appjecalendarcheckchevron-downchevron-leftchevron-rightchevron-upclosedownloaddragfacebookfast-backwardfast-forwardgoogle-plusiconinstagramlinkedinlistlisten-livelogo-nporadio1logo-tour-de-france mailmicrophonepauseperson-man-2person-woman-4phonepinterestplayplaylistplyr-nextplyr-prevquestionquotesearchsharesorter--up-and-down star--open-and-filled star-openstarthumbdownthumbuptwitterwatch-livewhatsappyoutubeplyr-captions-off plyr-captions-on plyr-enter-fullscreen plyr-exit-fullscreen plyr-fast-forward plyr-muted plyr-pause plyr-play plyr-restart plyr-rewind plyr-volume
Afspeellijst Je afspeellijst is leeg
Meer NPO
STER Advertentie

"Je zou Hitler nu een zeer amorele marketeer kunnen noemen"

Podium/Prometheus
zaterdag 8 september 2018 | Omroep Max | Redactie Nieuwsweekend Twitter

Iedere week verschijnen er in Nederland meer dan 500 nieuwe boeken. In de boekenrubriek van Nieuwsweekend selecteren Jeroen Vullings, Onno Blom en Lidewijde Paris elke zaterdag een de uitgaves die je beter niet kunt missen.  Deze week bespreekt Jeroen Vullings zijn selectie. 

Boeken met: Jeroen Vullings

Alex Boogers, ‘Lang leve de lezer’, Podium, 144 p. Verschijnt op 17 september.

Lang leve de lezer heet het nieuwe pamflet van Alex Boogers, waarin zijn eerdere, als Nieuwjaarsgeschenk bij uitgeverij Podium verschenen schotschrift De lezer is niet dood (2016) is verwerkt. Dat zijn beide sympathieke titels, die elke literatuurminnaar een hart onder de riem steken, want hoe kan een beetje lezer het met die twee verwante stellingen het oneens zijn? Boogers zegt meer hartverwarmends, over bevlogen leraren die tegen de keer in een vonk van enthousiasme kunnen planten in het hart van hun pupillen; over de merkwaardige vaderlandse neiging om literair geschreven boeken over sporters af te doen als pulp; over de plotselinge gekte in deze tijden van identiteitspolitiek waarin hijzelf  – nota bene opgegroeid in een afvoerputje van de multiculturele samenleving – plotseling als ‘bevoorrechte witte schrijver van middelbare leeftijd’ wordt gezien; over laaggeletterde jongeren die met de juiste aanpak kunnen uitgroeien tot bevlogen lezers. Hoe? Eerst door herkenning op te roepen met hun eigen omstandigheden, en daarna door ze mee te nemen naar een hoger plan. Dat doet de schrijver, weet Boogers uit zijn eigen praktijk, door personages te scheppen die door hun wereld heen breken, die ontsnappen aan de miserie. Eerst schep je karakters die begrip en sympathie opwekken, doordat de lezer de lange weg ziet die ze moeten afleggen. De schrijver biedt de laaggeletterde lezers na die herkenningsfase vensters die ze in hun eigen bestaan nooit zagen, het vergezicht op een nieuwe wereld – via de verbeelding.  Mooi.

Hij zegt ook het nodige – daar is het een ‘totaalmanifest’ voor – waarbij ik dacht: nu generaliseer je wel erg, nu ben je te eenzijdig, zoals over recensenten, met wie het bijzonder bar gesteld zou zijn. Boogers heeft gelijk als hij het heeft over hun door het vigerende anti-intellectualisme, de tomeloze zucht naar makkelijk vermaak en de hoofdredactionele voorkeuren voor servicegerichte ‘ballen’ of ‘sterren’ bedreigde, belangeloze eredienst aan de literatuur. Maar neem je daar bovenop zijn niet door namen of rugnummers gestutte aantijgingen over hun vermeende ‘incestueuze’ praktijken serieus, dan kan er maar een conclusie zijn: ze zijn ten dode opgeschreven. Ze moeten weg: je hebt er niks aan, die parasieten. Zou het? Je hebt ten eerste al het verschil tussen recensenten (die een boek als een losstaand literair incident bespreken) en critici (die zo’n boek in de context kunnen plaatsen van een oeuvre, van het literaire klimaat). Voorts heb je binnen het recensentengilde zoals in elke beroepsgroep beunhazen en vaklui. Wanneer je dat anders voorstelt, mordicus negatief, dan stem je nieuwsgierig naar je persoonlijke ervaringen met besprekers als schrijver – en daar ontbreekt het aan in Lang leve de lezer.

Eenzelfde ongemak ervoer ik bij Boogers’ contante afzetten tegen ‘de culturele elite’. Ik moet dan altijd denken aan de metafoor over de ‘Gouden Muur’ in Harry Mulisch’ De ontdekking van de hemel. Mensen die voor die muur staan, vermoeden dat er daarachter veel ontzagwekkends omgaat. Maar achter die muur weten ze dat dat weinig verschilt van de situatie voor de muur. Alex Boogers loopt lang genoeg mee in de letteren - voor en achter de muur - om beter te weten, hij is bewierookt in de literaire kritiek en omhelsd door het grote publiek – terecht. En toch koestert hij die buitenstaanderspositie, als schrijver buiten de gevestigde orde. Dat begrijp ik, daar is hij romanticus voor en zonder dat romantische schrijvers-DNA zou hij mij niet hebben kunnen vergasten op zijn gedreven oeuvre. Maar wanneer hij ten bewijze van zijn dubbeltje-dat-nooit-een-kwartje-mag-worden-status in het literaire milieu een feestinterviewster citeert tijdens het Libris-diner dat hij als genomineerde schrijver bijwoonde, namelijk de vraag hoe het voor hem als arbeiderskind is om toch eens een keer in het chique Amstel Hotel te mogen bikkelen, kun je ook denken: hier is geen sprake van een samenzwering om de beschofte gelederen gesloten te houden, maar simpelweg van gebrek aan empathie.

