appjecalendarcheckchevron-downchevron-leftchevron-rightchevron-upclosedownloaddragfacebookfast-backwardfast-forwardgoogle-plusiconinstagramlinkedinlistlisten-livelogo-nporadio1logo-tour-de-france mailmicrophonepauseperson-man-2person-woman-4phonepinterestplayplaylistplyr-nextplyr-prevquestionquotesearchsharesorter--up-and-down star--open-and-filled star-openstarthumbdownthumbuptwitterwatch-livewhatsappyoutubeplyr-captions-off plyr-captions-on plyr-enter-fullscreen plyr-exit-fullscreen plyr-fast-forward plyr-muted plyr-pause plyr-play plyr-restart plyr-rewind plyr-volume
Afbeelding

Podcast afleveringen

VPRO Marathoninterview - Harry Kuitert deel 1

vrijdag 6 augustus 1993, 09:03 uur

Wat van Boven wordt gezegd, komt van beneden

Er moet toch Iets zijn… ethicus en theoloog Kuitert dacht na over de mens, het geloof, de kerk en het ietsisme. Daarmee opende de zomerreeks van het Marathoninterview in 1993. Piekeraar Ger Jochems sprak met Harry Kuitert.

Frits Staal deel 3

vrijdag 11 september 1992, 09:15 uur

Met het artikel ‘Zinvolle en zinloze filosofie’ in De Gids werd deze hoogleraar Algemene en Vergelijkende Filosofie in de jaren zestig bekend . Hij stelt dat (filosofische) uitspraken die niet te verifiëren zijn weinig waarde hebben.
Op 11 september 1992 schoven Max Pam en Frits Staal (3 november 1930 – Chiang Mai 19 februari 2012) aan voor een uiterst helder gesprek.

VPRO Marathoninterview - Frits Staal deel 2

vrijdag 11 september 1992, 09:10 uur

Met het artikel ‘Zinvolle en zinloze filosofie’ in De Gids werd deze hoogleraar Algemene en Vergelijkende Filosofie in de jaren zestig bekend . Hij stelt dat (filosofische) uitspraken die niet te verifiëren zijn weinig waarde hebben. Op 11 september 1992 schoven Max Pam en Frits Staal aan voor dit uiterst helder gesprek.

Frits Staal deel 1

vrijdag 11 september 1992, 09:00 uur

Met het artikel ‘Zinvolle en zinloze filosofie’ in De Gids werd deze hoogleraar Algemene en Vergelijkende Filosofie in de jaren zestig bekend . Hij stelt dat (filosofische) uitspraken die niet te verifiëren zijn weinig waarde hebben. Op 11 september 1992 schoven Max Pam en Frits Staal aan voor dit uiterst helder gesprek.

VPRO Marathoninterview - Herman Bianchi deel 5

vrijdag 31 juli 1992, 08:37 uur

Hij verzette zich tegen het in zijn ogen perfide strafrechtelijk systeem in Nederland, dat hij ooit in een interview “stiefkindje van de Inquisitie” noemde. In de gevangenis leren jonge misdadadigers van het vak van oudgedienden en zo lokt het strafsysteem meer criminaliteit uit. Hij pleitte voor het recht van gerechtigheid, een “voorwereldlijk” standpunt, aldus sceptici. Bianchi was ook niet onverdienstelijk als schrijver en dichter. Op 31 juli in het jaar 1992 was Herman Bianchi te gast in de Villa van de VPRO; zijn gesprekspartner was Ger Jochems.

VPRO Marathoninterview - Herman Bianchi deel 4

vrijdag 31 juli 1992, 08:28 uur

Hij verzette zich tegen het in zijn ogen perfide strafrechtelijk systeem in Nederland, dat hij ooit in een interview “stiefkindje van de Inquisitie” noemde. In de gevangenis leren jonge misdadadigers van het vak van oudgedienden en zo lokt het strafsysteem meer criminaliteit uit. Hij pleitte voor het recht van gerechtigheid, een “voorwereldlijk” standpunt, aldus sceptici. Bianchi was ook niet onverdienstelijk als schrijver en dichter. Op 31 juli in het jaar 1992 was Herman Bianchi te gast in de Villa van de VPRO; zijn gesprekspartner was Ger Jochems.

VPRO Marathoninterview - Herman Bianchi deel 3

vrijdag 31 juli 1992, 08:20 uur

Hij verzette zich tegen het in zijn ogen perfide strafrechtelijk systeem in Nederland, dat hij ooit in een interview “stiefkindje van de Inquisitie” noemde. In de gevangenis leren jonge misdadadigers van het vak van oudgedienden en zo lokt het strafsysteem meer criminaliteit uit. Hij pleitte voor het recht van gerechtigheid, een “voorwereldlijk” standpunt, aldus sceptici. Bianchi was ook niet onverdienstelijk als schrijver en dichter. Op 31 juli in het jaar 1992 was Herman Bianchi te gast in de Villa van de VPRO; zijn gesprekspartner was Ger Jochems.

VPRO Marathoninterview - Herman Bianchi deel 2

vrijdag 31 juli 1992, 08:10 uur

Hij verzette zich tegen het in zijn ogen perfide strafrechtelijk systeem in Nederland, dat hij ooit in een interview “stiefkindje van de Inquisitie” noemde. In de gevangenis leren jonge misdadadigers van het vak van oudgedienden en zo lokt het strafsysteem meer criminaliteit uit. Hij pleitte voor het recht van gerechtigheid, een “voorwereldlijk” standpunt, aldus sceptici. Bianchi was ook niet onverdienstelijk als schrijver en dichter. Op 31 juli in het jaar 1992 was Herman Bianchi te gast in de Villa van de VPRO; zijn gesprekspartner was Ger Jochems.

Herman Bianchi deel 1

vrijdag 31 juli 1992, 08:00 uur

Hij verzette zich tegen het in zijn ogen perfide strafrechtelijk systeem in Nederland, dat hij ooit in een interview “stiefkindje van de Inquisitie” noemde. In de gevangenis leren jonge misdadadigers van het vak van oudgedienden en zo lokt het strafsysteem meer criminaliteit uit. Hij pleitte voor het recht van gerechtigheid, een “voorwereldlijk” standpunt, aldus sceptici. Bianchi was ook niet onverdienstelijk als schrijver en dichter. Op 31 juli in het jaar 1992 was Herman Bianchi te gast in de Villa van de VPRO; zijn gesprekspartner was Ger Jochems.

Jan Pronk deel 5

vrijdag 24 juli 1992, 09:40 uur

Zijne Excellentie ging er eens goed voor zitten, op 24 juli 1992 was minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking onze gast.
Jan Pronk nam al vanaf 1973 – het kabinet-Den Uyl – met (kleine) tussenpozen deel uit van de Nederlandse regering, tot dan toe altijd met ontwikkelingssamenwerking in zijn portefeuille – afgezien van een korte periode in het begin van 1991 toen hij zijn collega Ter Beek van Defensie moest vervangen. Gedurende vijf uur praatten de heren Simonse en Pronk over het leven, de wereld en de politiek.
------------------------------------------------

Biografie Jan Pronk
geb. 16 maart 1940
Johannes Pieter Pronk komt op 16 maart 1940 ter wereld in Scheveningen. Zijn vader was onderwijzer, het gezin gereformeerd. Hij ging in Den Haag naar het Zandvlietcollege waar hij het gymnasium doorliep en studeerde vervolgens aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam – wat sinds 1973 de Erasmusuniversiteit is. Zijn sociale betrokkenheid bleek al tijdens zijn studententijd – hij vaarde vaak mee met de Henri Dunant, de boot van het Rode Kruis, waarmee gehandicapten een paar dagen erop uit konden.

Na zijn afstuderen vond hij een baan bij het Centrum voor Ontwikkelingsprogrammering van zijn hogeschool en het Nederlands Economisch Instituut als wetenschappelijk medewerker. Hij werkte daar naast de vermaarde econoom Jan Tinbergen.

Voor de politiek begon hij zich in het midden van de jaren zestig te interesseren. Zijn keuze viel op de Partij van de Arbeid. Van 1966 tot 1971 was hij afdelingsvoorzitter van Krimpen aan de Lek. Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 werd de 31-jarige lid van het parlement. Hij maakte onderdeel uit van Nieuw Links, de vernieuwingsbeweging binnen de PvdA en was lid van de commissie-Mansholt, die onderzocht wat het alarmerende rapport van de Club van Rome, die wetenschappelijk onderzoek had gedaan naar hoe de toekomst van de wereld er wat betreft bevolkingsomvang en milieubelasting, voor Nederland betekende.

Pronks ster rees snel. Na een korte tijd europarlementariër te zijn geweest in 1973, trad hij in hetzelfde jaar toe tot het kabinet van Joop den Uyl. Met zijn 33 jaar was hij één van de jongste ministers in Nederland ooit. Het kabinet-Den Uyl stond bekend om zijn linkse signatuur en bevlogenheid. Daar heeft de jonge Pronk zeker zijn deel aan bijgedragen.

Toen het kabinet-Den Uyl in 1977 geen doorstart kreeg, werd Pronk weer kamerlid. In 1980 vertrok hij voor enkele jaren uit de Kamer om adjunct-secretaris-generaal te worden van UNCTAD, de VN-conferentie voor handel en ontwikkeling. Zes jaar later keerde hij terug in de Tweede Kamer en in 1989 werd hij opnieuw minister van Ontwikkelingssamenwerking, ditmaal in het tweede kabinet-Lubbers, dat door de CDA en de PvdA werd gevormd. Hij behield die post in het eerste kabinet-Kok en werd in het tweede kabinet-Kok minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Pronk leek niet weg te branden.

De functie van Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties werd voor zijn neus weggekaapt door Ruud Lubbers. Hij bleef minister in Kok-II, maar was de eerste om te zeggen dat hij, als lid van Kok-I moest aftreden – en de rest van het kabinet met hem – toen uit het NIOD-rapport ui 2002 bleek hoe de val van de moslimenclave Srebrenica in zijn werk is gegaan.

In 2004 werd Pronk tot bijzonder VN-gezant voor Soedan benoemd. Hij moest het lot van de mensen in Darfur zien te verbeteren, een welhaast onmogelijke opgave. In oktober 2006 eisten de Soedanese autoriteiten, die Pronk niet had gespaard in zijn kritiek, hem het land te verlaten.

Dan maar weer terug naar Nederland, zal hij gedacht hebben. In augustus van het jaar daarop deed hij een gooi naar het partijleiderschap van de Partij van de Arbeid. In de campagne deed hij als vanouds boude uitspraken. Zo noemde hij premier Balkenende een “leugenaar” en zei hij dat “Nederland op een schandelijke wijze de Irak-oorlog [is] ingerommeld”. Hij bood snel zijn excuses aan, maar het mocht niet baten; Liliane Ploumen werd tot partijvoorzitter verkozen.

Daarna werd Pronk, inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots heeft bereikt, voorzitter van het Interkerkelijke Vredesberaad.

Jan Pronk deel 4

vrijdag 24 juli 1992, 09:30 uur

Zijne Excellentie ging er eens goed voor zitten, op 24 juli 1992 was minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking onze gast.
Jan Pronk nam al vanaf 1973 – het kabinet-Den Uyl – met (kleine) tussenpozen deel uit van de Nederlandse regering, tot dan toe altijd met ontwikkelingssamenwerking in zijn portefeuille – afgezien van een korte periode in het begin van 1991 toen hij zijn collega Ter Beek van Defensie moest vervangen. Gedurende vijf uur praatten de heren Simonse en Pronk over het leven, de wereld en de politiek.
------------------------------------------------

Biografie Jan Pronk
geb. 16 maart 1940
Johannes Pieter Pronk komt op 16 maart 1940 ter wereld in Scheveningen. Zijn vader was onderwijzer, het gezin gereformeerd. Hij ging in Den Haag naar het Zandvlietcollege waar hij het gymnasium doorliep en studeerde vervolgens aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam – wat sinds 1973 de Erasmusuniversiteit is. Zijn sociale betrokkenheid bleek al tijdens zijn studententijd – hij vaarde vaak mee met de Henri Dunant, de boot van het Rode Kruis, waarmee gehandicapten een paar dagen erop uit konden.

Na zijn afstuderen vond hij een baan bij het Centrum voor Ontwikkelingsprogrammering van zijn hogeschool en het Nederlands Economisch Instituut als wetenschappelijk medewerker. Hij werkte daar naast de vermaarde econoom Jan Tinbergen.

Voor de politiek begon hij zich in het midden van de jaren zestig te interesseren. Zijn keuze viel op de Partij van de Arbeid. Van 1966 tot 1971 was hij afdelingsvoorzitter van Krimpen aan de Lek. Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 werd de 31-jarige lid van het parlement. Hij maakte onderdeel uit van Nieuw Links, de vernieuwingsbeweging binnen de PvdA en was lid van de commissie-Mansholt, die onderzocht wat het alarmerende rapport van de Club van Rome, die wetenschappelijk onderzoek had gedaan naar hoe de toekomst van de wereld er wat betreft bevolkingsomvang en milieubelasting, voor Nederland betekende.

Pronks ster rees snel. Na een korte tijd europarlementariër te zijn geweest in 1973, trad hij in hetzelfde jaar toe tot het kabinet van Joop den Uyl. Met zijn 33 jaar was hij één van de jongste ministers in Nederland ooit. Het kabinet-Den Uyl stond bekend om zijn linkse signatuur en bevlogenheid. Daar heeft de jonge Pronk zeker zijn deel aan bijgedragen.

Toen het kabinet-Den Uyl in 1977 geen doorstart kreeg, werd Pronk weer kamerlid. In 1980 vertrok hij voor enkele jaren uit de Kamer om adjunct-secretaris-generaal te worden van UNCTAD, de VN-conferentie voor handel en ontwikkeling. Zes jaar later keerde hij terug in de Tweede Kamer en in 1989 werd hij opnieuw minister van Ontwikkelingssamenwerking, ditmaal in het tweede kabinet-Lubbers, dat door de CDA en de PvdA werd gevormd. Hij behield die post in het eerste kabinet-Kok en werd in het tweede kabinet-Kok minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Pronk leek niet weg te branden.

De functie van Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties werd voor zijn neus weggekaapt door Ruud Lubbers. Hij bleef minister in Kok-II, maar was de eerste om te zeggen dat hij, als lid van Kok-I moest aftreden – en de rest van het kabinet met hem – toen uit het NIOD-rapport ui 2002 bleek hoe de val van de moslimenclave Srebrenica in zijn werk is gegaan.

In 2004 werd Pronk tot bijzonder VN-gezant voor Soedan benoemd. Hij moest het lot van de mensen in Darfur zien te verbeteren, een welhaast onmogelijke opgave. In oktober 2006 eisten de Soedanese autoriteiten, die Pronk niet had gespaard in zijn kritiek, hem het land te verlaten.

Dan maar weer terug naar Nederland, zal hij gedacht hebben. In augustus van het jaar daarop deed hij een gooi naar het partijleiderschap van de Partij van de Arbeid. In de campagne deed hij als vanouds boude uitspraken. Zo noemde hij premier Balkenende een “leugenaar” en zei hij dat “Nederland op een schandelijke wijze de Irak-oorlog [is] ingerommeld”. Hij bood snel zijn excuses aan, maar het mocht niet baten; Liliane Ploumen werd tot partijvoorzitter verkozen.

Daarna werd Pronk, inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots heeft bereikt, voorzitter van het Interkerkelijke Vredesberaad.

Jan Pronk deel 3

vrijdag 24 juli 1992, 09:20 uur

Zijne Excellentie ging er eens goed voor zitten, op 24 juli 1992 was minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking onze gast.
Jan Pronk nam al vanaf 1973 – het kabinet-Den Uyl – met (kleine) tussenpozen deel uit van de Nederlandse regering, tot dan toe altijd met ontwikkelingssamenwerking in zijn portefeuille – afgezien van een korte periode in het begin van 1991 toen hij zijn collega Ter Beek van Defensie moest vervangen. Gedurende vijf uur praatten de heren Simonse en Pronk over het leven, de wereld en de politiek.
------------------------------------------------

Biografie Jan Pronk
geb. 16 maart 1940
Johannes Pieter Pronk komt op 16 maart 1940 ter wereld in Scheveningen. Zijn vader was onderwijzer, het gezin gereformeerd. Hij ging in Den Haag naar het Zandvlietcollege waar hij het gymnasium doorliep en studeerde vervolgens aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam – wat sinds 1973 de Erasmusuniversiteit is. Zijn sociale betrokkenheid bleek al tijdens zijn studententijd – hij vaarde vaak mee met de Henri Dunant, de boot van het Rode Kruis, waarmee gehandicapten een paar dagen erop uit konden.

Na zijn afstuderen vond hij een baan bij het Centrum voor Ontwikkelingsprogrammering van zijn hogeschool en het Nederlands Economisch Instituut als wetenschappelijk medewerker. Hij werkte daar naast de vermaarde econoom Jan Tinbergen.

Voor de politiek begon hij zich in het midden van de jaren zestig te interesseren. Zijn keuze viel op de Partij van de Arbeid. Van 1966 tot 1971 was hij afdelingsvoorzitter van Krimpen aan de Lek. Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 werd de 31-jarige lid van het parlement. Hij maakte onderdeel uit van Nieuw Links, de vernieuwingsbeweging binnen de PvdA en was lid van de commissie-Mansholt, die onderzocht wat het alarmerende rapport van de Club van Rome, die wetenschappelijk onderzoek had gedaan naar hoe de toekomst van de wereld er wat betreft bevolkingsomvang en milieubelasting, voor Nederland betekende.

Pronks ster rees snel. Na een korte tijd europarlementariër te zijn geweest in 1973, trad hij in hetzelfde jaar toe tot het kabinet van Joop den Uyl. Met zijn 33 jaar was hij één van de jongste ministers in Nederland ooit. Het kabinet-Den Uyl stond bekend om zijn linkse signatuur en bevlogenheid. Daar heeft de jonge Pronk zeker zijn deel aan bijgedragen.

