appjecalendarcheckchevron-downchevron-leftchevron-rightchevron-upclosedownloaddragfacebookfast-backwardfast-forwardgoogle-plusiconinstagramlinkedinlistlisten-livelogo-nporadio1logo-tour-de-france mailmicrophonepauseperson-man-2person-woman-4phonepinterestplayplaylistplyr-nextplyr-prevquestionquotesearchsharesorter--up-and-down star--open-and-filled star-openstarthumbdownthumbuptwitterwatch-livewhatsappyoutubeplyr-captions-off plyr-captions-on plyr-enter-fullscreen plyr-exit-fullscreen plyr-fast-forward plyr-muted plyr-pause plyr-play plyr-restart plyr-rewind plyr-volume

Nieuwsweekend

Boeken met Jeroen Vullings

zaterdag 10 november 2018, 10:30 uur

Michael Palin, ‘Erebus. Het verhaal van een schip’, Het Spectrum, vertaling Annemie de Vries, 368 p.

Een negentiende-eeuwse, fatale laatste reis door twee gedoemde Britse schepen naar het noordpoolgebied. Een gruwelijk verhaal. Allemaal kwamen ze om, de honderdnegenentwintig opvarenden van de HMS Erebus en haar zusterschip Terror. Na honderdzestig jaar, in 2014, ontdekten Canadezen het wrak van de Erebus; de Engelse schrijvende wereldreiziger en Monty Python-veteraan Michael Palin (1943) zag er een boek in; hij reisde het schip na over de aardbol, documenteerde zich en reconstrueerde uiteindelijk hypothetisch het noodlottige einde. Erebus getuigt daarvan. Het was uiteindelijk een kwestie van: ze waren op de verkeerde plaats, op het verkeerde moment. De bemanning had ook de pech dat juist de twee, drie winters die ze daar doorbrachten vielen in de koudste periode in decennia. Het ijs smolt zelfs in de zomer niet. En als je naar de hele onderneming kijkt, om de Noordwestpassage naar Azië op naam van het Britse Rijk te krijgen, dan was er sprake van enorme hubris. Het was een opeenhoping van trots: nationale trots, trots van de Admiraliteit, het verlangen te bewijzen dat de Engelsen die laatste honderden kilometers van het traject in kaart konden brengen. Het slotdeel van Erebus is hypothetisch, omdat we nu eenmaal niet weten wat er precies is gebeurd. Nochtans laat Palin in dit als een klassiek jongensboek over avonturen en rampen op zee een drietal theorieën over het einde de revue passeren: loodvergiftiging, scheurbeuk en… kannibalisme.


Theo Gerritse, ‘Rauter. Himmlers vuist in Nederland’, Boom, 748 p.

De Höherer SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter (1895-1949) was, zoals zijn biograaf Theo Gerritse schrijft, ‘de meest gevreesde figuur in bezet Nederland’. De boomlange Rauter was in ons land, als zetbaas van Himmler, onder meer verantwoordelijk voor het gewelddadig neerslaan van de Februaristaking (1941) en de April-mei-stakingen (1943), de deportatie van de Joden, de vervolging van verzetsmensen en de sluipmoorden (Silbertanne) op tegenstanders van het Derde Rijk. Gerritse spreekt er terecht zijn verbazing over uit dat er tot dusver geen zelfstandige, wetenschappelijke biografie aan hem is gewijd. Gerritses streven naar volledigheid in Rauter, Himmlers vuist in Nederland is prijzenswaard. Dat was moeilijk, want Rauter beschouwde het als een teken van zwakte om zich in de ziel te laten kijken of informatie over zijn privéleven te geven. Dat zou maar afbreuk doen aan het door hem gekoesterde imago als nimmer wankelmoedige SS-generaal, gehoorzaam, hard, trouw, doelgericht. De man die nooit twijfelde, 1.96 meter lang. Gerritse toont Rauter verrassend genoeg niet als de vertrouwde personificatie van het Kwaad, maar als de perfecte, ambitieuze dienaar van een verdorven regime. We volgen hem in deze goedgeschreven biografie van zijn wieg in Klagenfurt tot de finale duinpan in Scheveningen.


Uwe Timm, ‘Icarië’, vertaling Gerrit Bussink, Podium, 447 p.

Duitsland, april 1945: een land in as, materieel en moreel vernietigd. Voor zijn nieuwe, grote roman Icarië koos de Dutse schrijver Uwe Timm (1940) hem vertrouwd terrein: het oorlogsverleden van zijn land én zijn familiegeschiedenis. In Mijn broer bijvoorbeeld (2003) schreef hij over zijn broer die als Waffen-SS-soldaat het leven liet in Rusland toen de latere schrijver zelf drie jaar oud was. Wederom volvoert hij nu in een roman een familiezoektocht, ditmaal naar zijn schoonvader, Hitlers topeugeneticus dr. Alfred Ploetz. Al in 1979 zette hij zich aan dit werk, maar het lukte hem toen niet een ‘epische structuur’ te vinden, vertelt hij in zijn nawoord. Voor een roman, bedoelt hij daarmee vast. Het had voor de hand gelegen dat hij een biografie aan deze wegbereider van de nazimisdaden op het gebied van ‘rassenhygiëne’ wijdde, maar dat wilde hij kennelijk niet. Het waarom daarvan en de juistheid van Timms keuze blijkt uit Icarië. Hoofdpersoon is de vijfentwintigjarige Amerikaanse officier Michael Hansen. Op twaalfjarige leeftijd heeft hij met zijn ouders Duitsland verlaten en nu keert hij terug naar de Heimat, als moedertaalspreker toegerust met een opdracht: hij moet achterhalen waarom en hoe Ploetz veranderde van links-utopische revolutionair in de grondlegger van het nationaalsocialistische gedachtengoed over raszuivering. Deze wetenschapper stierf in 1940 aan longemfyseem, in zijn eigen kasteeltje. Dus moet Michael op zoek naar mensen die hem gekend hebben. De achtergrond: het proces van democratisering van de Duitsers door de Amerikanen is in volle gang. Uiteindelijk berust de zeggingskracht van deze intrigerende, grootse roman op de vraag welk karakter je nodig hebt om zo’n verandering door te kunnen maken als Ploetz. En in wijder verband: op de vraag hoe idealen zo kunnen veranderen in onnoembare foute realiteit.

Vorige pagina Back to top
NPO Radio 1