Maar ook dát is Boogers ten voeten uit, dus kwalijk kun je het hem niet nemen. Hij zal nooit en te nimmer de baarmoederstreng doorknippen met zijn jeugd; in elk boek van hem gaat het daarover. Hij kan niet anders, dat is geen pose. Die jeugdervaringen vormen de bron van zijn schrijverschap, niet alleen in de zin van levensfeiten die hij als materiaal aanwendt, maar ook op een hoger plan: toen is zijn wereldbeeld en - als ontsnapping aan de duisternis - zijn schrijverschap gevormd. Wat dat betreft had Lang leve de lezer beter Lang leve het schrijven kunnen heten, want dat is het eigenlijke onderwerp in deze directe hartenkreet.   

Misschien wek ik nu de indruk dat het veel ijdel vertoon is in Boogers’ pamflet: een schrijver die zijn schrijverschap bezingt… Niets is minder waar. Dat schrijverschap is hem overkomen, en dat stemt hem nederig. Daarom durft hij zijn schrijverschap nog steeds niet te claimen, lees je tussen de regels door. Het is voor hem niets minder dan een onachterhaalbare natuurkracht, iets dat hem opgedrongen is, iets dat niet te doseren valt, iets waar hij geen vat op krijgt, iets dat hij simpelweg moet dóén, omdat hij het besef heeft niet te bestaan zonder die drang. Dat raakt aan zoiets als identiteit en gaat verder dan het idee dat je er niet toe doet, wat je ook doet. Hoe paradoxaal dat ook klinkt bij een schrijver die in feite altijd over zichzelf schrijft, al dan niet via geteisterde personages aan de onderkant van de samenleving, het is schrijven ondanks hemzelf. Dat klinkt stuurloos, maar dat is het niet. Dat beweer ik nadat ik, al recenserend, boek na boek van hem, steeds meer greep denk te hebben gekregen op die intrigerende kracht in Boogers’ oeuvre die schrijven heet. Apodictisch gesteld: schrijven is voor hem sublimeren. Hij probeert een wereld op papier tot leven te brengen, die hij deels kent en die hem tegelijkertijd deels vreemd is. Dat betekent in zijn geval meer dan het laten samenvloeien van verbeelding en autobiografische werkelijkheid; hij geeft zich weliswaar over aan de beelden uit zijn jeugd, met het besef hoe hij die kan aanwenden, maar op het moment dat het schrijven begint, neemt het hem over. Zekerheden verdwijnen. Het wordt ‘rammen zonder te denken’, toestaan en laten gaan. Hij noemt dat ‘vuur’, elders rept hij van het ‘ritme’, de ‘toon’, de ‘cadans’ waarnaar hij steeds op zoek is in zijn roffelende proza: ‘Wie het ritme vindt, die vangt het licht’.

Die manier van schrijven doet mij denken aan die in Jeanette Wintersons vroege werk, waarin eenzelfde existentiële pijn bezworen moet worden. Boogers zelf benoemt die sensatie zo: ‘Het leek of ik naakt liep, met een huid die derdegraads verbrand was. Alles kwam aan. Alles werd gevoeld. Ik wist dat het ergens naartoe moest en niet in mijn hoofd kon blijven, maar ik wist niet precies welke vorm het kon aannemen. Ik schreef het op.’ Alex Boogers schrijft zonder schil. 

Adolf Hitler, ‘Mijn strijd’, vertaling Mario Molegraaf, inleiding, commentaar en annotaties Willem Melching, Prometheus, 854 p.

Het is zover. De Nederlandse vertaling van Mein Kampf is in een nieuwe Nederlandse vertaling verschenen bij Prometheus. Deze uitgeverij wil daarmee een wetenschappelijk verantwoorde uitgave op de markt brengen, in navolging van de in januari 2016 verschenen, eerste Duitse herdruk na 1945, uitgegeven door historici van het Münchense Institut für Zeitgeschichte. Dat is een kritische editie, waarin de vele onzinnige beweringen van Hitler ontzenuwd worden. Met legioenen voetnoten. Hier is voor een andere benadering gekozen: de historicus Willem Melching leidt ieder hoofdstuk in, door dat in de context te plaatsen. Die steun verheldert enorm, want het verboden boek in handen hebben blijkt niet zelden spannender dan het in handen hebben. Er kleeft iets weerbarstigs aan Hitlers schrijftrant, dat bewaard is gebleven in de Nederlandse vertaling – geen good read. Maar als je afziet van de breedsprakigheid, de megalomanie, de nogal eens kinderachtige verhalen,  en de intense rassenhaat, bedoeld om afgrondelijk diep te kwetsen, is deze turf vanuit historisch oogpunt erg interessant. De grootste Duitse bestsellerauteur (met twaalf miljoen exemplaren het populairste boek ooit) ontvouwt in zijn boek zijn ideologie en tevens is Mijn strijd een blauwdruk van zijn plannen. Het is verbijsterend dat hij zich niet aan zijn eigen strategie gehouden heeft om de wereld te veroveren. Hij ging bij die plannen uit van een bondgenootschap met de Engelsen; zij de zee, de Duitsers het land – dat was de gedachte. Gelukkig liep het anders, dankzij Churchill.

Jeroen Vullings (Haarlem, 1962), is Redacteur en literair criticus bij Vrij Nederland. 

Meer van Nieuwsweekend

Volg ons op Twitter en Facebook  

Correctie melden

STER Advertentie
Vorige pagina Back to top
NPO Radio 1