Toen het kabinet-Den Uyl in 1977 geen doorstart kreeg, werd Pronk weer kamerlid. In 1980 vertrok hij voor enkele jaren uit de Kamer om adjunct-secretaris-generaal te worden van UNCTAD, de VN-conferentie voor handel en ontwikkeling. Zes jaar later keerde hij terug in de Tweede Kamer en in 1989 werd hij opnieuw minister van Ontwikkelingssamenwerking, ditmaal in het tweede kabinet-Lubbers, dat door de CDA en de PvdA werd gevormd. Hij behield die post in het eerste kabinet-Kok en werd in het tweede kabinet-Kok minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Pronk leek niet weg te branden.

De functie van Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties werd voor zijn neus weggekaapt door Ruud Lubbers. Hij bleef minister in Kok-II, maar was de eerste om te zeggen dat hij, als lid van Kok-I moest aftreden – en de rest van het kabinet met hem – toen uit het NIOD-rapport ui 2002 bleek hoe de val van de moslimenclave Srebrenica in zijn werk is gegaan.

In 2004 werd Pronk tot bijzonder VN-gezant voor Soedan benoemd. Hij moest het lot van de mensen in Darfur zien te verbeteren, een welhaast onmogelijke opgave. In oktober 2006 eisten de Soedanese autoriteiten, die Pronk niet had gespaard in zijn kritiek, hem het land te verlaten.

Dan maar weer terug naar Nederland, zal hij gedacht hebben. In augustus van het jaar daarop deed hij een gooi naar het partijleiderschap van de Partij van de Arbeid. In de campagne deed hij als vanouds boude uitspraken. Zo noemde hij premier Balkenende een “leugenaar” en zei hij dat “Nederland op een schandelijke wijze de Irak-oorlog [is] ingerommeld”. Hij bood snel zijn excuses aan, maar het mocht niet baten; Liliane Ploumen werd tot partijvoorzitter verkozen.

Daarna werd Pronk, inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots heeft bereikt, voorzitter van het Interkerkelijke Vredesberaad.

Jan Pronk deel 2

vrijdag 24 juli 1992, 09:10 uur

Zijne Excellentie ging er eens goed voor zitten, op 24 juli 1992 was minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking onze gast.
Jan Pronk nam al vanaf 1973 – het kabinet-Den Uyl – met (kleine) tussenpozen deel uit van de Nederlandse regering, tot dan toe altijd met ontwikkelingssamenwerking in zijn portefeuille – afgezien van een korte periode in het begin van 1991 toen hij zijn collega Ter Beek van Defensie moest vervangen. Gedurende vijf uur praatten de heren Simonse en Pronk over het leven, de wereld en de politiek.
------------------------------------------------

Biografie Jan Pronk
geb. 16 maart 1940
Johannes Pieter Pronk komt op 16 maart 1940 ter wereld in Scheveningen. Zijn vader was onderwijzer, het gezin gereformeerd. Hij ging in Den Haag naar het Zandvlietcollege waar hij het gymnasium doorliep en studeerde vervolgens aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam – wat sinds 1973 de Erasmusuniversiteit is. Zijn sociale betrokkenheid bleek al tijdens zijn studententijd – hij vaarde vaak mee met de Henri Dunant, de boot van het Rode Kruis, waarmee gehandicapten een paar dagen erop uit konden.

Na zijn afstuderen vond hij een baan bij het Centrum voor Ontwikkelingsprogrammering van zijn hogeschool en het Nederlands Economisch Instituut als wetenschappelijk medewerker. Hij werkte daar naast de vermaarde econoom Jan Tinbergen.

Voor de politiek begon hij zich in het midden van de jaren zestig te interesseren. Zijn keuze viel op de Partij van de Arbeid. Van 1966 tot 1971 was hij afdelingsvoorzitter van Krimpen aan de Lek. Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 werd de 31-jarige lid van het parlement. Hij maakte onderdeel uit van Nieuw Links, de vernieuwingsbeweging binnen de PvdA en was lid van de commissie-Mansholt, die onderzocht wat het alarmerende rapport van de Club van Rome, die wetenschappelijk onderzoek had gedaan naar hoe de toekomst van de wereld er wat betreft bevolkingsomvang en milieubelasting, voor Nederland betekende.

Pronks ster rees snel. Na een korte tijd europarlementariër te zijn geweest in 1973, trad hij in hetzelfde jaar toe tot het kabinet van Joop den Uyl. Met zijn 33 jaar was hij één van de jongste ministers in Nederland ooit. Het kabinet-Den Uyl stond bekend om zijn linkse signatuur en bevlogenheid. Daar heeft de jonge Pronk zeker zijn deel aan bijgedragen.

Toen het kabinet-Den Uyl in 1977 geen doorstart kreeg, werd Pronk weer kamerlid. In 1980 vertrok hij voor enkele jaren uit de Kamer om adjunct-secretaris-generaal te worden van UNCTAD, de VN-conferentie voor handel en ontwikkeling. Zes jaar later keerde hij terug in de Tweede Kamer en in 1989 werd hij opnieuw minister van Ontwikkelingssamenwerking, ditmaal in het tweede kabinet-Lubbers, dat door de CDA en de PvdA werd gevormd. Hij behield die post in het eerste kabinet-Kok en werd in het tweede kabinet-Kok minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Pronk leek niet weg te branden.

De functie van Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties werd voor zijn neus weggekaapt door Ruud Lubbers. Hij bleef minister in Kok-II, maar was de eerste om te zeggen dat hij, als lid van Kok-I moest aftreden – en de rest van het kabinet met hem – toen uit het NIOD-rapport ui 2002 bleek hoe de val van de moslimenclave Srebrenica in zijn werk is gegaan.

In 2004 werd Pronk tot bijzonder VN-gezant voor Soedan benoemd. Hij moest het lot van de mensen in Darfur zien te verbeteren, een welhaast onmogelijke opgave. In oktober 2006 eisten de Soedanese autoriteiten, die Pronk niet had gespaard in zijn kritiek, hem het land te verlaten.

Dan maar weer terug naar Nederland, zal hij gedacht hebben. In augustus van het jaar daarop deed hij een gooi naar het partijleiderschap van de Partij van de Arbeid. In de campagne deed hij als vanouds boude uitspraken. Zo noemde hij premier Balkenende een “leugenaar” en zei hij dat “Nederland op een schandelijke wijze de Irak-oorlog [is] ingerommeld”. Hij bood snel zijn excuses aan, maar het mocht niet baten; Liliane Ploumen werd tot partijvoorzitter verkozen.

Daarna werd Pronk, inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots heeft bereikt, voorzitter van het Interkerkelijke Vredesberaad.

Jan Pronk deel 1

vrijdag 24 juli 1992, 09:00 uur

Zijne Excellentie ging er eens goed voor zitten, op 24 juli 1992 was minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking onze gast.
Jan Pronk nam al vanaf 1973 – het kabinet-Den Uyl – met (kleine) tussenpozen deel uit van de Nederlandse regering, tot dan toe altijd met ontwikkelingssamenwerking in zijn portefeuille – afgezien van een korte periode in het begin van 1991 toen hij zijn collega Ter Beek van Defensie moest vervangen. Gedurende vijf uur praatten de heren Simonse en Pronk over het leven, de wereld en de politiek.
------------------------------------------------

Biografie Jan Pronk
geb. 16 maart 1940
Johannes Pieter Pronk komt op 16 maart 1940 ter wereld in Scheveningen. Zijn vader was onderwijzer, het gezin gereformeerd. Hij ging in Den Haag naar het Zandvlietcollege waar hij het gymnasium doorliep en studeerde vervolgens aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam – wat sinds 1973 de Erasmusuniversiteit is. Zijn sociale betrokkenheid bleek al tijdens zijn studententijd – hij vaarde vaak mee met de Henri Dunant, de boot van het Rode Kruis, waarmee gehandicapten een paar dagen erop uit konden.

Na zijn afstuderen vond hij een baan bij het Centrum voor Ontwikkelingsprogrammering van zijn hogeschool en het Nederlands Economisch Instituut als wetenschappelijk medewerker. Hij werkte daar naast de vermaarde econoom Jan Tinbergen.

Voor de politiek begon hij zich in het midden van de jaren zestig te interesseren. Zijn keuze viel op de Partij van de Arbeid. Van 1966 tot 1971 was hij afdelingsvoorzitter van Krimpen aan de Lek. Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 werd de 31-jarige lid van het parlement. Hij maakte onderdeel uit van Nieuw Links, de vernieuwingsbeweging binnen de PvdA en was lid van de commissie-Mansholt, die onderzocht wat het alarmerende rapport van de Club van Rome, die wetenschappelijk onderzoek had gedaan naar hoe de toekomst van de wereld er wat betreft bevolkingsomvang en milieubelasting, voor Nederland betekende.

Pronks ster rees snel. Na een korte tijd europarlementariër te zijn geweest in 1973, trad hij in hetzelfde jaar toe tot het kabinet van Joop den Uyl. Met zijn 33 jaar was hij één van de jongste ministers in Nederland ooit. Het kabinet-Den Uyl stond bekend om zijn linkse signatuur en bevlogenheid. Daar heeft de jonge Pronk zeker zijn deel aan bijgedragen.

Toen het kabinet-Den Uyl in 1977 geen doorstart kreeg, werd Pronk weer kamerlid. In 1980 vertrok hij voor enkele jaren uit de Kamer om adjunct-secretaris-generaal te worden van UNCTAD, de VN-conferentie voor handel en ontwikkeling. Zes jaar later keerde hij terug in de Tweede Kamer en in 1989 werd hij opnieuw minister van Ontwikkelingssamenwerking, ditmaal in het tweede kabinet-Lubbers, dat door de CDA en de PvdA werd gevormd. Hij behield die post in het eerste kabinet-Kok en werd in het tweede kabinet-Kok minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Pronk leek niet weg te branden.

De functie van Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties werd voor zijn neus weggekaapt door Ruud Lubbers. Hij bleef minister in Kok-II, maar was de eerste om te zeggen dat hij, als lid van Kok-I moest aftreden – en de rest van het kabinet met hem – toen uit het NIOD-rapport ui 2002 bleek hoe de val van de moslimenclave Srebrenica in zijn werk is gegaan.

In 2004 werd Pronk tot bijzonder VN-gezant voor Soedan benoemd. Hij moest het lot van de mensen in Darfur zien te verbeteren, een welhaast onmogelijke opgave. In oktober 2006 eisten de Soedanese autoriteiten, die Pronk niet had gespaard in zijn kritiek, hem het land te verlaten.

Dan maar weer terug naar Nederland, zal hij gedacht hebben. In augustus van het jaar daarop deed hij een gooi naar het partijleiderschap van de Partij van de Arbeid. In de campagne deed hij als vanouds boude uitspraken. Zo noemde hij premier Balkenende een “leugenaar” en zei hij dat “Nederland op een schandelijke wijze de Irak-oorlog [is] ingerommeld”. Hij bood snel zijn excuses aan, maar het mocht niet baten; Liliane Ploumen werd tot partijvoorzitter verkozen.

Daarna werd Pronk, inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots heeft bereikt, voorzitter van het Interkerkelijke Vredesberaad.

Jan Montyn deel 5

vrijdag 17 juli 1992, 09:40 uur

Vechten, schilderen, etsen, feesten, helpen: doen
Saai kunnen we het leven van Jan Montyn niet noemen. Hij heeft veel gezien, maar vooral veel gedaan. Hij vocht aan Duitse zijde aan het Oostfront in de Tweede Wereldoorlog, vierde successen met zijn schilderijen, tekeningen en etsen en hielp kinderen in oorlogsgebieden. Chris Kijne sprak in de zomer van 1992 vijf uur lang met de doener over zijn werk en leven.

----------------------------------

Jan Montyn

Jan Montyn werd op 13 november 1924 in Oudewater geboren. Hij groeit op in een streng-gereformeerd gezin, waar hij in de Tweede Wereldoorlog aan hoopt te ontsnappen door bij de Duitse marine te gaan. Hij wordt naar het Oostfront gestuurd en komt in de loopgravenoorlog terecht.

Na de oorlog meldt hij zich eerst bij het vreemdelingenlegioen, maar ontsnapt als het niet blijkt te zijn wat hij zoekt. Teruggekeerd in Nederland moet hij in een heropvoedingsgesticht. In Oudewater heeft nooit iemand wat van zijn oorlogsverleden gezegd, maar daarbuiten werd hij als collaborateur gebrandmerkt: “Ik heb in mijn leven natuurlijk wel het een en ander naar mijn hoofd geslingerd gekregen, maar niet in Oudewater. Daar zijn ze tolerant.”

Daarna meldt hij zich aan om in de Koreaanse oorlog te dienen bij een Nederlandse legergroep. Hij raakt gewond en keert als held terug naar het vaderland. Met deze daad rehabiliteert hij zich in de ogen van de Nederlandse regering en hij wordt niet langer als ‘fout’ beschouwt. Wel slaat de ‘frontkolder’ toe, vooral door alles wat hij in Korea had gezien. Veel drank en veel vechtpartijen. Hij werd in ‘Hare Majesteits Gekkenhuis’ opgenomen. Na negen maanden waarin hij alles wat hij had gezien en meegemaakt had opgeschreven, liet dokter Martens hem gaan. “Nu weet ik het wel zo’n beetje”, had de psychiater gezegd.

In die periode in het gesticht heeft Montyn veel geschilderd. Toen hij vrij was, hield hij zijn militaire loopbaan voor gezien en ging als kunstschilder aan de slag in Amsterdam. Ergens in de jaren zestig zag hij een demonstratie tegen de oorlog in Vietnam aan zich voorbij trekken. Een man naast hem vroeg hem of hij het erg vond wat daar gebeurde: “Natuurlijk, maar we staan toch machteloos.” “Heb je zin om kinderen weg te halen van het slagveld? Die liggen daar te rotten en niemand kijkt naar ze om.” Een paar dagen later was Montyn op weg naar Bangkok, voor een medische opleiding, speciaal om gewonde kinderen te helpen. Sindsdien helpt hij kinderen in heel Zuid-Oostazië, van Cambodja tot Vietnam.

Zo’n biografie is voer voor een roman. Dat dacht ook Dirk Ayelt Kooiman, die in 1982 een roman schreef, gebaseerd op Montyns leven, getiteld Montyn. Het boek staat nog op menig boekenlijst voor middelbare scholieren.

Zijn schilderkunst heeft hem internationale bekendheid opgeleverd en wordt tentoongesteld over de hele wereld, waaronder het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Museum of Modern Art in New York..

Jan Montyn deel 4

vrijdag 17 juli 1992, 09:30 uur

Vechten, schilderen, etsen, feesten, helpen: doen
Saai kunnen we het leven van Jan Montyn niet noemen. Hij heeft veel gezien, maar vooral veel gedaan. Hij vocht aan Duitse zijde aan het Oostfront in de Tweede Wereldoorlog, vierde successen met zijn schilderijen, tekeningen en etsen en hielp kinderen in oorlogsgebieden. Chris Kijne sprak in de zomer van 1992 vijf uur lang met de doener over zijn werk en leven.

----------------------------------

Jan Montyn

Jan Montyn werd op 13 november 1924 in Oudewater geboren. Hij groeit op in een streng-gereformeerd gezin, waar hij in de Tweede Wereldoorlog aan hoopt te ontsnappen door bij de Duitse marine te gaan. Hij wordt naar het Oostfront gestuurd en komt in de loopgravenoorlog terecht.

Na de oorlog meldt hij zich eerst bij het vreemdelingenlegioen, maar ontsnapt als het niet blijkt te zijn wat hij zoekt. Teruggekeerd in Nederland moet hij in een heropvoedingsgesticht. In Oudewater heeft nooit iemand wat van zijn oorlogsverleden gezegd, maar daarbuiten werd hij als collaborateur gebrandmerkt: “Ik heb in mijn leven natuurlijk wel het een en ander naar mijn hoofd geslingerd gekregen, maar niet in Oudewater. Daar zijn ze tolerant.”

Daarna meldt hij zich aan om in de Koreaanse oorlog te dienen bij een Nederlandse legergroep. Hij raakt gewond en keert als held terug naar het vaderland. Met deze daad rehabiliteert hij zich in de ogen van de Nederlandse regering en hij wordt niet langer als ‘fout’ beschouwt. Wel slaat de ‘frontkolder’ toe, vooral door alles wat hij in Korea had gezien. Veel drank en veel vechtpartijen. Hij werd in ‘Hare Majesteits Gekkenhuis’ opgenomen. Na negen maanden waarin hij alles wat hij had gezien en meegemaakt had opgeschreven, liet dokter Martens hem gaan. “Nu weet ik het wel zo’n beetje”, had de psychiater gezegd.

In die periode in het gesticht heeft Montyn veel geschilderd. Toen hij vrij was, hield hij zijn militaire loopbaan voor gezien en ging als kunstschilder aan de slag in Amsterdam. Ergens in de jaren zestig zag hij een demonstratie tegen de oorlog in Vietnam aan zich voorbij trekken. Een man naast hem vroeg hem of hij het erg vond wat daar gebeurde: “Natuurlijk, maar we staan toch machteloos.” “Heb je zin om kinderen weg te halen van het slagveld? Die liggen daar te rotten en niemand kijkt naar ze om.” Een paar dagen later was Montyn op weg naar Bangkok, voor een medische opleiding, speciaal om gewonde kinderen te helpen. Sindsdien helpt hij kinderen in heel Zuid-Oostazië, van Cambodja tot Vietnam.

Zo’n biografie is voer voor een roman. Dat dacht ook Dirk Ayelt Kooiman, die in 1982 een roman schreef, gebaseerd op Montyns leven, getiteld Montyn. Het boek staat nog op menig boekenlijst voor middelbare scholieren.

Zijn schilderkunst heeft hem internationale bekendheid opgeleverd en wordt tentoongesteld over de hele wereld, waaronder het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Museum of Modern Art in New York.

