bewust alternatieve. De jaren zestig waren daar goed voor: muziek componeren voor een fruitorgel, het oprichten van het eerste ironische salonorkest, het Resistentieorkest. Mozarts hemels gespeelde kamermuziek was dan voor de beslotenheid van thuis.

Mensen in de muziek, daar kan ze tegenop kijken, mee dwepen. Bij Maria Callas heeft ze nog wel eens uren bij de kleedkamer gewacht om een handtekening te krijgen, vooral als ode aan de vrouw die ooit bij een optreden haar middelvinger opstak en wegliep toen ze uitgefloten werd.
---------------------------------------------

Boeken Marita Mathijsen
De volgende titels zijn tijdens het marathoninterview ter sprake gekomen. Sommigen van hen zijn niet vrij verkrijgbaar, maar worden wel door de bibliotheek uitgeleend.

Nederlandse literatuur in de romantiek 1820-1880 (Nijmegen 2004, Uitgeverij Vantilt)

De Gemaskerde Eeuw (Amsterdam 2002, Querido)

De Geest van de Dichter. Tien zogenaamde gesprekken met negentiende-eeuwse schrijvers (Amsterdam 1990, Querido). Voor dit boek kreeg ze in 1991 de Multatuli-prijs.

Waarde Van Lennep. Brieven van de Schoolmeester (Amsterdam 1977 Querido)

Pamflet: Afwezigheid van het Verleden (Amsterdam 2007, Querido)

Andere boeken van Marita Mathijsen zijn:

Het Literaire Leven in de 19e Eeuw, (Amsterdam 1987, Querido)

De Gedichten van De Schoolmeester (2001, Griffioen)

Met Geert Mak: De Zomer van 1823, lopen met Van Lennep. Dagboek van zijn voetreis door Nederland (Zwolle 2000, Uitgeverij Waanders)

Verliefd op het Verleden, ontboezemingen van een letterkundige (Amsterdam 2004, Bert Bakker)

Het Voorbestemde Toeval. Gesprekken met Harry Mulisch (Amsterdam 2002, De Bezige Bij)

Vorige pagina Back to top
NPO Radio 1