Jan Montyn deel 3

vrijdag 17 juli 1992, 09:20 uur

Vechten, schilderen, etsen, feesten, helpen: doen
Saai kunnen we het leven van Jan Montyn niet noemen. Hij heeft veel gezien, maar vooral veel gedaan. Hij vocht aan Duitse zijde aan het Oostfront in de Tweede Wereldoorlog, vierde successen met zijn schilderijen, tekeningen en etsen en hielp kinderen in oorlogsgebieden. Chris Kijne sprak in de zomer van 1992 vijf uur lang met de doener over zijn werk en leven.

----------------------------------

Jan Montyn

Jan Montyn werd op 13 november 1924 in Oudewater geboren. Hij groeit op in een streng-gereformeerd gezin, waar hij in de Tweede Wereldoorlog aan hoopt te ontsnappen door bij de Duitse marine te gaan. Hij wordt naar het Oostfront gestuurd en komt in de loopgravenoorlog terecht.

Na de oorlog meldt hij zich eerst bij het vreemdelingenlegioen, maar ontsnapt als het niet blijkt te zijn wat hij zoekt. Teruggekeerd in Nederland moet hij in een heropvoedingsgesticht. In Oudewater heeft nooit iemand wat van zijn oorlogsverleden gezegd, maar daarbuiten werd hij als collaborateur gebrandmerkt: “Ik heb in mijn leven natuurlijk wel het een en ander naar mijn hoofd geslingerd gekregen, maar niet in Oudewater. Daar zijn ze tolerant.”

Daarna meldt hij zich aan om in de Koreaanse oorlog te dienen bij een Nederlandse legergroep. Hij raakt gewond en keert als held terug naar het vaderland. Met deze daad rehabiliteert hij zich in de ogen van de Nederlandse regering en hij wordt niet langer als ‘fout’ beschouwt. Wel slaat de ‘frontkolder’ toe, vooral door alles wat hij in Korea had gezien. Veel drank en veel vechtpartijen. Hij werd in ‘Hare Majesteits Gekkenhuis’ opgenomen. Na negen maanden waarin hij alles wat hij had gezien en meegemaakt had opgeschreven, liet dokter Martens hem gaan. “Nu weet ik het wel zo’n beetje”, had de psychiater gezegd.

In die periode in het gesticht heeft Montyn veel geschilderd. Toen hij vrij was, hield hij zijn militaire loopbaan voor gezien en ging als kunstschilder aan de slag in Amsterdam. Ergens in de jaren zestig zag hij een demonstratie tegen de oorlog in Vietnam aan zich voorbij trekken. Een man naast hem vroeg hem of hij het erg vond wat daar gebeurde: “Natuurlijk, maar we staan toch machteloos.” “Heb je zin om kinderen weg te halen van het slagveld? Die liggen daar te rotten en niemand kijkt naar ze om.” Een paar dagen later was Montyn op weg naar Bangkok, voor een medische opleiding, speciaal om gewonde kinderen te helpen. Sindsdien helpt hij kinderen in heel Zuid-Oostazië, van Cambodja tot Vietnam.

Zo’n biografie is voer voor een roman. Dat dacht ook Dirk Ayelt Kooiman, die in 1982 een roman schreef, gebaseerd op Montyns leven, getiteld Montyn. Het boek staat nog op menig boekenlijst voor middelbare scholieren.

Zijn schilderkunst heeft hem internationale bekendheid opgeleverd en wordt tentoongesteld over de hele wereld, waaronder het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Museum of Modern Art in New York.

Jan Montyn deel 2

vrijdag 17 juli 1992, 09:10 uur

Vechten, schilderen, etsen, feesten, helpen: doen
Saai kunnen we het leven van Jan Montyn niet noemen. Hij heeft veel gezien, maar vooral veel gedaan. Hij vocht aan Duitse zijde aan het Oostfront in de Tweede Wereldoorlog, vierde successen met zijn schilderijen, tekeningen en etsen en hielp kinderen in oorlogsgebieden. Chris Kijne sprak in de zomer van 1992 vijf uur lang met de doener over zijn werk en leven.

----------------------------------

Jan Montyn

Jan Montyn werd op 13 november 1924 in Oudewater geboren. Hij groeit op in een streng-gereformeerd gezin, waar hij in de Tweede Wereldoorlog aan hoopt te ontsnappen door bij de Duitse marine te gaan. Hij wordt naar het Oostfront gestuurd en komt in de loopgravenoorlog terecht.

Na de oorlog meldt hij zich eerst bij het vreemdelingenlegioen, maar ontsnapt als het niet blijkt te zijn wat hij zoekt. Teruggekeerd in Nederland moet hij in een heropvoedingsgesticht. In Oudewater heeft nooit iemand wat van zijn oorlogsverleden gezegd, maar daarbuiten werd hij als collaborateur gebrandmerkt: “Ik heb in mijn leven natuurlijk wel het een en ander naar mijn hoofd geslingerd gekregen, maar niet in Oudewater. Daar zijn ze tolerant.”

Daarna meldt hij zich aan om in de Koreaanse oorlog te dienen bij een Nederlandse legergroep. Hij raakt gewond en keert als held terug naar het vaderland. Met deze daad rehabiliteert hij zich in de ogen van de Nederlandse regering en hij wordt niet langer als ‘fout’ beschouwt. Wel slaat de ‘frontkolder’ toe, vooral door alles wat hij in Korea had gezien. Veel drank en veel vechtpartijen. Hij werd in ‘Hare Majesteits Gekkenhuis’ opgenomen. Na negen maanden waarin hij alles wat hij had gezien en meegemaakt had opgeschreven, liet dokter Martens hem gaan. “Nu weet ik het wel zo’n beetje”, had de psychiater gezegd.

In die periode in het gesticht heeft Montyn veel geschilderd. Toen hij vrij was, hield hij zijn militaire loopbaan voor gezien en ging als kunstschilder aan de slag in Amsterdam. Ergens in de jaren zestig zag hij een demonstratie tegen de oorlog in Vietnam aan zich voorbij trekken. Een man naast hem vroeg hem of hij het erg vond wat daar gebeurde: “Natuurlijk, maar we staan toch machteloos.” “Heb je zin om kinderen weg te halen van het slagveld? Die liggen daar te rotten en niemand kijkt naar ze om.” Een paar dagen later was Montyn op weg naar Bangkok, voor een medische opleiding, speciaal om gewonde kinderen te helpen. Sindsdien helpt hij kinderen in heel Zuid-Oostazië, van Cambodja tot Vietnam.

Zo’n biografie is voer voor een roman. Dat dacht ook Dirk Ayelt Kooiman, die in 1982 een roman schreef, gebaseerd op Montyns leven, getiteld Montyn. Het boek staat nog op menig boekenlijst voor middelbare scholieren.

Zijn schilderkunst heeft hem internationale bekendheid opgeleverd en wordt tentoongesteld over de hele wereld, waaronder het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Museum of Modern Art in New York.

Jan Montyn deel 1

vrijdag 17 juli 1992, 09:00 uur

Vechten, schilderen, etsen, feesten, helpen: doen
Saai kunnen we het leven van Jan Montyn niet noemen. Hij heeft veel gezien, maar vooral veel gedaan. Hij vocht aan Duitse zijde aan het Oostfront in de Tweede Wereldoorlog, vierde successen met zijn schilderijen, tekeningen en etsen en hielp kinderen in oorlogsgebieden. Chris Kijne sprak in de zomer van 1992 vijf uur lang met de doener over zijn werk en leven.

----------------------------------

Jan Montyn

Jan Montyn werd op 13 november 1924 in Oudewater geboren. Hij groeit op in een streng-gereformeerd gezin, waar hij in de Tweede Wereldoorlog aan hoopt te ontsnappen door bij de Duitse marine te gaan. Hij wordt naar het Oostfront gestuurd en komt in de loopgravenoorlog terecht.

Na de oorlog meldt hij zich eerst bij het vreemdelingenlegioen, maar ontsnapt als het niet blijkt te zijn wat hij zoekt. Teruggekeerd in Nederland moet hij in een heropvoedingsgesticht. In Oudewater heeft nooit iemand wat van zijn oorlogsverleden gezegd, maar daarbuiten werd hij als collaborateur gebrandmerkt: “Ik heb in mijn leven natuurlijk wel het een en ander naar mijn hoofd geslingerd gekregen, maar niet in Oudewater. Daar zijn ze tolerant.”

Daarna meldt hij zich aan om in de Koreaanse oorlog te dienen bij een Nederlandse legergroep. Hij raakt gewond en keert als held terug naar het vaderland. Met deze daad rehabiliteert hij zich in de ogen van de Nederlandse regering en hij wordt niet langer als ‘fout’ beschouwt. Wel slaat de ‘frontkolder’ toe, vooral door alles wat hij in Korea had gezien. Veel drank en veel vechtpartijen. Hij werd in ‘Hare Majesteits Gekkenhuis’ opgenomen. Na negen maanden waarin hij alles wat hij had gezien en meegemaakt had opgeschreven, liet dokter Martens hem gaan. “Nu weet ik het wel zo’n beetje”, had de psychiater gezegd.

In die periode in het gesticht heeft Montyn veel geschilderd. Toen hij vrij was, hield hij zijn militaire loopbaan voor gezien en ging als kunstschilder aan de slag in Amsterdam. Ergens in de jaren zestig zag hij een demonstratie tegen de oorlog in Vietnam aan zich voorbij trekken. Een man naast hem vroeg hem of hij het erg vond wat daar gebeurde: “Natuurlijk, maar we staan toch machteloos.” “Heb je zin om kinderen weg te halen van het slagveld? Die liggen daar te rotten en niemand kijkt naar ze om.” Een paar dagen later was Montyn op weg naar Bangkok, voor een medische opleiding, speciaal om gewonde kinderen te helpen. Sindsdien helpt hij kinderen in heel Zuid-Oostazië, van Cambodja tot Vietnam.

Zo’n biografie is voer voor een roman. Dat dacht ook Dirk Ayelt Kooiman, die in 1982 een roman schreef, gebaseerd op Montyns leven, getiteld Montyn. Het boek staat nog op menig boekenlijst voor middelbare scholieren.

Zijn schilderkunst heeft hem internationale bekendheid opgeleverd en wordt tentoongesteld over de hele wereld, waaronder het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Museum of Modern Art in New York.

Ward Ruyslink deel 4

vrijdag 10 juli 1992, 09:30 uur

In de speeltuin
Criticaster van het kapitalisme, dat was Ward Ruyslinck altijd al, ook toen het niet in de mode was. De Vlaamse auteur, van wie de naam vooral in de jaren zeventig en tachtig rondzong als Nobelprijs-laureaat, was in de zomer van 1992 te gast in het marathoninterview dat rechtstreeks werd uitgezonden door de VPRO-radio. Ronald van den Boogaard was gedurende vijf uur zijn gesprekspartner.

-----------------------------
Biografie Ward Ruyslinck

Raymond Charles Marie De Belser – later bekend onder het pseudoniem Ward Ruyslinck – werd geboren op 17 juni 1929 in Berchem, een district van Antwerpen. Zijn ouders zijn Leo en Germaine Nauwelaers. Vader was katholiek en bibliothecaris bij een oliemaatschappij. Als de oorlog uitbreekt en de Duitsers oprukken richting Frankrijk doet het gezin een vluchtpoging, maar strandt in Noord-Frankrijk, waarna ze weer terugkeren naar Antwerpen.

De literaire interesse van de kleine manifesteerde zich al op twaalfjarige leeftijd, toen hij de roman Vaargeulen schreef. Het werd opgestuurd naar Stijn Streuvels, de Vlaamse auteur die in die tijd als de grootste vernieuwer van de Nederlandstalige literatuur gold, maar die stuurde het ongelezen terug. Echter niet zonder er een brief met adviezen bij te voegen. Het manuscript van dit debuut ging verloren bij een bombardement op het ouderlijk huis in 1943. Ook schreef hij al gedichten en verhalen, waarvan sommigen werden gepubliceerd.

In 1947 vertrok hij naar Gent om er Germaanse Filologie te studeren. Een jaar later hield hij die studie voor gezien. Het verlies van zijn vijf jaar oudere broer zal meegespeeld hebben bij die beslissing. De Belser was er zeer door aangeslagen. Hij schrijft er In Memoriam Fratris over.

Na wat loopbaanomzwervingen komt hij terecht in de bibliotheek van het prentenkabinet van het Plantin-Moretus-museum in Antwerpen. In 1953 trouwt hij met schoolvriendin Alice Burm. Een jaar later dient enige zoon Chris zich aan. De erkenning van zijn schrijverschap volgt kort daarop. In 1956 krijgt hij de Poëzieprijs der Algemene Kunstkamer voor zijn dichtbundel Fanaal in de Mist. De novelle De Ontaarde Slapers en de roman – zijn meest succesvolle – Wierook en Tranen volgen in resp. 1957 en 1958. Het Reservaat uit 1964 krijgt de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies. Terugkerende thema’s in zijn boeken en gedichten zijn de ongelijke strijd van het individu met de rest van de maatschappij en de individuele vrijheid die een illusie blijkt te zijn. Zijn oeuvre getuigt van een sociaal engagement, maar is pessimistisch, met een satirische toon.

In de jaren zestig en zeventig maakt hij een groot aantal reizen, sommigen in opdracht van kranten en tijdschriften. Dat brengt hem onder meer naar Polen, de Sovjetunie, Argentinië en de DDR. In 1975 wordt hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, tien jaar later wordt hij er voorzitter van.

In 1990 overlijdt zijn echtgenote. Twee jaar later publiceert hij De Speeltuin dat hij samen met zijn nieuwe levenspartner Monika Macken schrijft, waarin de voormalige partners van de twee aangepakt worden.

Ward Ruyslink deel 3

vrijdag 10 juli 1992, 09:20 uur

In de speeltuin
Criticaster van het kapitalisme, dat was Ward Ruyslinck altijd al, ook toen het niet in de mode was. De Vlaamse auteur, van wie de naam vooral in de jaren zeventig en tachtig rondzong als Nobelprijs-laureaat, was in de zomer van 1992 te gast in het marathoninterview dat rechtstreeks werd uitgezonden door de VPRO-radio. Ronald van den Boogaard was gedurende vijf uur zijn gesprekspartner.

-----------------------------
Biografie Ward Ruyslinck

Raymond Charles Marie De Belser – later bekend onder het pseudoniem Ward Ruyslinck – werd geboren op 17 juni 1929 in Berchem, een district van Antwerpen. Zijn ouders zijn Leo en Germaine Nauwelaers. Vader was katholiek en bibliothecaris bij een oliemaatschappij. Als de oorlog uitbreekt en de Duitsers oprukken richting Frankrijk doet het gezin een vluchtpoging, maar strandt in Noord-Frankrijk, waarna ze weer terugkeren naar Antwerpen.

De literaire interesse van de kleine manifesteerde zich al op twaalfjarige leeftijd, toen hij de roman Vaargeulen schreef. Het werd opgestuurd naar Stijn Streuvels, de Vlaamse auteur die in die tijd als de grootste vernieuwer van de Nederlandstalige literatuur gold, maar die stuurde het ongelezen terug. Echter niet zonder er een brief met adviezen bij te voegen. Het manuscript van dit debuut ging verloren bij een bombardement op het ouderlijk huis in 1943. Ook schreef hij al gedichten en verhalen, waarvan sommigen werden gepubliceerd.

In 1947 vertrok hij naar Gent om er Germaanse Filologie te studeren. Een jaar later hield hij die studie voor gezien. Het verlies van zijn vijf jaar oudere broer zal meegespeeld hebben bij die beslissing. De Belser was er zeer door aangeslagen. Hij schrijft er In Memoriam Fratris over.

Na wat loopbaanomzwervingen komt hij terecht in de bibliotheek van het prentenkabinet van het Plantin-Moretus-museum in Antwerpen. In 1953 trouwt hij met schoolvriendin Alice Burm. Een jaar later dient enige zoon Chris zich aan. De erkenning van zijn schrijverschap volgt kort daarop. In 1956 krijgt hij de Poëzieprijs der Algemene Kunstkamer voor zijn dichtbundel Fanaal in de Mist. De novelle De Ontaarde Slapers en de roman – zijn meest succesvolle – Wierook en Tranen volgen in resp. 1957 en 1958. Het Reservaat uit 1964 krijgt de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies. Terugkerende thema’s in zijn boeken en gedichten zijn de ongelijke strijd van het individu met de rest van de maatschappij en de individuele vrijheid die een illusie blijkt te zijn. Zijn oeuvre getuigt van een sociaal engagement, maar is pessimistisch, met een satirische toon.

In de jaren zestig en zeventig maakt hij een groot aantal reizen, sommigen in opdracht van kranten en tijdschriften. Dat brengt hem onder meer naar Polen, de Sovjetunie, Argentinië en de DDR. In 1975 wordt hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, tien jaar later wordt hij er voorzitter van.

In 1990 overlijdt zijn echtgenote. Twee jaar later publiceert hij De Speeltuin dat hij samen met zijn nieuwe levenspartner Monika Macken schrijft, waarin de voormalige partners van de twee aangepakt worden.

Ward Ruyslink deel 2

vrijdag 10 juli 1992, 09:10 uur

In de speeltuin
Criticaster van het kapitalisme, dat was Ward Ruyslinck altijd al, ook toen het niet in de mode was. De Vlaamse auteur, van wie de naam vooral in de jaren zeventig en tachtig rondzong als Nobelprijs-laureaat, was in de zomer van 1992 te gast in het marathoninterview dat rechtstreeks werd uitgezonden door de VPRO-radio. Ronald van den Boogaard was gedurende vijf uur zijn gesprekspartner.

-----------------------------
Biografie Ward Ruyslinck

Raymond Charles Marie De Belser – later bekend onder het pseudoniem Ward Ruyslinck – werd geboren op 17 juni 1929 in Berchem, een district van Antwerpen. Zijn ouders zijn Leo en Germaine Nauwelaers. Vader was katholiek en bibliothecaris bij een oliemaatschappij. Als de oorlog uitbreekt en de Duitsers oprukken richting Frankrijk doet het gezin een vluchtpoging, maar strandt in Noord-Frankrijk, waarna ze weer terugkeren naar Antwerpen.

De literaire interesse van de kleine manifesteerde zich al op twaalfjarige leeftijd, toen hij de roman Vaargeulen schreef. Het werd opgestuurd naar Stijn Streuvels, de Vlaamse auteur die in die tijd als de grootste vernieuwer van de Nederlandstalige literatuur gold, maar die stuurde het ongelezen terug. Echter niet zonder er een brief met adviezen bij te voegen. Het manuscript van dit debuut ging verloren bij een bombardement op het ouderlijk huis in 1943. Ook schreef hij al gedichten en verhalen, waarvan sommigen werden gepubliceerd.

In 1947 vertrok hij naar Gent om er Germaanse Filologie te studeren. Een jaar later hield hij die studie voor gezien. Het verlies van zijn vijf jaar oudere broer zal meegespeeld hebben bij die beslissing. De Belser was er zeer door aangeslagen. Hij schrijft er In Memoriam Fratris over.

Na wat loopbaanomzwervingen komt hij terecht in de bibliotheek van het prentenkabinet van het Plantin-Moretus-museum in Antwerpen. In 1953 trouwt hij met schoolvriendin Alice Burm. Een jaar later dient enige zoon Chris zich aan. De erkenning van zijn schrijverschap volgt kort daarop. In 1956 krijgt hij de Poëzieprijs der Algemene Kunstkamer voor zijn dichtbundel Fanaal in de Mist. De novelle De Ontaarde Slapers en de roman – zijn meest succesvolle – Wierook en Tranen volgen in resp. 1957 en 1958. Het Reservaat uit 1964 krijgt de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies. Terugkerende thema’s in zijn boeken en gedichten zijn de ongelijke strijd van het individu met de rest van de maatschappij en de individuele vrijheid die een illusie blijkt te zijn. Zijn oeuvre getuigt van een sociaal engagement, maar is pessimistisch, met een satirische toon.

In de jaren zestig en zeventig maakt hij een groot aantal reizen, sommigen in opdracht van kranten en tijdschriften. Dat brengt hem onder meer naar Polen, de Sovjetunie, Argentinië en de DDR. In 1975 wordt hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, tien jaar later wordt hij er voorzitter van.

In 1990 overlijdt zijn echtgenote. Twee jaar later publiceert hij De Speeltuin dat hij samen met zijn nieuwe levenspartner Monika Macken schrijft, waarin de voormalige partners van de twee aangepakt worden.

Ward Ruyslink deel 1

vrijdag 10 juli 1992, 09:00 uur

In de speeltuin
Criticaster van het kapitalisme, dat was Ward Ruyslinck altijd al, ook toen het niet in de mode was. De Vlaamse auteur, van wie de naam vooral in de jaren zeventig en tachtig rondzong als Nobelprijs-laureaat, was in de zomer van 1992 te gast in het marathoninterview dat rechtstreeks werd uitgezonden door de VPRO-radio. Ronald van den Boogaard was gedurende vijf uur zijn gesprekspartner.

-----------------------------
Biografie Ward Ruyslinck

Raymond Charles Marie De Belser – later bekend onder het pseudoniem Ward Ruyslinck – werd geboren op 17 juni 1929 in Berchem, een district van Antwerpen. Zijn ouders zijn Leo en Germaine Nauwelaers. Vader was katholiek en bibliothecaris bij een oliemaatschappij. Als de oorlog uitbreekt en de Duitsers oprukken richting Frankrijk doet het gezin een vluchtpoging, maar strandt in Noord-Frankrijk, waarna ze weer terugkeren naar Antwerpen.

De literaire interesse van de kleine manifesteerde zich al op twaalfjarige leeftijd, toen hij de roman Vaargeulen schreef. Het werd opgestuurd naar Stijn Streuvels, de Vlaamse auteur die in die tijd als de grootste vernieuwer van de Nederlandstalige literatuur gold, maar die stuurde het ongelezen terug. Echter niet zonder er een brief met adviezen bij te voegen. Het manuscript van dit debuut ging verloren bij een bombardement op het ouderlijk huis in 1943. Ook schreef hij al gedichten en verhalen, waarvan sommigen werden gepubliceerd.

In 1947 vertrok hij naar Gent om er Germaanse Filologie te studeren. Een jaar later hield hij die studie voor gezien. Het verlies van zijn vijf jaar oudere broer zal meegespeeld hebben bij die beslissing. De Belser was er zeer door aangeslagen. Hij schrijft er In Memoriam Fratris over.

Na wat loopbaanomzwervingen komt hij terecht in de bibliotheek van het prentenkabinet van het Plantin-Moretus-museum in Antwerpen. In 1953 trouwt hij met schoolvriendin Alice Burm. Een jaar later dient enige zoon Chris zich aan. De erkenning van zijn schrijverschap volgt kort daarop. In 1956 krijgt hij de Poëzieprijs der Algemene Kunstkamer voor zijn dichtbundel Fanaal in de Mist. De novelle De Ontaarde Slapers en de roman – zijn meest succesvolle – Wierook en Tranen volgen in resp. 1957 en 1958. Het Reservaat uit 1964 krijgt de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies. Terugkerende thema’s in zijn boeken en gedichten zijn de ongelijke strijd van het individu met de rest van de maatschappij en de individuele vrijheid die een illusie blijkt te zijn. Zijn oeuvre getuigt van een sociaal engagement, maar is pessimistisch, met een satirische toon.

In de jaren zestig en zeventig maakt hij een groot aantal reizen, sommigen in opdracht van kranten en tijdschriften. Dat brengt hem onder meer naar Polen, de Sovjetunie, Argentinië en de DDR. In 1975 wordt hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, tien jaar later wordt hij er voorzitter van.

In 1990 overlijdt zijn echtgenote. Twee jaar later publiceert hij De Speeltuin dat hij samen met zijn nieuwe levenspartner Monika Macken schrijft, waarin de voormalige partners van de twee aangepakt worden.

Ward Ruyslink: uur 5

donderdag 9 juli 1992, 23:40 uur

In de speeltuin
Criticaster van het kapitalisme, dat was Ward Ruyslinck altijd al, ook toen het niet in de mode was. De Vlaamse auteur, van wie de naam vooral in de jaren zeventig en tachtig rondzong als Nobelprijs-laureaat, was in de zomer van 1992 te gast in het marathoninterview dat rechtstreeks werd uitgezonden door de VPRO-radio. Ronald van den Boogaard was gedurende vijf uur zijn gesprekspartner.

-----------------------------
Biografie Ward Ruyslinck

Raymond Charles Marie De Belser – later bekend onder het pseudoniem Ward Ruyslinck – werd geboren op 17 juni 1929 in Berchem, een district van Antwerpen. Zijn ouders zijn Leo en Germaine Nauwelaers. Vader was katholiek en bibliothecaris bij een oliemaatschappij. Als de oorlog uitbreekt en de Duitsers oprukken richting Frankrijk doet het gezin een vluchtpoging, maar strandt in Noord-Frankrijk, waarna ze weer terugkeren naar Antwerpen.

De literaire interesse van de kleine manifesteerde zich al op twaalfjarige leeftijd, toen hij de roman Vaargeulen schreef. Het werd opgestuurd naar Stijn Streuvels, de Vlaamse auteur die in die tijd als de grootste vernieuwer van de Nederlandstalige literatuur gold, maar die stuurde het ongelezen terug. Echter niet zonder er een brief met adviezen bij te voegen. Het manuscript van dit debuut ging verloren bij een bombardement op het ouderlijk huis in 1943. Ook schreef hij al gedichten en verhalen, waarvan sommigen werden gepubliceerd.

In 1947 vertrok hij naar Gent om er Germaanse Filologie te studeren. Een jaar later hield hij die studie voor gezien. Het verlies van zijn vijf jaar oudere broer zal meegespeeld hebben bij die beslissing. De Belser was er zeer door aangeslagen. Hij schrijft er In Memoriam Fratris over.

Na wat loopbaanomzwervingen komt hij terecht in de bibliotheek van het prentenkabinet van het Plantin-Moretus-museum in Antwerpen. In 1953 trouwt hij met schoolvriendin Alice Burm. Een jaar later dient enige zoon Chris zich aan. De erkenning van zijn schrijverschap volgt kort daarop. In 1956 krijgt hij de Poëzieprijs der Algemene Kunstkamer voor zijn dichtbundel Fanaal in de Mist. De novelle De Ontaarde Slapers en de roman – zijn meest succesvolle – Wierook en Tranen volgen in resp. 1957 en 1958. Het Reservaat uit 1964 krijgt de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies. Terugkerende thema’s in zijn boeken en gedichten zijn de ongelijke strijd van het individu met de rest van de maatschappij en de individuele vrijheid die een illusie blijkt te zijn. Zijn oeuvre getuigt van een sociaal engagement, maar is pessimistisch, met een satirische toon.

In de jaren zestig en zeventig maakt hij een groot aantal reizen, sommigen in opdracht van kranten en tijdschriften. Dat brengt hem onder meer naar Polen, de Sovjetunie, Argentinië en de DDR. In 1975 wordt hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, tien jaar later wordt hij er voorzitter van.

In 1990 overlijdt zijn echtgenote. Twee jaar later publiceert hij De Speeltuin dat hij samen met zijn nieuwe levenspartner Monika Macken schrijft, waarin de voormalige partners van de twee aangepakt worden.

Huib Drion deel 3

vrijdag 3 juli 1992, 11:20 uur

De pil van Drion, daar hebben we allemaal wel eens van gehoord. De man achter de pil heette Huibert (Huib) Drion. In het jaar voor zijn interview met Karen de Bock veroorzaakte de rechtsgeleerde een roerige maatschappelijke discussie door te pleiten voor een middel waarmee ouderen, die hun leven wilden beëindigen, dat op een humane manier konden doen. De discussie is er nog steeds, haar grootste pleitbezorger inmiddels niet meer, hij overleed in 2004. Luistert u hier naar het vijf uur durend interview van 3 juli 1992.

---------------------------
Biografie Huib Drion

Huibert Drion werd op 25 april 1917 in Den Haag geboren in een gezin van zes kinderen. Zijn vader Frans Drion was kamerlid voor de Liberale Staatspartij, de voorloper van de VVD. Het vrijheidsdenken werd hem dus met de paplepel ingegoten.

Drion gaat Rechten studeren in Leiden. Hij houdt buitengewoon veel van de klassieken, maar weet niet goed wat hij wil studeren en dus wordt het Rechten. Ondanks het feit dat hij geen lid wordt van een studentenvereniging en zichzelf als een obscure student betitelt, wordt hij in 1938 voorzitter van de Leidse tak van het Comité van Waakzaamheid, dat tegen het nationaalsocialisme waarschuwt.

Als de oorlog uitbreekt, schrijft, stencilt en geeft hij grotendeels samen met zijn broer Jan het verzetsblad De Geus uit, waarin onder andere Duitse propaganda doorgeprikt werd en collaborerende universiteitsmedewerkers op een zwarte lijst werden gezet. Een gevaarlijke bezigheid, maar of het zijn zijn dood kon worden “daar dacht ik niet over na. Als je begon te twijfelen, kon je er maar beter mee ophouden. Ik weet wel dat mijn moeder bang was dat mijn broer en mij iets zouden overkomen. Maar nooit heeft ze ons gevraagd ermee op te houden”. Gedurende de hele oorlog brachten ze het blad uit. Aan het eind van de oorlog heeft het blad een oplage van 5000 exemplaren.

Na de oorlog gaat hij door met zijn studie Rechten en na zijn studie schrijft hij aan zijn proefschrift. In 1954, nadat hij ook nog een jaar aan de prestigieuze universiteit van Harvard heeft gestudeerd, promoveert hij met ‘Limitations of Liabilities in International Air Law’. Vier jaar later wordt hij hoogleraar burgerlijk recht in Leiden.

In 1969 begint zijn loopbaan bij de Hoge Raad, waar hij later nog vice-president van zal worden. Over die tijd zei hij zelf in een interview met het Leids Univeritair Weekblad Mare: “Mijn mooiste tijd, wat recht betreft, heb ik beleefd in de Hoge Raad. Heerlijk praten over de toepassing van de wet zonder dat je te maken hebt met ellebogenwerk of ambities die een goede discussie in de weg zitten.”

Het grote publiek leerde hem kennen via een artikel in het NRC Handelsblad van 19 oktober 1991, ‘Het zelfgewilde einde van oude mensen’, waarin hij pleit voor een euthanasiemiddel voor 75-plussers die levensmoe zijn. Over een pil wordt in het artikel nooit gesproken. Ruim tien jaar later zei hij er dit over: “Het is niet meer dan een paar alinea’s die ik had opgeschreven toen mijn schoonzus ooit eens hardop nadacht over zo’n middel. Ik had geen flauw idee dat het zo’n ophef zou veroorzaken toen ik het naar de NRC opstuurde… Maar mijn intentie is nog steeds onveranderd. Het is toch afschuwelijk om je vader of je partner opgehangen te vinden? Dat kan anders. Of mensen die in een bejaardentehuis alleen maar wat zitten te mummelen en wiens leven volledig door anderen wordt gerund. Walgelijk lijkt me dat. Een pil kan dan uitkomst bieden.”

Huib Drion stierf op 20 april 2004, bijna 87 jaar oud in Leiden.

Huib Drion deel 5

vrijdag 3 juli 1992, 09:50 uur

De pil van Drion, daar hebben we allemaal wel eens van gehoord. De man achter de pil heette Huibert (Huib) Drion. In het jaar voor zijn interview met Karen de Bock veroorzaakte de rechtsgeleerde een roerige maatschappelijke discussie door te pleiten voor een middel waarmee ouderen, die hun leven wilden beëindigen, dat op een humane manier konden doen. De discussie is er nog steeds, haar grootste pleitbezorger inmiddels niet meer, hij overleed in 2004. Luistert u hier naar het vijf uur durend interview van 3 juli 1992.

---------------------------
Biografie Huib Drion

Huibert Drion werd op 25 april 1917 in Den Haag geboren in een gezin van zes kinderen. Zijn vader Frans Drion was kamerlid voor de Liberale Staatspartij, de voorloper van de VVD. Het vrijheidsdenken werd hem dus met de paplepel ingegoten.

Drion gaat Rechten studeren in Leiden. Hij houdt buitengewoon veel van de klassieken, maar weet niet goed wat hij wil studeren en dus wordt het Rechten. Ondanks het feit dat hij geen lid wordt van een studentenvereniging en zichzelf als een obscure student betitelt, wordt hij in 1938 voorzitter van de Leidse tak van het Comité van Waakzaamheid, dat tegen het nationaalsocialisme waarschuwt.

Als de oorlog uitbreekt, schrijft, stencilt en geeft hij grotendeels samen met zijn broer Jan het verzetsblad De Geus uit, waarin onder andere Duitse propaganda doorgeprikt werd en collaborerende universiteitsmedewerkers op een zwarte lijst werden gezet. Een gevaarlijke bezigheid, maar of het zijn zijn dood kon worden “daar dacht ik niet over na. Als je begon te twijfelen, kon je er maar beter mee ophouden. Ik weet wel dat mijn moeder bang was dat mijn broer en mij iets zouden overkomen. Maar nooit heeft ze ons gevraagd ermee op te houden”. Gedurende de hele oorlog brachten ze het blad uit. Aan het eind van de oorlog heeft het blad een oplage van 5000 exemplaren.

Na de oorlog gaat hij door met zijn studie Rechten en na zijn studie schrijft hij aan zijn proefschrift. In 1954, nadat hij ook nog een jaar aan de prestigieuze universiteit van Harvard heeft gestudeerd, promoveert hij met ‘Limitations of Liabilities in International Air Law’. Vier jaar later wordt hij hoogleraar burgerlijk recht in Leiden.

In 1969 begint zijn loopbaan bij de Hoge Raad, waar hij later nog vice-president van zal worden. Over die tijd zei hij zelf in een interview met het Leids Univeritair Weekblad Mare: “Mijn mooiste tijd, wat recht betreft, heb ik beleefd in de Hoge Raad. Heerlijk praten over de toepassing van de wet zonder dat je te maken hebt met ellebogenwerk of ambities die een goede discussie in de weg zitten.”

Het grote publiek leerde hem kennen via een artikel in het NRC Handelsblad van 19 oktober 1991, ‘Het zelfgewilde einde van oude mensen’, waarin hij pleit voor een euthanasiemiddel voor 75-plussers die levensmoe zijn. Over een pil wordt in het artikel nooit gesproken. Ruim tien jaar later zei hij er dit over: “Het is niet meer dan een paar alinea’s die ik had opgeschreven toen mijn schoonzus ooit eens hardop nadacht over zo’n middel. Ik had geen flauw idee dat het zo’n ophef zou veroorzaken toen ik het naar de NRC opstuurde… Maar mijn intentie is nog steeds onveranderd. Het is toch afschuwelijk om je vader of je partner opgehangen te vinden? Dat kan anders. Of mensen die in een bejaardentehuis alleen maar wat zitten te mummelen en wiens leven volledig door anderen wordt gerund. Walgelijk lijkt me dat. Een pil kan dan uitkomst bieden.”

Huib Drion stierf op 20 april 2004, bijna 87 jaar oud in Leiden.

Huib Drion deel 4

vrijdag 3 juli 1992, 09:40 uur

De pil van Drion, daar hebben we allemaal wel eens van gehoord. De man achter de pil heette Huibert (Huib) Drion. In het jaar voor zijn interview met Karen de Bock veroorzaakte de rechtsgeleerde een roerige maatschappelijke discussie door te pleiten voor een middel waarmee ouderen, die hun leven wilden beëindigen, dat op een humane manier konden doen. De discussie is er nog steeds, haar grootste pleitbezorger inmiddels niet meer, hij overleed in 2004. Luistert u hier naar het vijf uur durend interview van 3 juli 1992.

---------------------------
Biografie Huib Drion

Huibert Drion werd op 25 april 1917 in Den Haag geboren in een gezin van zes kinderen. Zijn vader Frans Drion was kamerlid voor de Liberale Staatspartij, de voorloper van de VVD. Het vrijheidsdenken werd hem dus met de paplepel ingegoten.

Drion gaat Rechten studeren in Leiden. Hij houdt buitengewoon veel van de klassieken, maar weet niet goed wat hij wil studeren en dus wordt het Rechten. Ondanks het feit dat hij geen lid wordt van een studentenvereniging en zichzelf als een obscure student betitelt, wordt hij in 1938 voorzitter van de Leidse tak van het Comité van Waakzaamheid, dat tegen het nationaalsocialisme waarschuwt.

Als de oorlog uitbreekt, schrijft, stencilt en geeft hij grotendeels samen met zijn broer Jan het verzetsblad De Geus uit, waarin onder andere Duitse propaganda doorgeprikt werd en collaborerende universiteitsmedewerkers op een zwarte lijst werden gezet. Een gevaarlijke bezigheid, maar of het zijn zijn dood kon worden “daar dacht ik niet over na. Als je begon te twijfelen, kon je er maar beter mee ophouden. Ik weet wel dat mijn moeder bang was dat mijn broer en mij iets zouden overkomen. Maar nooit heeft ze ons gevraagd ermee op te houden”. Gedurende de hele oorlog brachten ze het blad uit. Aan het eind van de oorlog heeft het blad een oplage van 5000 exemplaren.

Na de oorlog gaat hij door met zijn studie Rechten en na zijn studie schrijft hij aan zijn proefschrift. In 1954, nadat hij ook nog een jaar aan de prestigieuze universiteit van Harvard heeft gestudeerd, promoveert hij met ‘Limitations of Liabilities in International Air Law’. Vier jaar later wordt hij hoogleraar burgerlijk recht in Leiden.

In 1969 begint zijn loopbaan bij de Hoge Raad, waar hij later nog vice-president van zal worden. Over die tijd zei hij zelf in een interview met het Leids Univeritair Weekblad Mare: “Mijn mooiste tijd, wat recht betreft, heb ik beleefd in de Hoge Raad. Heerlijk praten over de toepassing van de wet zonder dat je te maken hebt met ellebogenwerk of ambities die een goede discussie in de weg zitten.”

Het grote publiek leerde hem kennen via een artikel in het NRC Handelsblad van 19 oktober 1991, ‘Het zelfgewilde einde van oude mensen’, waarin hij pleit voor een euthanasiemiddel voor 75-plussers die levensmoe zijn. Over een pil wordt in het artikel nooit gesproken. Ruim tien jaar later zei hij er dit over: “Het is niet meer dan een paar alinea’s die ik had opgeschreven toen mijn schoonzus ooit eens hardop nadacht over zo’n middel. Ik had geen flauw idee dat het zo’n ophef zou veroorzaken toen ik het naar de NRC opstuurde… Maar mijn intentie is nog steeds onveranderd. Het is toch afschuwelijk om je vader of je partner opgehangen te vinden? Dat kan anders. Of mensen die in een bejaardentehuis alleen maar wat zitten te mummelen en wiens leven volledig door anderen wordt gerund. Walgelijk lijkt me dat. Een pil kan dan uitkomst bieden.”

Huib Drion stierf op 20 april 2004, bijna 87 jaar oud in Leiden.

Huib Drion deel 2

vrijdag 3 juli 1992, 09:10 uur

De pil van Drion, daar hebben we allemaal wel eens van gehoord. De man achter de pil heette Huibert (Huib) Drion. In het jaar voor zijn interview met Karen de Bock veroorzaakte de rechtsgeleerde een roerige maatschappelijke discussie door te pleiten voor een middel waarmee ouderen, die hun leven wilden beëindigen, dat op een humane manier konden doen. De discussie is er nog steeds, haar grootste pleitbezorger inmiddels niet meer, hij overleed in 2004. Luistert u hier naar het vijf uur durend interview van 3 juli 1992.

---------------------------
Biografie Huib Drion

Huibert Drion werd op 25 april 1917 in Den Haag geboren in een gezin van zes kinderen. Zijn vader Frans Drion was kamerlid voor de Liberale Staatspartij, de voorloper van de VVD. Het vrijheidsdenken werd hem dus met de paplepel ingegoten.

Drion gaat Rechten studeren in Leiden. Hij houdt buitengewoon veel van de klassieken, maar weet niet goed wat hij wil studeren en dus wordt het Rechten. Ondanks het feit dat hij geen lid wordt van een studentenvereniging en zichzelf als een obscure student betitelt, wordt hij in 1938 voorzitter van de Leidse tak van het Comité van Waakzaamheid, dat tegen het nationaalsocialisme waarschuwt.

Als de oorlog uitbreekt, schrijft, stencilt en geeft hij grotendeels samen met zijn broer Jan het verzetsblad De Geus uit, waarin onder andere Duitse propaganda doorgeprikt werd en collaborerende universiteitsmedewerkers op een zwarte lijst werden gezet. Een gevaarlijke bezigheid, maar of het zijn zijn dood kon worden “daar dacht ik niet over na. Als je begon te twijfelen, kon je er maar beter mee ophouden. Ik weet wel dat mijn moeder bang was dat mijn broer en mij iets zouden overkomen. Maar nooit heeft ze ons gevraagd ermee op te houden”. Gedurende de hele oorlog brachten ze het blad uit. Aan het eind van de oorlog heeft het blad een oplage van 5000 exemplaren.

Na de oorlog gaat hij door met zijn studie Rechten en na zijn studie schrijft hij aan zijn proefschrift. In 1954, nadat hij ook nog een jaar aan de prestigieuze universiteit van Harvard heeft gestudeerd, promoveert hij met ‘Limitations of Liabilities in International Air Law’. Vier jaar later wordt hij hoogleraar burgerlijk recht in Leiden.

In 1969 begint zijn loopbaan bij de Hoge Raad, waar hij later nog vice-president van zal worden. Over die tijd zei hij zelf in een interview met het Leids Univeritair Weekblad Mare: “Mijn mooiste tijd, wat recht betreft, heb ik beleefd in de Hoge Raad. Heerlijk praten over de toepassing van de wet zonder dat je te maken hebt met ellebogenwerk of ambities die een goede discussie in de weg zitten.”

Het grote publiek leerde hem kennen via een artikel in het NRC Handelsblad van 19 oktober 1991, ‘Het zelfgewilde einde van oude mensen’, waarin hij pleit voor een euthanasiemiddel voor 75-plussers die levensmoe zijn. Over een pil wordt in het artikel nooit gesproken. Ruim tien jaar later zei hij er dit over: “Het is niet meer dan een paar alinea’s die ik had opgeschreven toen mijn schoonzus ooit eens hardop nadacht over zo’n middel. Ik had geen flauw idee dat het zo’n ophef zou veroorzaken toen ik het naar de NRC opstuurde… Maar mijn intentie is nog steeds onveranderd. Het is toch afschuwelijk om je vader of je partner opgehangen te vinden? Dat kan anders. Of mensen die in een bejaardentehuis alleen maar wat zitten te mummelen en wiens leven volledig door anderen wordt gerund. Walgelijk lijkt me dat. Een pil kan dan uitkomst bieden.”

Huib Drion stierf op 20 april 2004, bijna 87 jaar oud in Leiden. .

Huib Drion deel 1

vrijdag 3 juli 1992, 09:00 uur

De pil van Drion, daar hebben we allemaal wel eens van gehoord. De man achter de pil heette Huibert (Huib) Drion. In het jaar voor zijn interview met Karen de Bock veroorzaakte de rechtsgeleerde een roerige maatschappelijke discussie door te pleiten voor een middel waarmee ouderen, die hun leven wilden beëindigen, dat op een humane manier konden doen. De discussie is er nog steeds, haar grootste pleitbezorger inmiddels niet meer, hij overleed in 2004. Luistert u hier naar het vijf uur durend interview van 3 juli 1992.

---------------------------
Biografie Huib Drion

Huibert Drion werd op 25 april 1917 in Den Haag geboren in een gezin van zes kinderen. Zijn vader Frans Drion was kamerlid voor de Liberale Staatspartij, de voorloper van de VVD. Het vrijheidsdenken werd hem dus met de paplepel ingegoten.

Drion gaat Rechten studeren in Leiden. Hij houdt buitengewoon veel van de klassieken, maar weet niet goed wat hij wil studeren en dus wordt het Rechten. Ondanks het feit dat hij geen lid wordt van een studentenvereniging en zichzelf als een obscure student betitelt, wordt hij in 1938 voorzitter van de Leidse tak van het Comité van Waakzaamheid, dat tegen het nationaalsocialisme waarschuwt.

Als de oorlog uitbreekt, schrijft, stencilt en geeft hij grotendeels samen met zijn broer Jan het verzetsblad De Geus uit, waarin onder andere Duitse propaganda doorgeprikt werd en collaborerende universiteitsmedewerkers op een zwarte lijst werden gezet. Een gevaarlijke bezigheid, maar of het zijn zijn dood kon worden “daar dacht ik niet over na. Als je begon te twijfelen, kon je er maar beter mee ophouden. Ik weet wel dat mijn moeder bang was dat mijn broer en mij iets zouden overkomen. Maar nooit heeft ze ons gevraagd ermee op te houden”. Gedurende de hele oorlog brachten ze het blad uit. Aan het eind van de oorlog heeft het blad een oplage van 5000 exemplaren.

Na de oorlog gaat hij door met zijn studie Rechten en na zijn studie schrijft hij aan zijn proefschrift. In 1954, nadat hij ook nog een jaar aan de prestigieuze universiteit van Harvard heeft gestudeerd, promoveert hij met ‘Limitations of Liabilities in International Air Law’. Vier jaar later wordt hij hoogleraar burgerlijk recht in Leiden.

In 1969 begint zijn loopbaan bij de Hoge Raad, waar hij later nog vice-president van zal worden. Over die tijd zei hij zelf in een interview met het Leids Univeritair Weekblad Mare: “Mijn mooiste tijd, wat recht betreft, heb ik beleefd in de Hoge Raad. Heerlijk praten over de toepassing van de wet zonder dat je te maken hebt met ellebogenwerk of ambities die een goede discussie in de weg zitten.”

Het grote publiek leerde hem kennen via een artikel in het NRC Handelsblad van 19 oktober 1991, ‘Het zelfgewilde einde van oude mensen’, waarin hij pleit voor een euthanasiemiddel voor 75-plussers die levensmoe zijn. Over een pil wordt in het artikel nooit gesproken. Ruim tien jaar later zei hij er dit over: “Het is niet meer dan een paar alinea’s die ik had opgeschreven toen mijn schoonzus ooit eens hardop nadacht over zo’n middel. Ik had geen flauw idee dat het zo’n ophef zou veroorzaken toen ik het naar de NRC opstuurde… Maar mijn intentie is nog steeds onveranderd. Het is toch afschuwelijk om je vader of je partner opgehangen te vinden? Dat kan anders. Of mensen die in een bejaardentehuis alleen maar wat zitten te mummelen en wiens leven volledig door anderen wordt gerund. Walgelijk lijkt me dat. Een pil kan dan uitkomst bieden.”

Huib Drion stierf op 20 april 2004, bijna 87 jaar oud in Leiden.

Mr.G.B.J. Hiltermann deel 5

vrijdag 3 januari 1992, 10:40 uur

De geschiedenis van de twintigste eeuw valt samen met die van Hiltermann, sterker nog, de twintigste eeuw ís Hiltermann. Hij verbond alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw naadloos met elkaar. Hiltermann stierf in 2000, zijn eeuw was voorbij.
Ger Jochems ontving meester Gustavo Bernardo Jose Hiltermann op 3 januari 1992 voor het marathoninterview. Hij had 39 jaar lang op radio en tv de toestand van de wereld voor Nederlanders geduid. Het werd tijd dat hij met zijn sonore geluid alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw met elkaar verbond. Dat lukte moeiteloos in dit gesprek.

Biografie G.B.J. Hiltermann

Gustavo Bernardo José Hiltermann werd op 1 mei 1914 in Buenos Aires, Argentinië, geboren. Zijn ouders waren geëmigreerde Nederlanders, maar een in Argentinië geboren kind diende Spaanse voornamen te krijgen, vandaar zijn nogal exotisch aandoende namen. Het gezin bleef niet lang in Zuid-Amerika, Argentinie bleek geen succes te zijn en het gezin keerde terug naar Nederland. Daar begon de jonge Guus aan vier studies: Rechten, Economie, Indologie en Arabistiek.

Na zijn studietijd werkte Hiltermann voor De Telegraaf. Hij vertrok (pas) in 1942 toen de krant gedwongen werd een antisemitisch artikel te plaatsen. Met vrienden die hij van zijn Telegraaf-tijd kende, richtte hij het weekblad Elsevier op. Het eerste nummer van Elsevier kwam op 27 oktober 1945 uit. In 1952 kocht Hiltermann het praktisch failliete weekblad de Haagsche Post. Eigenaar zijn van het blad dat hij zelf leidde gaf het journalistenbestaan toch meer cachet. Wat echter niet wilde zeggen dat hij ook op de redactie te vinden was, daar kwam hij praktisch nooit.

Zijn echtgenote Sylvia Brandt Buys kreeg de dagelijkse leiding van het blad. Het charismatische stel verzamelde een grote groep getalenteerde (vooral linkse) schrijvers om zich heen, zoals Joop van Tijn, Cherry Duyns, Simon Vinkenoog en Jan Vrijman. Hij gaf deze schrijvers enorm veel vrijheid, en nam die zelf ook. Zijn commentaren waren conventioneel, rechts-liberaal, in de jaren zestig en zeventig dus vrij onpopulair. Tot het journalistieke establishment werd het echtpaar Hiltermann-Brandt Buys om die reden nooit echt toegelaten. Halverwege de jaren zestig bleek HP toch bijzonder moeilijk financieel boven water te houden. Hij verkocht het blad aan de uitgeverij Elsevier.

Op 6 november 1956 sprak Mr. Hiltermann voor het eerst zijn radio-column bij de AVRO (ook al zo’n onpopulaire zender in de jaren zestig en zeventig) uit, getiteld: ‘De toestand van de Wereld’. In heel wat gezinnen werd tot stilte gemaand als zondagmiddag na het nieuws van één uur het woord was aan Hiltermann. Met een onnavolgbare autoriteit legde hij het Nederlandse volk uit wat er in de wereldpolitiek gebeurde en wat daar de gevolgen van waren. De laatste column werd op 22 november 1999 uitgezonden, minder dan een jaar voor zijn dood op 15 juli 2000.

EXTRA:

In de jaren vijftig, toen de babyboomers nog in hun korte broek liepen, werd er tussen de middag warm gegeten. Ook en zeker op zondag. Het menu lag vast en de radio stond erbij aan, want de AVRO zond dan de causerie van G.B.J. uit.
Vooraf altijd soep; er waren variaties: gebonden tomatensoep of champignonsoep en heldere kippen- en groentesoep.
Twee afwijkingen waren toegestaan: het voorjaar bood gebonden aspergesoep en de winter erwtensoep.
Het hoofdgerecht was aardappelen met een stukje vlees en DOPERWTJES. Er zijn families waar deze extra fijne groene erwten nog steeds Hiltermannetjes heten.
En dan tot slot een schaaltje pudding, in vanille of chocoladesmaak, met een toefje slagroom.

Mr.G.B.J. Hiltermann deel 4

vrijdag 3 januari 1992, 10:30 uur

De geschiedenis van de twintigste eeuw valt samen met die van Hiltermann, sterker nog, de twintigste eeuw ís Hiltermann. Hij verbond alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw naadloos met elkaar. Hiltermann stierf in 2000, zijn eeuw was voorbij.
Ger Jochems ontving meester Gustavo Bernardo Jose Hiltermann op 3 januari 1992 voor het marathoninterview. Hij had 39 jaar lang op radio en tv de toestand van de wereld voor Nederlanders geduid. Het werd tijd dat hij met zijn sonore geluid alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw met elkaar verbond. Dat lukte moeiteloos in dit gesprek.

Biografie G.B.J. Hiltermann

Gustavo Bernardo José Hiltermann werd op 1 mei 1914 in Buenos Aires, Argentinië, geboren. Zijn ouders waren geëmigreerde Nederlanders, maar een in Argentinië geboren kind diende Spaanse voornamen te krijgen, vandaar zijn nogal exotisch aandoende namen. Het gezin bleef niet lang in Zuid-Amerika, Argentinie bleek geen succes te zijn en het gezin keerde terug naar Nederland. Daar begon de jonge Guus aan vier studies: Rechten, Economie, Indologie en Arabistiek.

Na zijn studietijd werkte Hiltermann voor De Telegraaf. Hij vertrok (pas) in 1942 toen de krant gedwongen werd een antisemitisch artikel te plaatsen. Met vrienden die hij van zijn Telegraaf-tijd kende, richtte hij het weekblad Elsevier op. Het eerste nummer van Elsevier kwam op 27 oktober 1945 uit. In 1952 kocht Hiltermann het praktisch failliete weekblad de Haagsche Post. Eigenaar zijn van het blad dat hij zelf leidde gaf het journalistenbestaan toch meer cachet. Wat echter niet wilde zeggen dat hij ook op de redactie te vinden was, daar kwam hij praktisch nooit.

Zijn echtgenote Sylvia Brandt Buys kreeg de dagelijkse leiding van het blad. Het charismatische stel verzamelde een grote groep getalenteerde (vooral linkse) schrijvers om zich heen, zoals Joop van Tijn, Cherry Duyns, Simon Vinkenoog en Jan Vrijman. Hij gaf deze schrijvers enorm veel vrijheid, en nam die zelf ook. Zijn commentaren waren conventioneel, rechts-liberaal, in de jaren zestig en zeventig dus vrij onpopulair. Tot het journalistieke establishment werd het echtpaar Hiltermann-Brandt Buys om die reden nooit echt toegelaten. Halverwege de jaren zestig bleek HP toch bijzonder moeilijk financieel boven water te houden. Hij verkocht het blad aan de uitgeverij Elsevier.

Op 6 november 1956 sprak Mr. Hiltermann voor het eerst zijn radio-column bij de AVRO (ook al zo’n onpopulaire zender in de jaren zestig en zeventig) uit, getiteld: ‘De toestand van de Wereld’. In heel wat gezinnen werd tot stilte gemaand als zondagmiddag na het nieuws van één uur het woord was aan Hiltermann. Met een onnavolgbare autoriteit legde hij het Nederlandse volk uit wat er in de wereldpolitiek gebeurde en wat daar de gevolgen van waren. De laatste column werd op 22 november 1999 uitgezonden, minder dan een jaar voor zijn dood op 15 juli 2000.

EXTRA:

In de jaren vijftig, toen de babyboomers nog in hun korte broek liepen, werd er tussen de middag warm gegeten. Ook en zeker op zondag. Het menu lag vast en de radio stond erbij aan, want de AVRO zond dan de causerie van G.B.J. uit.
Vooraf altijd soep; er waren variaties: gebonden tomatensoep of champignonsoep en heldere kippen- en groentesoep.
Twee afwijkingen waren toegestaan: het voorjaar bood gebonden aspergesoep en de winter erwtensoep.
Het hoofdgerecht was aardappelen met een stukje vlees en DOPERWTJES. Er zijn families waar deze extra fijne groene erwten nog steeds Hiltermannetjes heten.
En dan tot slot een schaaltje pudding, in vanille of chocoladesmaak, met een toefje slagroom.

Mr.G.B.J. Hiltermann deel 3

vrijdag 3 januari 1992, 10:20 uur

De geschiedenis van de twintigste eeuw valt samen met die van Hiltermann, sterker nog, de twintigste eeuw ís Hiltermann. Hij verbond alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw naadloos met elkaar. Hiltermann stierf in 2000, zijn eeuw was voorbij.
Ger Jochems ontving meester Gustavo Bernardo Jose Hiltermann op 3 januari 1992 voor het marathoninterview. Hij had 39 jaar lang op radio en tv de toestand van de wereld voor Nederlanders geduid. Het werd tijd dat hij met zijn sonore geluid alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw met elkaar verbond. Dat lukte moeiteloos in dit gesprek.

Biografie G.B.J. Hiltermann

Gustavo Bernardo José Hiltermann werd op 1 mei 1914 in Buenos Aires, Argentinië, geboren. Zijn ouders waren geëmigreerde Nederlanders, maar een in Argentinië geboren kind diende Spaanse voornamen te krijgen, vandaar zijn nogal exotisch aandoende namen. Het gezin bleef niet lang in Zuid-Amerika, Argentinie bleek geen succes te zijn en het gezin keerde terug naar Nederland. Daar begon de jonge Guus aan vier studies: Rechten, Economie, Indologie en Arabistiek.

Na zijn studietijd werkte Hiltermann voor De Telegraaf. Hij vertrok (pas) in 1942 toen de krant gedwongen werd een antisemitisch artikel te plaatsen. Met vrienden die hij van zijn Telegraaf-tijd kende, richtte hij het weekblad Elsevier op. Het eerste nummer van Elsevier kwam op 27 oktober 1945 uit. In 1952 kocht Hiltermann het praktisch failliete weekblad de Haagsche Post. Eigenaar zijn van het blad dat hij zelf leidde gaf het journalistenbestaan toch meer cachet. Wat echter niet wilde zeggen dat hij ook op de redactie te vinden was, daar kwam hij praktisch nooit.

Zijn echtgenote Sylvia Brandt Buys kreeg de dagelijkse leiding van het blad. Het charismatische stel verzamelde een grote groep getalenteerde (vooral linkse) schrijvers om zich heen, zoals Joop van Tijn, Cherry Duyns, Simon Vinkenoog en Jan Vrijman. Hij gaf deze schrijvers enorm veel vrijheid, en nam die zelf ook. Zijn commentaren waren conventioneel, rechts-liberaal, in de jaren zestig en zeventig dus vrij onpopulair. Tot het journalistieke establishment werd het echtpaar Hiltermann-Brandt Buys om die reden nooit echt toegelaten. Halverwege de jaren zestig bleek HP toch bijzonder moeilijk financieel boven water te houden. Hij verkocht het blad aan de uitgeverij Elsevier.

Op 6 november 1956 sprak Mr. Hiltermann voor het eerst zijn radio-column bij de AVRO (ook al zo’n onpopulaire zender in de jaren zestig en zeventig) uit, getiteld: ‘De toestand van de Wereld’. In heel wat gezinnen werd tot stilte gemaand als zondagmiddag na het nieuws van één uur het woord was aan Hiltermann. Met een onnavolgbare autoriteit legde hij het Nederlandse volk uit wat er in de wereldpolitiek gebeurde en wat daar de gevolgen van waren. De laatste column werd op 22 november 1999 uitgezonden, minder dan een jaar voor zijn dood op 15 juli 2000.

EXTRA:

In de jaren vijftig, toen de babyboomers nog in hun korte broek liepen, werd er tussen de middag warm gegeten. Ook en zeker op zondag. Het menu lag vast en de radio stond erbij aan, want de AVRO zond dan de causerie van G.B.J. uit.
Vooraf altijd soep; er waren variaties: gebonden tomatensoep of champignonsoep en heldere kippen- en groentesoep.
Twee afwijkingen waren toegestaan: het voorjaar bood gebonden aspergesoep en de winter erwtensoep.
Het hoofdgerecht was aardappelen met een stukje vlees en DOPERWTJES. Er zijn families waar deze extra fijne groene erwten nog steeds Hiltermannetjes heten.
En dan tot slot een schaaltje pudding, in vanille of chocoladesmaak, met een toefje slagroom.

Mr.G.B.J. Hiltermann deel 2

vrijdag 3 januari 1992, 10:10 uur

De geschiedenis van de twintigste eeuw valt samen met die van Hiltermann, sterker nog, de twintigste eeuw ís Hiltermann. Hij verbond alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw naadloos met elkaar. Hiltermann stierf in 2000, zijn eeuw was voorbij.
Ger Jochems ontving meester Gustavo Bernardo Jose Hiltermann op 3 januari 1992 voor het marathoninterview. Hij had 39 jaar lang op radio en tv de toestand van de wereld voor Nederlanders geduid. Het werd tijd dat hij met zijn sonore geluid alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw met elkaar verbond. Dat lukte moeiteloos in dit gesprek.

Biografie G.B.J. Hiltermann

Gustavo Bernardo José Hiltermann werd op 1 mei 1914 in Buenos Aires, Argentinië, geboren. Zijn ouders waren geëmigreerde Nederlanders, maar een in Argentinië geboren kind diende Spaanse voornamen te krijgen, vandaar zijn nogal exotisch aandoende namen. Het gezin bleef niet lang in Zuid-Amerika, Argentinie bleek geen succes te zijn en het gezin keerde terug naar Nederland. Daar begon de jonge Guus aan vier studies: Rechten, Economie, Indologie en Arabistiek.

Na zijn studietijd werkte Hiltermann voor De Telegraaf. Hij vertrok (pas) in 1942 toen de krant gedwongen werd een antisemitisch artikel te plaatsen. Met vrienden die hij van zijn Telegraaf-tijd kende, richtte hij het weekblad Elsevier op. Het eerste nummer van Elsevier kwam op 27 oktober 1945 uit. In 1952 kocht Hiltermann het praktisch failliete weekblad de Haagsche Post. Eigenaar zijn van het blad dat hij zelf leidde gaf het journalistenbestaan toch meer cachet. Wat echter niet wilde zeggen dat hij ook op de redactie te vinden was, daar kwam hij praktisch nooit.

Zijn echtgenote Sylvia Brandt Buys kreeg de dagelijkse leiding van het blad. Het charismatische stel verzamelde een grote groep getalenteerde (vooral linkse) schrijvers om zich heen, zoals Joop van Tijn, Cherry Duyns, Simon Vinkenoog en Jan Vrijman. Hij gaf deze schrijvers enorm veel vrijheid, en nam die zelf ook. Zijn commentaren waren conventioneel, rechts-liberaal, in de jaren zestig en zeventig dus vrij onpopulair. Tot het journalistieke establishment werd het echtpaar Hiltermann-Brandt Buys om die reden nooit echt toegelaten. Halverwege de jaren zestig bleek HP toch bijzonder moeilijk financieel boven water te houden. Hij verkocht het blad aan de uitgeverij Elsevier.

Op 6 november 1956 sprak Mr. Hiltermann voor het eerst zijn radio-column bij de AVRO (ook al zo’n onpopulaire zender in de jaren zestig en zeventig) uit, getiteld: ‘De toestand van de Wereld’. In heel wat gezinnen werd tot stilte gemaand als zondagmiddag na het nieuws van één uur het woord was aan Hiltermann. Met een onnavolgbare autoriteit legde hij het Nederlandse volk uit wat er in de wereldpolitiek gebeurde en wat daar de gevolgen van waren. De laatste column werd op 22 november 1999 uitgezonden, minder dan een jaar voor zijn dood op 15 juli 2000.

EXTRA:

In de jaren vijftig, toen de babyboomers nog in hun korte broek liepen, werd er tussen de middag warm gegeten. Ook en zeker op zondag. Het menu lag vast en de radio stond erbij aan, want de AVRO zond dan de causerie van G.B.J. uit.
Vooraf altijd soep; er waren variaties: gebonden tomatensoep of champignonsoep en heldere kippen- en groentesoep.
Twee afwijkingen waren toegestaan: het voorjaar bood gebonden aspergesoep en de winter erwtensoep.
Het hoofdgerecht was aardappelen met een stukje vlees en DOPERWTJES. Er zijn families waar deze extra fijne groene erwten nog steeds Hiltermannetjes heten.
En dan tot slot een schaaltje pudding, in vanille of chocoladesmaak, met een toefje slagroom.

Mr.G.B.J. Hiltermann deel 1

vrijdag 3 januari 1992, 10:00 uur

De geschiedenis van de twintigste eeuw valt samen met die van Hiltermann, sterker nog, de twintigste eeuw ís Hiltermann. Hij verbond alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw naadloos met elkaar. Hiltermann stierf in 2000, zijn eeuw was voorbij.
Ger Jochems ontving meester Gustavo Bernardo Jose Hiltermann op 3 januari 1992 voor het marathoninterview. Hij had 39 jaar lang op radio en tv de toestand van de wereld voor Nederlanders geduid. Het werd tijd dat hij met zijn sonore geluid alle gebeurtenissen uit de roerige eeuw met elkaar verbond. Dat lukte moeiteloos in dit gesprek.

Biografie G.B.J. Hiltermann

Gustavo Bernardo José Hiltermann werd op 1 mei 1914 in Buenos Aires, Argentinië, geboren. Zijn ouders waren geëmigreerde Nederlanders, maar een in Argentinië geboren kind diende Spaanse voornamen te krijgen, vandaar zijn nogal exotisch aandoende namen. Het gezin bleef niet lang in Zuid-Amerika, Argentinie bleek geen succes te zijn en het gezin keerde terug naar Nederland. Daar begon de jonge Guus aan vier studies: Rechten, Economie, Indologie en Arabistiek.

Na zijn studietijd werkte Hiltermann voor De Telegraaf. Hij vertrok (pas) in 1942 toen de krant gedwongen werd een antisemitisch artikel te plaatsen. Met vrienden die hij van zijn Telegraaf-tijd kende, richtte hij het weekblad Elsevier op. Het eerste nummer van Elsevier kwam op 27 oktober 1945 uit. In 1952 kocht Hiltermann het praktisch failliete weekblad de Haagsche Post. Eigenaar zijn van het blad dat hij zelf leidde gaf het journalistenbestaan toch meer cachet. Wat echter niet wilde zeggen dat hij ook op de redactie te vinden was, daar kwam hij praktisch nooit.

Zijn echtgenote Sylvia Brandt Buys kreeg de dagelijkse leiding van het blad. Het charismatische stel verzamelde een grote groep getalenteerde (vooral linkse) schrijvers om zich heen, zoals Joop van Tijn, Cherry Duyns, Simon Vinkenoog en Jan Vrijman. Hij gaf deze schrijvers enorm veel vrijheid, en nam die zelf ook. Zijn commentaren waren conventioneel, rechts-liberaal, in de jaren zestig en zeventig dus vrij onpopulair. Tot het journalistieke establishment werd het echtpaar Hiltermann-Brandt Buys om die reden nooit echt toegelaten. Halverwege de jaren zestig bleek HP toch bijzonder moeilijk financieel boven water te houden. Hij verkocht het blad aan de uitgeverij Elsevier.

Op 6 november 1956 sprak Mr. Hiltermann voor het eerst zijn radio-column bij de AVRO (ook al zo’n onpopulaire zender in de jaren zestig en zeventig) uit, getiteld: ‘De toestand van de Wereld’. In heel wat gezinnen werd tot stilte gemaand als zondagmiddag na het nieuws van één uur het woord was aan Hiltermann. Met een onnavolgbare autoriteit legde hij het Nederlandse volk uit wat er in de wereldpolitiek gebeurde en wat daar de gevolgen van waren. De laatste column werd op 22 november 1999 uitgezonden, minder dan een jaar voor zijn dood op 15 juli 2000.

EXTRA:

In de jaren vijftig, toen de babyboomers nog in hun korte broek liepen, werd er tussen de middag warm gegeten. Ook en zeker op zondag. Het menu lag vast en de radio stond erbij aan, want de AVRO zond dan de causerie van G.B.J. uit.
Vooraf altijd soep; er waren variaties: gebonden tomatensoep of champignonsoep en heldere kippen- en groentesoep.
Twee afwijkingen waren toegestaan: het voorjaar bood gebonden aspergesoep en de winter erwtensoep.
Het hoofdgerecht was aardappelen met een stukje vlees en DOPERWTJES. Er zijn families waar deze extra fijne groene erwten nog steeds Hiltermannetjes heten.
En dan tot slot een schaaltje pudding, in vanille of chocoladesmaak, met een toefje slagroom.

VPRO Marathoninterview - Louis Tobback deel 2

vrijdag 27 december 1991, 17:20 uur

Op 27 december 1991 keek de VPRO-radio weer eens over de grenzen van ons eigen kikkerlandje. In de Kerstvakantie was de Belgische minister Louis Tobback bereid zich naar Hilversum te vervoegen. Alleen was hij niet op de hoogte van het feit dat het om een marathoninterview ging. Er moest dus om acht uur 's ochtends nog gebeld worden om "even wat dingen te verzetten", zodat hij tot 13 uur kon blijven. Het interview begint daarom zonder Tobback, die immers als een malle aan het bellen was om te zorgen was dat hij vijf uur lang in Hilversum kon blijven. Uiteindelijk komt het goed en kan Frénk van der Linde vijf uur praten met de Belgische minister van ‘Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen’.

Biografie Louis Marie Joseph Tobback

"Een niet onaardig ego"
Louis Marie Joseph Tobback zag het levenslicht op 3 mei 1938 in Leuven. Hij heeft Romeinse Filologie gestudeerd en gaf een tijdje Frans aan het Koninklijk Atheneum in Leuven. Maar al op jonge leeftijd lonkte de politiek. Hij werd lid van de Socialistische Partij (SP) en via het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), een openbare gemeentelijke instantie in België, kwam hij in 1971 in de gemeenteraad van Leuven terecht. Hij werd daar vrijwel direct eerste schepen, het Belgische equivalent van de wethouder.

Drie jaar later, in 1974, maakte hij zijn entree in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, het Belgische parlement. Hij viel daar op door zijn rake oneliners en samenvattingen van complexe kwesties. Na vier jaar kamerlidmaatschap werd hij fractievoorzitter van de SP in het parlement. Na tien jaar het fractieleiderschap werd Tobback in 1988 minister – van 1988 tot 1992 was hij minister van Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, van 1992 tot 1994 minster van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken.

Na het ministerschap keerde hij terug naar het partijbestuur. Hij werd voorzitter van de SP (tegenwoordig gaat die partij als sp.a door het leven) en loodste die partij door een moeilijke periode. Heel wat socialistische koppen rolden na het Agustaschandaal – de aankoop van gevechtshelikopters van het Italiaanse merk Agusta door het Belgische leger was niet helemaal correct gegaan – en de affaire-Dutroux, maar mede door Tobback wist de partij de verliezen bij de federale en regionale verkiezingen te beperken. Het socialisme was aan het eind van de twintigste eeuw toe aan herbezinning, vond ook Tobback. Hij zette een nieuwe ideologische discussie binnen de partij op gang. Ondertussen was hij in 1995 ook burgemeester van Leuven geworden.

In april 1998 werd hij nog een opgeroepen om minister te worden, toen zijn voorganger, Johan Vande Lanotte, moest aftreden naar aanleiding van de ontsnapping uit de gevangenis van Marc Dutroux. In september van dat jaar moest Tobback op zijn beurt aftreden na een tragische gebeurtenis: een asielzoekster kwam bij haar gedwongen uitzetting om het leven. Tobback had die uitwijzing uitgevaardigd, nam zijn verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen en nam ontslag.

Sindsdien is Tobback burgervader van zijn geboortestad Leuven.

Louis Tobback deel 5

vrijdag 27 december 1991, 17:13 uur

Op 27 december 1991 keek de VPRO-radio weer eens over de grenzen van ons eigen kikkerlandje. In de Kerstvakantie was de Belgische minister Louis Tobback bereid zich naar Hilversum te vervoegen. Alleen was hij niet op de hoogte van het feit dat het om een marathoninterview ging. Er moest dus om acht uur 's ochtends nog gebeld worden om "even wat dingen te verzetten", zodat hij tot 13 uur kon blijven. Het interview begint daarom zonder Tobback, die immers als een malle aan het bellen was om te zorgen was dat hij vijf uur lang in Hilversum kon blijven. Uiteindelijk komt het goed en kan Frénk van der Linde vijf uur praten met de Belgische minister van ‘Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen’.

Biografie Louis Marie Joseph Tobback

"Een niet onaardig ego"
Louis Marie Joseph Tobback zag het levenslicht op 3 mei 1938 in Leuven. Hij heeft Romeinse Filologie gestudeerd en gaf een tijdje Frans aan het Koninklijk Atheneum in Leuven. Maar al op jonge leeftijd lonkte de politiek. Hij werd lid van de Socialistische Partij (SP) en via het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), een openbare gemeentelijke instantie in België, kwam hij in 1971 in de gemeenteraad van Leuven terecht. Hij werd daar vrijwel direct eerste schepen, het Belgische equivalent van de wethouder.

Drie jaar later, in 1974, maakte hij zijn entree in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, het Belgische parlement. Hij viel daar op door zijn rake oneliners en samenvattingen van complexe kwesties. Na vier jaar kamerlidmaatschap werd hij fractievoorzitter van de SP in het parlement. Na tien jaar het fractieleiderschap werd Tobback in 1988 minister – van 1988 tot 1992 was hij minister van Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, van 1992 tot 1994 minster van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken.

Na het ministerschap keerde hij terug naar het partijbestuur. Hij werd voorzitter van de SP (tegenwoordig gaat die partij als sp.a door het leven) en loodste die partij door een moeilijke periode. Heel wat socialistische koppen rolden na het Agustaschandaal – de aankoop van gevechtshelikopters van het Italiaanse merk Agusta door het Belgische leger was niet helemaal correct gegaan – en de affaire-Dutroux, maar mede door Tobback wist de partij de verliezen bij de federale en regionale verkiezingen te beperken. Het socialisme was aan het eind van de twintigste eeuw toe aan herbezinning, vond ook Tobback. Hij zette een nieuwe ideologische discussie binnen de partij op gang. Ondertussen was hij in 1995 ook burgemeester van Leuven geworden.

In april 1998 werd hij nog een opgeroepen om minister te worden, toen zijn voorganger, Johan Vande Lanotte, moest aftreden naar aanleiding van de ontsnapping uit de gevangenis van Marc Dutroux. In september van dat jaar moest Tobback op zijn beurt aftreden na een tragische gebeurtenis: een asielzoekster kwam bij haar gedwongen uitzetting om het leven. Tobback had die uitwijzing uitgevaardigd, nam zijn verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen en nam ontslag.

Sindsdien is Tobback burgervader van zijn geboortestad Leuven.

Louis Tobback deel 4

vrijdag 27 december 1991, 17:10 uur

Op 27 december 1991 keek de VPRO-radio weer eens over de grenzen van ons eigen kikkerlandje. In de Kerstvakantie was de Belgische minister Louis Tobback bereid zich naar Hilversum te vervoegen. Alleen was hij niet op de hoogte van het feit dat het om een marathoninterview ging. Er moest dus om acht uur 's ochtends nog gebeld worden om "even wat dingen te verzetten", zodat hij tot 13 uur kon blijven. Het interview begint daarom zonder Tobback, die immers als een malle aan het bellen was om te zorgen was dat hij vijf uur lang in Hilversum kon blijven. Uiteindelijk komt het goed en kan Frénk van der Linde vijf uur praten met de Belgische minister van ‘Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen’.

Biografie Louis Marie Joseph Tobback

"Een niet onaardig ego"
Louis Marie Joseph Tobback zag het levenslicht op 3 mei 1938 in Leuven. Hij heeft Romeinse Filologie gestudeerd en gaf een tijdje Frans aan het Koninklijk Atheneum in Leuven. Maar al op jonge leeftijd lonkte de politiek. Hij werd lid van de Socialistische Partij (SP) en via het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), een openbare gemeentelijke instantie in België, kwam hij in 1971 in de gemeenteraad van Leuven terecht. Hij werd daar vrijwel direct eerste schepen, het Belgische equivalent van de wethouder.

Drie jaar later, in 1974, maakte hij zijn entree in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, het Belgische parlement. Hij viel daar op door zijn rake oneliners en samenvattingen van complexe kwesties. Na vier jaar kamerlidmaatschap werd hij fractievoorzitter van de SP in het parlement. Na tien jaar het fractieleiderschap werd Tobback in 1988 minister – van 1988 tot 1992 was hij minister van Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, van 1992 tot 1994 minster van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken.

Na het ministerschap keerde hij terug naar het partijbestuur. Hij werd voorzitter van de SP (tegenwoordig gaat die partij als sp.a door het leven) en loodste die partij door een moeilijke periode. Heel wat socialistische koppen rolden na het Agustaschandaal – de aankoop van gevechtshelikopters van het Italiaanse merk Agusta door het Belgische leger was niet helemaal correct gegaan – en de affaire-Dutroux, maar mede door Tobback wist de partij de verliezen bij de federale en regionale verkiezingen te beperken. Het socialisme was aan het eind van de twintigste eeuw toe aan herbezinning, vond ook Tobback. Hij zette een nieuwe ideologische discussie binnen de partij op gang. Ondertussen was hij in 1995 ook burgemeester van Leuven geworden.

In april 1998 werd hij nog een opgeroepen om minister te worden, toen zijn voorganger, Johan Vande Lanotte, moest aftreden naar aanleiding van de ontsnapping uit de gevangenis van Marc Dutroux. In september van dat jaar moest Tobback op zijn beurt aftreden na een tragische gebeurtenis: een asielzoekster kwam bij haar gedwongen uitzetting om het leven. Tobback had die uitwijzing uitgevaardigd, nam zijn verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen en nam ontslag.

Sindsdien is Tobback burgervader van zijn geboortestad Leuven.

VPRO Marathoninterview - Louis Tobback deel 3

vrijdag 27 december 1991, 17:08 uur

Op 27 december 1991 keek de VPRO-radio weer eens over de grenzen van ons eigen kikkerlandje. In de Kerstvakantie was de Belgische minister Louis Tobback bereid zich naar Hilversum te vervoegen. Alleen was hij niet op de hoogte van het feit dat het om een marathoninterview ging. Er moest dus om acht uur 's ochtends nog gebeld worden om "even wat dingen te verzetten", zodat hij tot 13 uur kon blijven. Het interview begint daarom zonder Tobback, die immers als een malle aan het bellen was om te zorgen was dat hij vijf uur lang in Hilversum kon blijven. Uiteindelijk komt het goed en kan Frénk van der Linde vijf uur praten met de Belgische minister van ‘Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen’.

Biografie Louis Marie Joseph Tobback

"Een niet onaardig ego"
Louis Marie Joseph Tobback zag het levenslicht op 3 mei 1938 in Leuven. Hij heeft Romeinse Filologie gestudeerd en gaf een tijdje Frans aan het Koninklijk Atheneum in Leuven. Maar al op jonge leeftijd lonkte de politiek. Hij werd lid van de Socialistische Partij (SP) en via het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), een openbare gemeentelijke instantie in België, kwam hij in 1971 in de gemeenteraad van Leuven terecht. Hij werd daar vrijwel direct eerste schepen, het Belgische equivalent van de wethouder.

Drie jaar later, in 1974, maakte hij zijn entree in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, het Belgische parlement. Hij viel daar op door zijn rake oneliners en samenvattingen van complexe kwesties. Na vier jaar kamerlidmaatschap werd hij fractievoorzitter van de SP in het parlement. Na tien jaar het fractieleiderschap werd Tobback in 1988 minister – van 1988 tot 1992 was hij minister van Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, van 1992 tot 1994 minster van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken.

Na het ministerschap keerde hij terug naar het partijbestuur. Hij werd voorzitter van de SP (tegenwoordig gaat die partij als sp.a door het leven) en loodste die partij door een moeilijke periode. Heel wat socialistische koppen rolden na het Agustaschandaal – de aankoop van gevechtshelikopters van het Italiaanse merk Agusta door het Belgische leger was niet helemaal correct gegaan – en de affaire-Dutroux, maar mede door Tobback wist de partij de verliezen bij de federale en regionale verkiezingen te beperken. Het socialisme was aan het eind van de twintigste eeuw toe aan herbezinning, vond ook Tobback. Hij zette een nieuwe ideologische discussie binnen de partij op gang. Ondertussen was hij in 1995 ook burgemeester van Leuven geworden.

In april 1998 werd hij nog een opgeroepen om minister te worden, toen zijn voorganger, Johan Vande Lanotte, moest aftreden naar aanleiding van de ontsnapping uit de gevangenis van Marc Dutroux. In september van dat jaar moest Tobback op zijn beurt aftreden na een tragische gebeurtenis: een asielzoekster kwam bij haar gedwongen uitzetting om het leven. Tobback had die uitwijzing uitgevaardigd, nam zijn verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen en nam ontslag.

Sindsdien is Tobback burgervader van zijn geboortestad Leuven.

VPRO Marathoninterview - Louis Tobback deel 1

vrijdag 27 december 1991, 17:05 uur

Op 27 december 1991 keek de VPRO-radio weer eens over de grenzen van ons eigen kikkerlandje. In de Kerstvakantie was de Belgische minister Louis Tobback bereid zich naar Hilversum te vervoegen. Alleen was hij niet op de hoogte van het feit dat het om een marathoninterview ging. Er moest dus om acht uur 's ochtends nog gebeld worden om "even wat dingen te verzetten", zodat hij tot 13 uur kon blijven. Het interview begint daarom zonder Tobback, die immers als een malle aan het bellen was om te zorgen was dat hij vijf uur lang in Hilversum kon blijven. Uiteindelijk komt het goed en kan Frénk van der Linde vijf uur praten met de Belgische minister van ‘Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen’.

Biografie Louis Marie Joseph Tobback

"Een niet onaardig ego"
Louis Marie Joseph Tobback zag het levenslicht op 3 mei 1938 in Leuven. Hij heeft Romeinse Filologie gestudeerd en gaf een tijdje Frans aan het Koninklijk Atheneum in Leuven. Maar al op jonge leeftijd lonkte de politiek. Hij werd lid van de Socialistische Partij (SP) en via het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), een openbare gemeentelijke instantie in België, kwam hij in 1971 in de gemeenteraad van Leuven terecht. Hij werd daar vrijwel direct eerste schepen, het Belgische equivalent van de wethouder.

Drie jaar later, in 1974, maakte hij zijn entree in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, het Belgische parlement. Hij viel daar op door zijn rake oneliners en samenvattingen van complexe kwesties. Na vier jaar kamerlidmaatschap werd hij fractievoorzitter van de SP in het parlement. Na tien jaar het fractieleiderschap werd Tobback in 1988 minister – van 1988 tot 1992 was hij minister van Binnenlandse Zaken, van de Modernisering van de Openbare Diensten en van de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, van 1992 tot 1994 minster van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken.

Na het ministerschap keerde hij terug naar het partijbestuur. Hij werd voorzitter van de SP (tegenwoordig gaat die partij als sp.a door het leven) en loodste die partij door een moeilijke periode. Heel wat socialistische koppen rolden na het Agustaschandaal – de aankoop van gevechtshelikopters van het Italiaanse merk Agusta door het Belgische leger was niet helemaal correct gegaan – en de affaire-Dutroux, maar mede door Tobback wist de partij de verliezen bij de federale en regionale verkiezingen te beperken. Het socialisme was aan het eind van de twintigste eeuw toe aan herbezinning, vond ook Tobback. Hij zette een nieuwe ideologische discussie binnen de partij op gang. Ondertussen was hij in 1995 ook burgemeester van Leuven geworden.

In april 1998 werd hij nog een opgeroepen om minister te worden, toen zijn voorganger, Johan Vande Lanotte, moest aftreden naar aanleiding van de ontsnapping uit de gevangenis van Marc Dutroux. In september van dat jaar moest Tobback op zijn beurt aftreden na een tragische gebeurtenis: een asielzoekster kwam bij haar gedwongen uitzetting om het leven. Tobback had die uitwijzing uitgevaardigd, nam zijn verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen en nam ontslag.

Sindsdien is Tobback burgervader van zijn geboortestad Leuven.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 5

vrijdag 20 december 1991, 16:47 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.
---------------------------------------------

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 3

vrijdag 20 december 1991, 16:43 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 4

vrijdag 20 december 1991, 16:43 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 2

vrijdag 20 december 1991, 16:38 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

VPRO Marathoninterview - Martin Simek deel 1

vrijdag 20 december 1991, 16:35 uur

Martin Simek was in 1991 bekend als tennistrainer, onder meer van Michiel Schapers. Drie jaar later zou hij zelf doorbreken als interviewer bij verschillende radio- en tv-programma’s van de RVU. Simek lag bijna vijf uur onder een spervuur van vragen door Djoeke Veeninga.

Biografie Martin Simk

Lichamelijk schizofreen
Martin Simek wordt op 7 november 1948 in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, geboren, negen maanden nadat de Sovjet-Unie de communisten in het land in het zadel hielp. Zijn vader werd als zakkensjouwer in een cementfabriek aan de slag gezet, omdat hij filosoof, dichter en vooral bankier was geweest, professies waar de Communistische Partij weinig mee op had. Van jongs af aan was Martin Simek op de tennisvelden te vinden. Na zware werkdagen zagen de “vijanden van het volk”- de voormalige intellectuele en industriële elite van het land – toch nog kans om een balletje te slaan en de jonge Simek in de beginselen van het tennis te onderwijzen.

Op negentienjarige leeftijd verliet Simek Tsjecho-Slowakije, toen de Praagse Lente bloedig door Sovjettroepen werd neergeslagen. Hij had twee jaar Rechten gestudeerd aan de Karlova Universiteit in Praag, maar wat hij vooral naar het Westen meenam was zijn tennisracket. Een carriere als proftennisser zat er echter niet in. Volgens Simek had dat te maken met zijn “lichamelijke schizofrenie”. “ Mijn bovenlichaam hoort bij een dwerg, mijn benen horen bij een reus.”

Hij begon aan een studie Economie aan de VU in Amsterdam, maar maakte die niet af. Hij begon aan de Toneelschool van Amsterdam, maar maakte die ook niet af; hij wilde zijn emoties niet inzitten om kunstjes te doen voor publiek. Een tijd lang tekende hij cartoons voor het NRC Handelsblad, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Het Parool onder de naam AnoNe, wat ja-nee betekent in het Tsjechisch.

Meer succes in de tenniswereld had hij als trainer. Michiel Schapers werd zijn protegé en Simek bracht hem van nummer duizend-zoveel van de wereldranglijst naar positie 25. Hij versloeg onder andere Boris Becker en Goran Ivanisevic. Na een mislukte training van de Zweed Jonas Svensson – die voortkwam uit het feit dat Svensson geen zin meer had in tennis – koos Simek voor een heel ander pad in zijn loopbaan. In 1994 begon hij bij de RVU met het radioprogramma Simek ’s nachts, een instant succes. Simek ontpopte zich als een buitengewoon getalenteerd interviewer, met een bijzondere aanpak. Een jaar later maakte hij zijn tv-debuut en maakte hij programma’s als Simek ontmoet en Winnen van jezelf! – Simek ontmoet Kampioenen. Hij heeft een confronterende manier van interviewen, met zijn intuïtie meer als referentiekader dan een gedegen voorbereiding. “Je moet niet bang zijn om simpele vragen te stellen. Kijk, elk diepte-interview geeft eigenlijk antwoord op maar één vraag: hoe gaat het met jou?”, aldus Simek.

De laatste jaren beweegt hij zich weer op de tennisbaan, als coach van de tweeling Tim en Marlon van Ingen.

Remco Campert deel 4

vrijdag 9 augustus 1991, 15:17 uur

Camperts productie was voor 1991 al indrukwekkend, hoewel hij in de jaren zeventig een tijd lang door een writer’s block geveld werd. In de zomer van 1991 was hij de gast van Jan Donkers. Daarna schreef hij enthousiast verder. De zeer geliefde column CaMu bij de Volkskrant, waarin Remco om de dag afwisselde met Jan Mulder, verscheen van 1996 tot 2006. Maar ook nu nog grijpen de lezers wekelijks het eerst naar zijn verhaal.
------------------------------------------

Biografie Remco Campert

Onvermoeibaar
Remco Campert wordt op 28 juli 1929 geboren in Den Haag. Zijn ouders zijn de dichter Jan Campert en de actrice Joeki Broedelet. Zij scheiden als Remco drie jaar oud is. Voor Campert begint dan een periode van heen en weer gereis tussen vader, moeder en grootouders. In de oorlog moet hij bij een pleeggezin wonen en in 1942 vertrekt hij naar Epe, omdat Den Haag te onveilig is geworden. Zijn vader sterft in het concentratiekamp Neuengamme. Daar kwam hij terecht toen hij een joodse man naar België had geprobeerd te smokkelen. Hij werd na de oorlog – en na zijn dood – bekend met de verzetsdicht De achttien dooden.

Als de oorlog afgelopen is, vertrekt hij met zijn moeder naar Amsterdam. Daar gaat hij naar het gymnasium, maar hij besluit zijn middelbare schoolopleiding niet af te maken, omdat hij schrijver wil worden. Een diploma is dus nergens voor nodig. De eerste jaren nadat hij van school af is, schrijft hij reclameteksten en vertalingen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Op twintig-jarige leeftijd trouwt hij met zijn eerste vrouw Freddie Rutgers en vertrekken ze naar Parijs.

Al gauw verzamelt zich een groep jonge gelijkgestemden om Campert, waaronder Simon Vinkenoog, Gerrit Kouwenaar, Rudy Kousbroek, Hugo Claus, Jan Elburg. Na het verschijnen van Vinkenoogs bloemlezing Atonaal in 1951 staan de jonge dichters bekend als de Vijftigers. Binnen het groepje experimentele dichters geldt Campert als de meest toegankelijke.

Bij terugkomst in Nederland halverwege de jaren vijftig gaan hij en Freddie uit elkaar. Hij hertrouwt al snel met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze gaan in Blaricum wonen en hun huis wordt een verzamelplek van dichters, schrijvers en kunstenaars. Het stel gaat in 1957 uit elkaar. In 1960 ontmoet Campert Lucia van de Berg, met wie hij twee dochters krijgt, Emanuela en Cleo. In 1964 vertrekt het gezin naar Antwerpen, maar twee jaar later keert Campert alleen terug. Hij leert Deborah Wolf kennen. De twee leven tot 1980 samen, gaan uit elkaar, maar trouwen in 1996 uiteindelijk toch met elkaar.

In 1976 krijgt Campert de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn poëtisch oeuvre, hoewel hij dan al een tijdje erg weinig heeft geschreven. Camperts werk is vrij autobiografisch, cynisch en ironisch. Ook zijn proza wordt vanaf die tijd erg populair bij een groot publiek. Enkele bekende titels zijn Het leven is verrukkulluk en de verhalenbundel Alle dagen feest. Zijn dichtbundels blijven gestaag verschijnen. De laatste jaren heeft hij nog praktisch elk jaar een bundel verhalen of gedichten gepubliceerd.

Van 1989 tot en met 1995 gaat Campert met Jan Mulder en Bart Chabot op tournee om uit eigen werk voor te lezen. Van 1996 tot 2006 staat er om de dag een column van hem op de voorpagina van de Volkskrant. Sindsdien legt hij zich toe op dichten en schrijven, zoals hij altijd gedaan heeft.

VPRO Marathoninterview - Remco Campert deel 3

vrijdag 9 augustus 1991, 15:15 uur

Camperts productie was voor 1991 al indrukwekkend, hoewel hij in de jaren zeventig een tijd lang door een writer’s block geveld werd. In de zomer van 1991 was hij de gast van Jan Donkers. Daarna schreef hij enthousiast verder. De zeer geliefde column CaMu bij de Volkskrant, waarin Remco om de dag afwisselde met Jan Mulder, verscheen van 1996 tot 2006. Maar ook nu nog grijpen de lezers wekelijks het eerst naar zijn verhaal.

Biografie Remco Campert

Onvermoeibaar
Remco Campert wordt op 28 juli 1929 geboren in Den Haag. Zijn ouders zijn de dichter Jan Campert en de actrice Joeki Broedelet. Zij scheiden als Remco drie jaar oud is. Voor Campert begint dan een periode van heen en weer gereis tussen vader, moeder en grootouders. In de oorlog moet hij bij een pleeggezin wonen en in 1942 vertrekt hij naar Epe, omdat Den Haag te onveilig is geworden. Zijn vader sterft in het concentratiekamp Neuengamme. Daar kwam hij terecht toen hij een joodse man naar België had geprobeerd te smokkelen. Hij werd na de oorlog – en na zijn dood – bekend met de verzetsdicht De achttien dooden.

Als de oorlog afgelopen is, vertrekt hij met zijn moeder naar Amsterdam. Daar gaat hij naar het gymnasium, maar hij besluit zijn middelbare schoolopleiding niet af te maken, omdat hij schrijver wil worden. Een diploma is dus nergens voor nodig. De eerste jaren nadat hij van school af is, schrijft hij reclameteksten en vertalingen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Op twintig-jarige leeftijd trouwt hij met zijn eerste vrouw Freddie Rutgers en vertrekken ze naar Parijs.

Al gauw verzamelt zich een groep jonge gelijkgestemden om Campert, waaronder Simon Vinkenoog, Gerrit Kouwenaar, Rudy Kousbroek, Hugo Claus, Jan Elburg. Na het verschijnen van Vinkenoogs bloemlezing Atonaal in 1951 staan de jonge dichters bekend als de Vijftigers. Binnen het groepje experimentele dichters geldt Campert als de meest toegankelijke.

Bij terugkomst in Nederland halverwege de jaren vijftig gaan hij en Freddie uit elkaar. Hij hertrouwt al snel met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze gaan in Blaricum wonen en hun huis wordt een verzamelplek van dichters, schrijvers en kunstenaars. Het stel gaat in 1957 uit elkaar. In 1960 ontmoet Campert Lucia van de Berg, met wie hij twee dochters krijgt, Emanuela en Cleo. In 1964 vertrekt het gezin naar Antwerpen, maar twee jaar later keert Campert alleen terug. Hij leert Deborah Wolf kennen. De twee leven tot 1980 samen, gaan uit elkaar, maar trouwen in 1996 uiteindelijk toch met elkaar.

In 1976 krijgt Campert de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn poëtisch oeuvre, hoewel hij dan al een tijdje erg weinig heeft geschreven. Camperts werk is vrij autobiografisch, cynisch en ironisch. Ook zijn proza wordt vanaf die tijd erg populair bij een groot publiek. Enkele bekende titels zijn Het leven is verrukkulluk en de verhalenbundel Alle dagen feest. Zijn dichtbundels blijven gestaag verschijnen. De laatste jaren heeft hij nog praktisch elk jaar een bundel verhalen of gedichten gepubliceerd.

Van 1989 tot en met 1995 gaat Campert met Jan Mulder en Bart Chabot op tournee om uit eigen werk voor te lezen. Van 1996 tot 2006 staat er om de dag een column van hem op de voorpagina van de Volkskrant. Sindsdien legt hij zich toe op dichten en schrijven, zoals hij altijd gedaan heeft.

Remco Campert deel 2

vrijdag 9 augustus 1991, 15:13 uur

Camperts productie was voor 1991 al indrukwekkend, hoewel hij in de jaren zeventig een tijd lang door een writer’s block geveld werd. In de zomer van 1991 was hij de gast van Jan Donkers. Daarna schreef hij enthousiast verder. De zeer geliefde column CaMu bij de Volkskrant, waarin Remco om de dag afwisselde met Jan Mulder, verscheen van 1996 tot 2006. Maar ook nu nog grijpen de lezers wekelijks het eerst naar zijn verhaal.

Biografie Remco Campert

Onvermoeibaar
Remco Campert wordt op 28 juli 1929 geboren in Den Haag. Zijn ouders zijn de dichter Jan Campert en de actrice Joeki Broedelet. Zij scheiden als Remco drie jaar oud is. Voor Campert begint dan een periode van heen en weer gereis tussen vader, moeder en grootouders. In de oorlog moet hij bij een pleeggezin wonen en in 1942 vertrekt hij naar Epe, omdat Den Haag te onveilig is geworden. Zijn vader sterft in het concentratiekamp Neuengamme. Daar kwam hij terecht toen hij een joodse man naar België had geprobeerd te smokkelen. Hij werd na de oorlog – en na zijn dood – bekend met de verzetsdicht De achttien dooden.

Als de oorlog afgelopen is, vertrekt hij met zijn moeder naar Amsterdam. Daar gaat hij naar het gymnasium, maar hij besluit zijn middelbare schoolopleiding niet af te maken, omdat hij schrijver wil worden. Een diploma is dus nergens voor nodig. De eerste jaren nadat hij van school af is, schrijft hij reclameteksten en vertalingen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Op twintig-jarige leeftijd trouwt hij met zijn eerste vrouw Freddie Rutgers en vertrekken ze naar Parijs.

Al gauw verzamelt zich een groep jonge gelijkgestemden om Campert, waaronder Simon Vinkenoog, Gerrit Kouwenaar, Rudy Kousbroek, Hugo Claus, Jan Elburg. Na het verschijnen van Vinkenoogs bloemlezing Atonaal in 1951 staan de jonge dichters bekend als de Vijftigers. Binnen het groepje experimentele dichters geldt Campert als de meest toegankelijke.

Bij terugkomst in Nederland halverwege de jaren vijftig gaan hij en Freddie uit elkaar. Hij hertrouwt al snel met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze gaan in Blaricum wonen en hun huis wordt een verzamelplek van dichters, schrijvers en kunstenaars. Het stel gaat in 1957 uit elkaar. In 1960 ontmoet Campert Lucia van de Berg, met wie hij twee dochters krijgt, Emanuela en Cleo. In 1964 vertrekt het gezin naar Antwerpen, maar twee jaar later keert Campert alleen terug. Hij leert Deborah Wolf kennen. De twee leven tot 1980 samen, gaan uit elkaar, maar trouwen in 1996 uiteindelijk toch met elkaar.

In 1976 krijgt Campert de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn poëtisch oeuvre, hoewel hij dan al een tijdje erg weinig heeft geschreven. Camperts werk is vrij autobiografisch, cynisch en ironisch. Ook zijn proza wordt vanaf die tijd erg populair bij een groot publiek. Enkele bekende titels zijn Het leven is verrukkulluk en de verhalenbundel Alle dagen feest. Zijn dichtbundels blijven gestaag verschijnen. De laatste jaren heeft hij nog praktisch elk jaar een bundel verhalen of gedichten gepubliceerd.

Van 1989 tot en met 1995 gaat Campert met Jan Mulder en Bart Chabot op tournee om uit eigen werk voor te lezen. Van 1996 tot 2006 staat er om de dag een column van hem op de voorpagina van de Volkskrant. Sindsdien legt hij zich toe op dichten en schrijven, zoals hij altijd gedaan heeft.

Remco Campert deel 1

vrijdag 9 augustus 1991, 15:07 uur

Campert's productie was voor 1991 al indrukwekkend, hoewel hij in de jaren zeventig een tijd lang door een writer’s block geveld werd. In de zomer van 1991 was hij de gast van Jan Donkers. Daarna schreef hij enthousiast verder. De zeer geliefde column CaMu bij de Volkskrant, waarin Remco om de dag afwisselde met Jan Mulder, verscheen van 1996 tot 2006. Maar ook nu nog grijpen de lezers wekelijks het eerst naar zijn verhaal.

Biografie Remco Campert

Onvermoeibaar
Remco Campert wordt op 28 juli 1929 geboren in Den Haag. Zijn ouders zijn de dichter Jan Campert en de actrice Joeki Broedelet. Zij scheiden als Remco drie jaar oud is. Voor Campert begint dan een periode van heen en weer gereis tussen vader, moeder en grootouders. In de oorlog moet hij bij een pleeggezin wonen en in 1942 vertrekt hij naar Epe, omdat Den Haag te onveilig is geworden. Zijn vader sterft in het concentratiekamp Neuengamme. Daar kwam hij terecht toen hij een joodse man naar België had geprobeerd te smokkelen. Hij werd na de oorlog – en na zijn dood – bekend met de verzetsdicht De achttien dooden.

Als de oorlog afgelopen is, vertrekt hij met zijn moeder naar Amsterdam. Daar gaat hij naar het gymnasium, maar hij besluit zijn middelbare schoolopleiding niet af te maken, omdat hij schrijver wil worden. Een diploma is dus nergens voor nodig. De eerste jaren nadat hij van school af is, schrijft hij reclameteksten en vertalingen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Op twintigjarige leeftijd trouwt hij met zijn eerste vrouw Freddie Rutgers en vertrekken ze naar Parijs.

Al gauw verzamelt zich een groep jonge gelijkgestemden om Campert, waaronder Simon Vinkenoog, Gerrit Kouwenaar, Rudy Kousbroek, Hugo Claus, Jan Elburg. Na het verschijnen van Vinkenoogs bloemlezing Atonaal in 1951 staan de jonge dichters bekend als de Vijftigers. Binnen het groepje experimentele dichters geldt Campert als de meest toegankelijke.

Bij terugkomst in Nederland halverwege de jaren vijftig gaan hij en Freddie uit elkaar. Hij hertrouwt al snel met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze gaan in Blaricum wonen en hun huis wordt een verzamelplek van dichters, schrijvers en kunstenaars. Het stel gaat in 1957 uit elkaar. In 1960 ontmoet Campert Lucia van de Berg, met wie hij twee dochters krijgt, Emanuela en Cleo. In 1964 vertrekt het gezin naar Antwerpen, maar twee jaar later keert Campert alleen terug. Hij leert Deborah Wolf kennen. De twee leven tot 1980 samen, gaan uit elkaar, maar trouwen in 1996 uiteindelijk toch met elkaar.

In 1976 krijgt Campert de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn poëtisch oeuvre, hoewel hij dan al een tijdje erg weinig heeft geschreven. Camperts werk is vrij autobiografisch, cynisch en ironisch. Ook zijn proza wordt vanaf die tijd erg populair bij een groot publiek. Enkele bekende titels zijn Het leven is verrukkulluk en de verhalenbundel Alle dagen feest. Zijn dichtbundels blijven gestaag verschijnen. De laatste jaren heeft hij nog praktisch elk jaar een bundel verhalen of gedichten gepubliceerd.

Van 1989 tot en met 1995 gaat Campert met Jan Mulder en Bart Chabot op tournee om uit eigen werk voor te lezen. Van 1996 tot 2006 staat er om de dag een column van hem op de voorpagina van de Volkskrant. Sindsdien legt hij zich toe op dichten en schrijven, zoals hij altijd gedaan heeft.

VPRO Marathoninterview - Wijnie Jabaaij deel 4

vrijdag 2 augustus 1991, 15:13 uur

Dordse Wijnie was de eerste die ooit hardop “kut” in het parlement zei. En niet om te schelden maar omdat een aantal Tweede Kamerheren een debat voerden over de toestemming voor vaginale visitatie van rijksgenoten uit de West. Omdat deze dames misschien heur paspoorten in heur dozen verstopten… Lida Iburg was goed ingevoerd in de Partij van de Arbeid en wist dat er nog meer pittige damesverhalen over de politiek waren te bespreken. Meer dan in vier uur paste!

Biografie Wijnie Jabaaij

Helper in nood

Wijnie Jabaaij werd op 13 april 1939 in Dordrecht geboren. Toen ze in 1991 te gast was bij de VPRO was ze net twee jaar gestopt als Kamerlid van de PvdA. Ze was van 1979 tot 1989 lid van de Kamer. In het jaar voordat ze stopte, begon ze met een stok te lopen. Ze dacht toen nog dat ze door een virus was geïnfecteerd. Een jaar later bleek het multiple sclerose te zijn en hield ze noodgedwongen op met haar werk als parlementariër. Ze wilde haar collega-kamerleden niet langer tot last zijn met het werk dat ze van haar moesten overnemen.

Voor haar kamerlidmaatschap was Jabaaij onderwijzeres en assistente van een kinderarts. In Dordrecht was ze van 1970 tot 1978 lid van de gemeenteraad. Ze was zeventien jaar getrouwd met Rob Giphart en kreeg met hem twee kinderen: zoon Ronald, de schrijver en dochter Karin, de schrijfster. Eenmaal in de Kamer maakte zich met name sterk voor vrouwen en minderheden. Binnen de minderheden ging haar hart uit naar de Antillianen. Een Antilliaans vriendje uit haar schooltijd had de liefde voor het eiland en haar bewoners opgewekt.

Jabaaijs stijl was ongekunsteld. Dat kwam vooral goed naar voren in het kamerdebat over de uitzetting van zigeunerinnen. Het gerucht deed de ronde dat zij hun paspoort in hun vagina’s verstopten, waarop de voornamelijk mannelijke kamerleden doorfantaseerden over het onderwerp. Mochten de dames op Schiphol op paspoorten in hun vagina’s gecontroleerd worden? Jabaaij stapte naar de interruptiemicrofoon en sprak de legendarische zin: “Jongens, jongens, denken jullie nou werkelijk dat het mogelijk is een paspoort in je kut te steken?” Een politiek novum – plus een rel – was geboren.

Na haar afscheid van de kamer bleef Jabaaij zich maatschappelijk inzetten. Ze vond dat er een MS-onderzoekscentrum moest komen. Een jaar na haar dood, in 1995, was het centrum in Nijmegen er. De laatste jaren van haar leven werd ze verzorgd door vrienden en familie. Een hersenbloeding verslechterde haar toestand nog meer. Op 7 juni 1995 overleed ze in haar geboortestad.

VPRO Marathoninterview - Wijnie Jabaaij deel 3

vrijdag 2 augustus 1991, 15:10 uur

Dordse Wijnie was de eerste die ooit hardop “kut” in het parlement zei. En niet om te schelden maar omdat een aantal Tweede Kamerheren een debat voerden over de toestemming voor vaginale visitatie van rijksgenoten uit de West. Omdat deze dames misschien heur paspoorten in heur dozen verstopten… Lida Iburg was goed ingevoerd in de Partij van de Arbeid en wist dat er nog meer pittige damesverhalen over de politiek waren te bespreken. Meer dan in vier uur paste!

Biografie Wijnie Jabaaij

Helper in nood

Wijnie Jabaaij werd op 13 april 1939 in Dordrecht geboren. Toen ze in 1991 te gast was bij de VPRO was ze net twee jaar gestopt als Kamerlid van de PvdA. Ze was van 1979 tot 1989 lid van de Kamer. In het jaar voordat ze stopte, begon ze met een stok te lopen. Ze dacht toen nog dat ze door een virus was geïnfecteerd. Een jaar later bleek het multiple sclerose te zijn en hield ze noodgedwongen op met haar werk als parlementariër. Ze wilde haar collega-kamerleden niet langer tot last zijn met het werk dat ze van haar moesten overnemen.

Voor haar kamerlidmaatschap was Jabaaij onderwijzeres en assistente van een kinderarts. In Dordrecht was ze van 1970 tot 1978 lid van de gemeenteraad. Ze was zeventien jaar getrouwd met Rob Giphart en kreeg met hem twee kinderen: zoon Ronald, de schrijver en dochter Karin, de schrijfster. Eenmaal in de Kamer maakte zich met name sterk voor vrouwen en minderheden. Binnen de minderheden ging haar hart uit naar de Antillianen. Een Antilliaans vriendje uit haar schooltijd had de liefde voor het eiland en haar bewoners opgewekt.

Jabaaijs stijl was ongekunsteld. Dat kwam vooral goed naar voren in het kamerdebat over de uitzetting van zigeunerinnen. Het gerucht deed de ronde dat zij hun paspoort in hun vagina’s verstopten, waarop de voornamelijk mannelijke kamerleden doorfantaseerden over het onderwerp. Mochten de dames op Schiphol op paspoorten in hun vagina’s gecontroleerd worden? Jabaaij stapte naar de interruptiemicrofoon en sprak de legendarische zin: “Jongens, jongens, denken jullie nou werkelijk dat het mogelijk is een paspoort in je kut te steken?” Een politiek novum – plus een rel – was geboren.

Na haar afscheid van de kamer bleef Jabaaij zich maatschappelijk inzetten. Ze vond dat er een MS-onderzoekscentrum moest komen. Een jaar na haar dood, in 1995, was het centrum in Nijmegen er. De laatste jaren van haar leven werd ze verzorgd door vrienden en familie. Een hersenbloeding verslechterde haar toestand nog meer. Op 7 juni 1995 overleed ze in haar geboortestad.

Vorige pagina Back to top
NPO Radio 1